4meiOverlay

Wat als je wél een oorlog hebt meegemaakt?


door Maarten Dallinga foto's Daniel Niessen

wat als je de oorlog wel hebt meegemaakt

Op verzoek van NC Magazine sprak freelance journalist Maarten Dallinga met vijf ooggetuigen van de Tweede Wereldoorlog. “Ik ben 32 en maakte nooit een oorlog mee. Ik ben nooit gedeporteerd of gevangen genomen. Ik weet ook niet hoe het is als je vriendjes ineens moeten onderduiken”, aldus Dallinga. “Maar wat als je wél een oorlog hebt meegemaakt? Wat doet dat met je gedachten over vrijheid, met je oordeel over de betekenis ervan, het belang en de kwetsbaarheid? Die vragen moeten we, vind ik, blijven stellen aan de getuigen. Zij hebben ervaren hoe het is om situaties mee te maken die zo surrealistisch beestachtig zijn dat je later denkt: was dit echt of was het slechts een nare droom? Nee, het was echt. En dat doet iets met je gevoel over vrijheid, blijkt uit deze persoonlijke verhalen. De gesprekken hebben gemaakt dat 75 jaar vrijheid voor mij nog meer is gaan betekenen.” 

Foto bovenaan pagina: Henny Dormits

‘Alleen thuis zijn is heerlijk’


Henny Dormits (90) werd samen met haar ouders en zus weggevoerd naar Westerbork en later naar Theresienstadt. Er zijn 65 familieleden van haar vermoord in Sobibor. 

“Het begon ermee dat in 1942 ineens op heel veel plekken kwam te staan: verboden voor Joden. We waren Joods, maar deden niets met het geloof. Dan vraagt een vriendinnetje of je meegaat naar de bioscoop. Ik mag niet, zei ik dan. Ik had een heel bijzondere vader, die het allemaal probeerde uit te leggen. Hij zei: ‘We moeten het allemaal accepteren, alles komt goed’. Dat geloofde ik ook. Er kwamen steeds meer verordeningen, voor mij als kind niet te begrijpen. We moesten ook naar een Joodse school. In mijn klas zaten 25 kinderen, na twee dagen waren er nog 23 over. De klas werd steeds kleiner. 

Mijn vader regelde valse dooppapieren, we werden zogenaamd protestants. Maar omdat mijn vader het alsnog niet vertrouwde, doken we onder. Na vijf maanden werden we ontdekt, zijn onze dooppapieren in stukken gescheurd en moesten we met de trein naar Westerbork. 

Daar werden we geregistreerd en tot ons geluk hadden ze formulieren met de namen van gedoopte mensen. Daardoor mochten we naar de ‘gedooptenbarak’. De mensen die daar zaten, hoefden niet op transport. Ik was inmiddels dertien jaar en werkte twaalf uur per dag op het land. Ook moest ik soms bij de trein helpen als de mensen op transport gingen. Daar werd veel gehuild. Dan loop je daar tussen als kind – ik heb mijn jeugd overgeslagen. 

Binnen een jaar tijd hebben we onze hele familie doorgestuurd zien worden. Zodra ze in Westerbork aankwamen, zochten ze ons op. Vaak moesten ze de dinsdag daarop gelijk op de trein. Er zijn 65 familieleden van mij vermoord in Sobibor. 

Op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, werden ook wij alsnog in die beestenwagens gekwakt. Ik was bang, maar mijn vader bleef zeggen: ‘Het komt allemaal goed’. Na drie dagen waren we in Theresienstadt. Daar moest ik met andere kinderen het crematorium leegruimen, omdat het Zweedse Rode Kruis zou komen. Het stond vol met schoenendoosjes waarin van iedereen de as werd bewaard. 

Ongeloof
In februari kwam ineens het bericht dat alle gedoopte mensen naar Zwitserland mochten. We werden geruild voor medicamenten, waar de Duitsers een tekort aan hadden. Toen we per trein in Zwitserland aankwamen, kon je een speld horen vallen: ongeloof. 

Na de bevrijding kon mijn vader weer snel geld verdienen. Hij deed er alles aan om ons een leuk leven te geven. Ik was zo blij met mijn vrijheid. Je weet pas wat dat is als het je afgenomen wordt. Dat zeg ik ook altijd op scholen. Het is zo’n heerlijk gevoel dat je kan gaan en staan waar je wilt. Ik vind het ook heerlijk om alleen thuis te zijn – jarenlang moest ik met honderden mensen samenzijn. Soms, als ik mijn achterkleinkindjes zie, denk ik: o gut, als er maar niet weer oorlog komt. Accepteer elkaar en probeer elkaar te begrijpen.” 

‘Ik doe wat ík wil’


Marie Verbraeken-Blommaart (99) uit Westzaan smokkelde als twintiger voedselbonnen voor onderduikers en werd opgepakt. Ze overleefde Kamp Haaren en Kamp Vught. 

“Als ik ben weggeweest en weer thuiskom, denk ik: ziezo, ik kan zélf beslissen om mijn deur op slot te doen. Ja, dat is een heel apart gevoel. Ik weet hoe het is om opgesloten te worden. Nadat ik was gearresteerd, werd ik naar de gevangenis Kamp Haaren (bij Den Bosch – red.) gebracht. De bewaker duwde me in mijn cel en ik hoorde twee sloten dichtdraaien. Ik was koud en doodmoe, het was tien uur ’s avonds. Ik ben met kleren en schoenen aan op bed gaan liggen en in slaap gevallen. 

De volgende dag werd ik wakker en wist ik even niet waar ik was. Tot opeens tot mij doordrong: ik zit hier gevangen. Je kunt niets meer zelf beslissen, dat is het ergste. Je kunt de deur niet open of dicht doen, of zeggen: ik ga eten, ik ga koken... Je kan he-le-maal niets. Het was er ook klein, twee bij drie, en altijd schemerig. Het stonk naar stront, want in iedere cel stond een emmer: de wc. In het begin was ik ook paniekerig. Maar al snel hoorde ik in de cel naast me ‘hoi’. Ze riepen dat ik de stoel op bed moest zetten, en als ik een beetje sprong, kon ik de tralies vastpakken. Zo kon ik naar buiten kijken. 

Nummer 

Later werd ik in een klein kamertje verhoord. De man tegenover mij keek mij heel lang in de ogen, en ik keek niet weg. Maar dat was éng! Die man wilde weten van wie ik de voedselbonnen had. Ik heb gevloekt binnensmonds: rotzak, ik zeg toch niks. Ik deed alsof ik heel simpel en dom was. 

Na vijf maanden werd ik naar Vught overgeplaatst. Daar kreeg ik een nummer: 0840. Ineens was ik niemand meer, daar ben ik heel kwaad om geweest. Ik moest me helemaal uitkleden en werd op een tafel gelegd voor onderzoek door een Duitser in uniform met witte jas. Hij nam urine af en maakte een foto van mijn longen. Die Duitsers liepen daar gewoon rond. Toen was ik preuts en nu nog, het was zo vernederend. 

Toch ben ik optimistisch gebleven, ik ben niet negatief over de wereld. Maar je moet wel alert blijven, vind ik. En niet haten, dat heeft nog nooit iets opgelost. Mijn verhaal vertel ik nog steeds op scholen, ik heb alweer drie aanvragen liggen. 

Ik heb verdriet, maar ben niet ongelukkig en dat is veel waard. Ik woon nog op mezelf, werk in de tuin, doe aan pottenbakken, zwem en rijd auto. Toen een paar jaar terug de afvoer van mijn garagedak verstopt was, heb ik de ladder gepakt. De buren riepen dat ik van het dak moest komen, maar ik doe toch wat ík wil?! Toen voelde ik me zó vrij. Geluk zit in hele kleine dingen.” 

‘Er is ook een gisteren’


Virry de Vries Robles (87) uit Amsterdam werd als elfjarige naar Westerbork gedeporteerd. Vlak voordat ze naar Bergen- Belsen zou vertrekken, werd ze uit de trein gehaald. 

“Binnenkort ga ik verhuizen en voor het eerst in mijn leven ga ik echt dingen weggooien. Heel lang kon ik dat niet. Als alles je is afgepakt, bescherm je daarna al je spullen. We zijn twee keer meegenomen en na die eerste keer was ons huis leeggeroofd. Enig idee door wie? De buren. Die dachten: opgestaan, plaats vergaan. Een deel kregen we terug, het andere deel: fjuut, weg. 

Toen we voor de tweede keer uit ons huis werden gehaald, eind ’43, stonden buurtbewoners, drie rijen dik, toe te kijken. Daar moest ik tussendoor met mijn koffertje naar de auto van de politie. Niemand zei iets, dat vergeet ik nóóit. Ik voelde me een crimineel.

We moesten naar Westerbork. Daar had je nul privacy. Vroeg ik mijn moeder iets, kreeg ik van zes kanten antwoord. Intieme gesprekken konden niet. Vriendschappen sluiten evenmin: je kon verraden worden als je iets zei wat niet gepast was. En je liep het risico dat je vriendjes zou verliezen. Ik leefde in constante angst. 

Gelukskind 
Toch ben ik een gelukskind. Een half uur voordat op 13 september 1944 onze trein naar Bergen-Belsen zou vertrekken, kregen mijn moeder, broertje en ik van de kampcommandant toestemming om te wachten op onze vader uit Amsterdam. Hij wilde liever een compleet gezin naar Bergen-Belsen afvoeren. Mijn vader werkte via de Joodse Raad als arts in de Hollandsche Schouwburg, waar hij samen met anderen heel wat kinderen heeft helpen onderduiken. Vier dagen later brak de Spoorwegstaking uit, waardoor geen enkele trein meer vanuit Westerbork vertrok. Op 12 april 1945 werden we bevrijd. Toen we terugkwamen, was ons huis bewoond door andere mensen. Je denkt toch niet dat die zijn weggegaan? We moesten opnieuw beginnen, met een paar sokken, een tandenborstel en een onderbroek. 

Ik ben wel een beetje trots op wat ik, soms met wat hulp, na de oorlog heb bereikt. Ik ben met geleend geld gaan studeren en me gaan specialiseren in gezinstherapie. Ik kreeg veel mensen met trauma’s voor mijn neus. Na mijn pensionering ben ik gaan reizen, onder meer naar Japan. Het barstte natuurlijk van de vooroordelen over Japanners, maar ik wilde dat land zelf onderzoeken. Het was fantastisch. 

Helaas heb ik nu een lijf dat niet meer echt wil meewerken, maar ik deel nog wel steeds mijn verhaal op scholen. Veel mensen snappen niet wat oorlog betekent. Op de televisie zit een knop, maar oorlog kun je niet uitzetten. Wat ik vooral over probeer te brengen is dat de wereld niet alleen vandaag bestaat. Er is ook een gisteren. Probeer van de geschiedenis te leren, zodat je herhaling misschien kunt helpen voorkomen. Zet je je verstand op nul, dan gaat het fout.” 

‘Het moet licht zijn’


Kees van Hattem (89) uit Bennebroek woonde vlak bij het Muiderpoortstation in Amsterdam en zag daar duizenden Joden weggevoerd worden. Ook zijn vriendje Loekie was er ineens niet meer. 

“Het was zondag 20 juni 1943, de Transvaalbuurt in Amsterdam: we waren op bezoek bij mijn vaders broer en zijn Joodse vrouw. Plotseling kwamen er een paar vrachtwagens aan en werd de straat afgezet. Ik zag het gebeuren vanaf het balkon. Soldaten belden bij de huizen aan en de bewoners moesten mee. Het ging allemaal vrij rustig. Mensen dachten waarschijnlijk: verzet heeft geen zin en we gaan naar een werkkamp, het komt wel goed. Ook bij ons werd op de deur geklopt. Twee mannen kwamen binnen en vroegen naar persoonsbewijzen. Mijn tante droeg een ster en trilde helemaal. Nadat ze ook haar ausweis had laten zien, zeiden ze ‘in Ordnung’ en gingen weg. Mijn vader was helemaal wit. Ikzelf was niet bang, ik was twaalf. 

Ondenkbaar 
Als ik naar school ging, moest ik langs het Muiderpoortstation en daar stonden vaak Joden in de rij. Er werd gesproken over werkkampen, maar dan dacht ik: en die kinderen dan? Mensen vragen wel eens of ik niet begreep dat ze naar gaskamers gingen. Nee. Zoals de filosofen zeggen: iets wat ondenkbaar is, kun je niet denken. 

Ik voetbalde met nogal wat Joodse spelers, maar die waren er ineens niet meer. Ook jongens en meisjes van de basisschool zijn weggevoerd en nooit meer teruggekomen, onder wie mijn vriendje Loekie Schnabel. Ik ben nog gaan kijken bij zijn huis; er woonden toen al andere mensen. De oorlog is lang geleden, maar de pijn is niet over. 

Zelf heb ik niet veel meegemaakt, maar je moest altijd uitkijken, altijd op je hoede zijn. Niemand kon je vertrouwen. In 1944 was er ook nog de verduistering, je zag niks op straat. Daarom houd ik niet van schemerlampjes, het moet licht zijn en de gordijnen blijven altijd open.

Na de oorlog bezocht ik samen met mijn vrouw alle dodenkampen. Majdanek, in Oost-Polen, is het enige kamp dat nog intact is. Ik ben in de gaskamer op de grond gaan zitten en zag de gasblikken nog staan. Het was vreselijk om daar te zijn, maar ik wilde het met eigen ogen zien. 

In 2003 promoveerde ik op een filosofische beschouwing over de Shoah. Door mijn proefschrift ben ik het systeem achter het nazisme gaan begrijpen, maar er komt een moment dat het begrijpen ophoudt. Hoe haalden ze het in godsnaam in hun hoofd? Het kan altijd nog eens gebeuren, we leren niks. Toch ben ik niet pessimistisch, anders geef je alles op.

Ik voel mijn vrijheid elke dag. Ik loop nog hard en jat losse takken uit het bos voor de openhaard. Er staat een bordje ‘verboden toegang’, maar dat geldt niet voor mij. Wie doe ik er kwaad mee? Er wordt niet geschoten, in de oorlog wél.” 

'Vrijheid is het gewone leven meemaken'


Joost van Bodegom (83) uit Beetsterzwaag werd geboren op Sumatra in toenmalig Nederlands-Indië. Bijna drie jaar zat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog vast in Japanse kampen. 

“Ik had voortdurend honger, er was in de kampen veel te weinig te eten. ’s Ochtends kregen we stijfsel, waar je hier behang mee plakt... Het vulde. ’s Middags was er vaak wat rijst en iets van groente, vlees kreeg je sporadisch. En ’s avonds kregen we klef, niet gerezen brood. De laatste acht maanden was het iets beter. Toen was ik kampomroeper en kon ik in de keuken. Daar at ik met mijn handen de restjes op. Door de oorlog gooi ik nooit eten weg. 

Het eerste kamp waar we terechtkwamen was Galoehan, Oost- Java, eind 1942. Ik was zes. Na een jaar moesten we per trein naar een gevangenis. Daar waren de muren een meter of zes hoog. Uitzicht hadden we niet, vreselijk. Na een paar maanden kwam er een humane Japanse officier: er moesten vierhonderd mensen naar een andere plek. Mijn moeder stak meteen haar hand op: erger dan dit kon niet. In kamp Banjoebiroe 11 had je een wand van gevlochten bamboe van hooguit tweeënhalf meter. Dat was totaal anders. Je kon in elk geval naar buiten kijken, de bergen zien, een meer. Tot eind november ’45 zaten we daar.Spelen is de hele kamptijd voor mij heel belangrijk geweest. We hadden geen school, dus je moest de hele dag doorbrengen met niks doen. Ik knikkerde, speelde met kleine stukjes hout die bootjes waren en probeerde met elastiekjes op libellen te schieten. Zo was ik bezig. Als ik ouder was geweest... Het lijkt me een ramp, dan kun je niet gaan knikkeren. 

Vertrouwen 
Mijn moeder las mij veel voor. Ze had een paar sprookjesboeken uit de jaren twintig met prachtige platen. Zo belandde ik in een andere wereld. Mijn moeder hield de moed erin: ‘D’r komt hieraan een keer een end en dan gaan we in Holland naar opa en oma’. 

Mijn vader zat in Birma en wij – mijn moeder, broer, zusje en ik – waren op Java. Je wist niks van elkaar, jarenlang niet. Het was nou eenmaal zo. Er zou een einde aan komen, daar hadden we het volste vertrouwen in. Op 15 augustus 1945 hoorden wij nog niets, voor ons was de Tweede Wereldoorlog pas voorbij op 24 augustus. We konden een week ook buiten het kamp komen, maar daarna moesten we weer binnen blijven omdat de revolutie was uitgebroken. Uiteindelijk zijn we per boot naar Ceylon (het huidige Sri Lanka – red.) gegaan en zijn we herenigd met mijn vader. 

Ik ben gastspreker op scholen, omdat jongere generaties zich moeten realiseren hoe fijn het is om te leven zonder oorlog en zonder gescheiden te worden van je familieleden. Dat is vrijheid: het gewone mensenleven meemaken. Ik geniet ook van de vogels in het bos hier vlakbij. Als ik eraan kom, hoor ik de boomklevers al – ontzettend leuk.”