Tweegesprek Sonja Barend en Thom Hoffman

Wat betekent het oorlogsverleden van de eerste generatie slachtoffers voor hun kinderen en kleinkinderen? Wat betekenen herdenken & vieren? NC Magazine publiceert elk nummer een gesprek tussen de verschillende generaties. Dit keer televisiepresentator Sonja Barend en acteur en fotograaf Thom Hoffman.

Eén keer heeft acteur en fotograaf Thom Hoffman (1957) in de talkshow van Sonja Barend (1940) gezeten. Hij speelde in 1989 samen met Marion van Thijn (“beeldschoon en een debutante, nul acteerervaring”) in De kassière. Hoffman tegen Barend: “En dat was natuurlijk ook meteen jouw vraag, of iemand die nooit geacteerd had wel in een film kon spelen.” Thom, lachend: “Toen heb ik haar natuurlijk enorm verdedigd. Maar je had gelijk.” En er loopt nog een ander lijntje: “Ik heb gekust met een van de stiefdochters van Sonja. Lang geleden hoor. Een intelligente, schitterende meid.” Er is toen een foto gemaakt door Hoffman van de dochters. Bij de familie Cahen-Barend hangt die foto nog altijd aan de muur. Barend is getrouwd met Abel Cahen, zijn drie dochters waren nog jong toen Sonja in hun leven kwam. Barend: “Raar woord hè, stief. Ik zeg ook altijd tegen ze: ‘Jullie kwaaie stief vindt er dit of dat van’.”

David Barend
In een rustige hoek van het Amsterdamse College Hotel vindt vanwege dit dubbelinterview een hernieuwde kennismaking tussen beiden plaats. Ze komen privé niet bij elkaar over de vloer, maar spreken wel met een zekere vertrouwdheid. Dit voorjaar brengt ‘de koningin van de talkshow’ Sonja Barend haar biografie Je ziet mij nooit meer terug uit, waarin ze onopgesmukt en indringend haar jeugd en haar verdere leven beschrijft. Een leven waar de Tweede Wereldoorlog een zwaar stempel op heeft gedrukt. David Barend heette haar vader, een Joodse Amsterdammer die sorteerder was van tweedehands jutezakken. In het boek vertelt Sonja’s moeder over die ene bepalende dag in 1942, Sonja was toen twee jaar:

“We woonden op de tweede verdieping en er werd gebeld. Ik deed open.  Twee mannen kwamen de trap op. Het waren keurig aangeklede Nederlandse mannen. Ze vroegen: ‘Is uw man thuis?’ Ik zei: ‘Ja’. (…) Je vader kon geen kant meer op. Ze waren al boven en hij stond gewoon in de kamer. Hij moest met ze mee. Het was maar voor even, zeiden ze, voor een formaliteit. Hij zou zo weer thuis zijn. (…) Ze liepen naar jouw kamer, waar jij in je bedje lag. Ik gilde, was bang dat ze je mee zouden nemen. Je zag er zo Joods uit met al dat zwarte haar. Ze deden net alsof ze je op wilden tillen. Maar ze lieten je toch liggen. Je vader trok zijn jas aan en zette zijn hoed op. Hij zag er altijd mooi uit, verzorgd. Lang en slank was hij, net als jij. Hij is naar je toe gegaan en heeft je hoofdje gekust. ‘Je ziet mij nooit meer terug’, zei hij. En zo is het ook gegaan, ik heb hem nooit meer teruggezien.” 

Barend: “Dit is het enige dat mijn moeder me vertelde. Op andere vragen zei ze: ‘Kind, dat is al zo lang geleden, dat weet ik niet meer’.” Via de strafgevangenis Het Oranjehotel in Scheveningen en Westerbork is David Barend in Auschwitz terechtgekomen – waarschijnlijk in de gaskamers – samen met zijn zusjes en hun mannen, en neefje Freddy. Barend: “Ik ben bijna mijn hele leven naar mijn vader op zoek geweest.” Maar ze heeft weinig informatie over hem kunnen vinden.

Artikel gaat verder onder de foto

Beeldbank Indonesië
‘De oorlog’ is ook bij Thom Hoffman nooit ver weg, zij het met een minder dramatische familie-impact dan bij Barend. Hij heeft Indonesische roots – Hoffmans grootmoeder is geboren en getogen in Indonesië, waarschijnlijk als dochter van een Molukse militair. Zijn grootvader werkte bij de Petroleum Maatschappij in Palembang, Sumatra. “Een heel net, liberaal gezin in Wassenaar”, zo typeert Hoffman het milieu waaruit hij komt. “Well-to-do mensen, mijn vader was tandarts en was oud-tophockeyer. Mijn moeder was erg in politiek geïnteresseerd, ter rechterzijde. Zij stond te juichen als Wiegel op tv kwam. Wij, haar twee zonen, waren meer links. Wij namen een abonnement op de VPRO-Gids en juichten als Barend Servet op de televisie was.”

Hoffman was in 2015 cultural professor aan de TU Delft en zette een beeldbank op over de geschiedenis van Indonesië, inclusief de minder fraaie kanten van dat verleden, zoals de oorlogswreedheden die door Nederlandse soldaten zijn begaan tijdens de ‘politionele acties’. Zodra hij over Indonesië spreekt, komt de leraar in hem naar boven en geeft hij het liefst een college, compleet met vragen aan zijn publiek. Hoffman is een man met een missie. Hij wil met “de juiste melange aan beelden” het verhaal van Nederlands-Indië vertellen en hoe het kwam dat Nederland historisch gezien aan de verkeerde kant stond. De helft van Hoffmans familie komt uit voormalig Nederlands-Indië. “Ik ben toen ik jong was deels opgevoed door mijn grootouders, en hun leven was doordrenkt van het Indische leven en het sepiagekleurde plaatje dat ze hadden van hun tijd daar. Door het spelen van toneeladaptaties van Couperus en Multatuli zag ik een bredere geschiedenis dan alleen onze familieband met het land. Ook in voormalig Nederlands-Indië waren er in de jaren dertig al politieke extremiteiten. De NSB had 4000 leden, op slechts 60.000 Nederlanders, een hoog percentage aanhangers dus. Mussert is er zelfs naartoe gegaan om geld voor zijn partijkas op te halen.” Hij herhaalt het tijdens het gesprek een paar keer: “Feitenkennis en geschiedeniskennis zijn onmisbare onderdelen om te kunnen weten waar we als land staan.”

Hoe Joods ben jij?
Hoe ‘Indisch’ of hoe ‘Joods’ voelen zij zich? Hoffman: “Ik ben maar een achtste Indisch, ik voel me niet zo Indonesisch. Mijn familie is geen slachtoffer van de oorlog. Godzijdank hoor. Ik voel me dus geen tweede generatie oorlogsslachtoffer. Onvergelijkbaar met Sonja’s familiesituatie.” Sonja Barend heeft een Joodse vader en een Nederlandse moeder, wat haar dus een ‘vaderjood’ maakt. Barend: “Wat een afschuwelijke term, vaderjood. Hoe Joods voel ik me? 3,5 ons of 4 kilo? Ik heb geen idee. Ik ben heel betrokken bij die geschiedenis, het is wel de achtergrond van hoe ik in het leven sta.” Joodse feestdagen als Pesach, Seideravond en Chanoeka viert Barend met haar man, kinderen en kleinkinderen.

“Ik voel me geen eerste generatie oorlogsslachtoffer, ook al ben ik aan de vooravond van de oorlog geboren. De generatie vóór mij, dat zijn de oorlogsslachtoffers. Mijn vader en zijn familie. Mijn vader hoort heel erg bij mijn leven. Dat klinkt raar, omdat ik hem en zijn hele familie niet gekend heb. ‘Zit ik me niet aan te stellen?’, heb ik weleens gedacht. Maar zijn rol is wel heel wezenlijk. Hoe ik aankijk tegen mensen, wat ik wilde bereiken met mijn televisieprogramma: met dat programma wilde ik dat iedereen aan het woord kon komen, de gastarbeiders van toen, de homo’s, de heroïneverslaafden. We wilden echt in gesprek gaan en een discussie op gang brengen.” Wat in een mensenleven vaak gedaan wordt, gebeurt ook in de geschiedenis, zegt Hoffman, namelijk dat tijdvakken netjes worden opgesplitst in bepaalde periodes met scharnierpunten. “Dat is niet zo. Het is veel meer zo dat er allerlei lange lijnen lopen met langzame ontwikkelingen, die niet meteen zichtbaar zijn. Soms vinden er erupties plaats, maar dan zijn de oorzaken eigenlijk al gepasseerd.”

Artikel gaat verder onder de foto

Scharnierpunt
Toch is één datum in zijn privéleven voor Hoffman wél een scharnierpunt: dat was in 1999. “Ik raakte die dag betrokken bij een zwaar auto-ongeluk, werd eigenlijk halfdood opgeveegd in Zwitserland. Ik was daar voor de opnames van een film. We zaten met zijn vieren in een auto, ik als passagier, en we stortten in een ravijn. Alle vier kregen we een merkwaardige adrenalinestoot waardoor we na het ongeluk naar boven konden klimmen en pas toen merkten dat er van alles in onze lijven kapot was. Hup, de ambulance in en pas vier maanden later kon ik weer functioneren. Daarna was ik een tijdje bang om te vliegen, stapte ook niet graag een auto in. Ik werd voorzichtiger. Maar die datum in november  werd een geluksdag toen exact vijf jaar later mijn zoon werd geboren. Maar eigenlijk zou ik de dag van het ongeluk óók als een geluksdag kunnen zien, want ik heb het er levend vanaf gebracht.”

Eén dag kan bepalend zijn in een leven. De dag dat je levend uit een ravijn kruipt, de dag dat je levend wordt weggevoerd uit je huis om vervolgens naar de dood gedeporteerd te worden. Barend: “Ik zie het niet als slechts één dag, maar als een gebeurtenis die de rest van mijn leven bepaald heeft vanaf het moment dat ik het wist. Heel lang heb ik van niks geweten. In de oorlog woonde ik van mijn tweede tot mijn zevende jaar in Alkmaar bij mijn katholieke grootouders – de ouders van mijn moeder – en bij mijn inwonende tante Miep. Mijn moeder zag ik soms. Pas in 1947 ging ik weer bij haar in Amsterdam wonen. Zij was inmiddels samen met een andere man – waarvan ik dacht dat hij mijn vader was – en zij hadden in de tussentijd twee zoontjes gekregen – van wie ik dus dacht dat zij mijn volle broers waren.” Een “reddeloos” huwelijk, zo typeert Barend het tweede huwelijk van haar moeder. “Ze hadden altijd ruzie en ik hoorde alles. Er was tekort aan geld, althans, ze kreeg te weinig huishoudgeld van mijn vader. Er waren altijd zorgen. Ik kreeg de zenuwen van elke verjaardag, als de jongens een gat in hun broek vielen of als de Sinterklaastijd aanbrak. Mijn moeder vertelde mij alle ellende. Ik werd daar radeloos van, omdat ik het niet voor haar kon oplossen.”

Haar moeder besluit haar na de oorlog niet te vertellen over haar weggevoerde vader, en Sonja krijgt de achternaam van haar stiefvader. Door toeval stuit Barend op de waarheid, ze is dan tien jaar. “Ik was bij een tante op bezoek en zag op de kalender staan dat op 29 februari Sonja Barend jarig was. ‘Gôh, wat leuk dat er nog een Sonja op die idiote datum jarig is’, zei ik tegen mijn tante toen ik van de wc kwam. Op een toon alsof ze vroeg ‘Lust je nog een boterham?’ antwoordde ze: ‘Maar dat ben jij!’ Toen ik vroeg hoe dat kon, zei mijn tante plompverloren: ‘Jouw vader was een Jood en is in de oorlog omgekomen. De vader die je nu hebt, is je echte vader niet.’ Ik had er vanaf die tijd vooral praktische gedachten over. ‘Hoe moet het nou met mijn diploma als ik eigenlijk een andere achternaam heb? Daar moet mijn echte achternaam op, anders is het niet geldig.’ Dat werd een enorm ding in mijn hoofd.” Pas later in haar leven besefte Barend de reikwijdte van het ‘kalenderincident’: “Er veranderde na die ontdekking eigenlijk ook niks. Er werd nergens over gepraat, ik wist niks en ik vroeg niks.”

Verdriet moeder
De vrouw die jarenlang heel Nederland aan het praten kreeg over gevoelige thema’s, durfde met haar moeder het onderwerp David Barend niet aan te snijden. Zelf ziet ze daar ook de ironie van in. (Fijntjes:) “Het is curieus voor iemand die veertig jaar haar geld verdiend heeft met het stellen van vragen, dat het mij niet gelukt is om mijn moeder aan het praten te krijgen over haar verleden met mijn vader. Ik had medelijden met haar, was ontzettend bang om haar verdrietig te maken. Ik wilde alles weten, maar was tegelijkertijd ook bang voor de antwoorden. Mijn man Abel zei: ‘Je móet met je moeder praten, straks is ze er niet meer en krijg je enorme spijt.’ Ik heb toen wel geprobeerd een gesprek te voeren met mijn moeder over vroeger. Maar ze zei altijd dat ze het niet meer wist.” Hoffman veert op: “Ja, herkenbaar. Families kunnen nooit met elkaar praten. De raarste strategieën vinden plaats in het niet benoemen van dingen. Mijn familie kwam al in 1933 terug uit Nederlands-Indië, dus die hebben niets van de jappenkampen meegemaakt. Mijn vader was zoon van een burgemeester en woonde in een piepklein Brabants dorp waar die hele Tweede Wereldoorlog langs was gewaaid, zonder dat ze er veel last van hadden. Dacht ik. Tot ik in een stuk zat waarin ik Otto Frank speelde en mijn vader kwam kijken. Ik eindigde helemaal alleen op het toneel: Otto Frank na de oorlog, een totaal uit het veld geslagen, verdrietige man als hij hoort wat er met zijn vrouw en dochters is gebeurd. Bergen-Belsen komt natuurlijk ter sprake. Na afloop zei mijn vader opeens tegen mij: ‘Ik droom elke nacht over de oorlog.’ Wat bleek? Mijn vader is aan het eind van de oorlog bij het Rode Kruis gegaan. In ’44 heeft hij zich daarbij aangesloten en vanaf 1945 is hij met het Rode Kruis meegegaan, de grens over. Hij heeft in Bergen-Belsen en in andere kampen meegedaan met de identificatie en het opsporen van familieleden van slachtoffers. Van levende en van dode mensen. Hierover heeft hij nooit een woord tegen iemand gezegd. Behalve die avond met mij in de Haarlemse Stadsschouwburg. Ik ontdekte in zijn grote fotoalbums vier kleine foto’s van zijn bezoeken aan die kampen.” Sonja vraagt: “Heb jij daarna nog geprobeerd er met hem over te praten?”

Artikel gaat verder onder de foto

Thom: “Ik heb het geprobeerd. Het was te zwaar voor hem om erover te vertellen. Mijn vader was een heel gesloten man, niet van de grote emoties. Een paar maanden na die voorstelling is hij overleden. Ik voelde aan zijn onwil om te antwoorden dat er een grens zat aan wat ik kon vragen.” Sonja: “Als iemand begrijpt hoe moeilijk het is om het gesprek aan te gaan, ben ik het wel. Jij hebt dus ook niet doorgezet. Waarom niet?”

Thom: “Om hem niet de pijn van die ervaring weer te laten voelen, denk ik. Ik wilde zijn gevoelsleven respecteren, het litteken niet groter maken.”

Sonja: “Mijn inzet was altijd om alles uit mijn interviewgasten te halen wat er inzat. Langzaam maar zeker leer je de manier om dat te doen. Liefst zo pijnloos mogelijk. Ik had het gemakkelijk op mijn moeder kunnen toepassen. Maar ik heb het niet gedaan. Uit angst haar pijn te doen. Ik durfde het niet. Iedere maandagavond zat ik bij haar, jaar in jaar uit. En iedere maandagvond dacht ik: vanavond…”

 

David Barend de vader van Sonja

Sonja Barend in ’t kort
Sonja Barend (1940), oud-televisiepresentatrice, vele programma’s waaronder de talkshow Sonja op Zaterdag. Ze is getrouwd met architect Abel Cahen en was getrouwd met wijlen televisiemaker Ralph Inbar. Barend is stiefmoeder van drie kinderen. Haar vader was Joods en heeft de oorlog niet overleefd, haar moeder was Nederlands. Coen Verbraak maakte de documentaire Vragen zonder antwoord over haar en Barends autobiografie Je ziet me nooit meer terug is net uitgekomen bij De Bezige Bij.

 

Wie is Thom Hoffman?
Thom Hoffman (1957) is acteur voor film, toneel en televisie. Hij is eveneens fotograaf, zo fotografeerde hij oorlogskinderen in voormalig Joegoslavië en Nepal voor War Child. Hij is cultural professor aan de TU Delft. Hoffman gaf als gasthoogleraar masterclasses over het Nederlands-Indië ten tijde van Multatuli onder de titel Point of view: Eduard Douwes Dekker. Hij levert een grote bijdrage aan de BBN I, BeeldBank Nederlands-Indië. Zijn vader was een bekende hockeyer en is geboren en deels getogen in Indonesië. Hoffman is getrouwd met de Nederlands-Indonesisch- Chinese actrice Giam Kwee en heeft één zoon met haar. Hij is vorig jaar benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

 


Dit artikel verscheen eerder in NC Magazine nr. 11 (voorjaar 2017). Het artikel is geschreven door Leonard Ornstein en Larissa Pans, de foto’s zijn van Chris van Houts.

Tooltip contents