4meiOverlay

Joods verzet


door Karen de Jager | foto Norma Braber-McKinney

Joods verzet

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, hebben Joden zich niet gedwee laten wegvoeren, maar hebben ze zich op tal van manieren tegen de nazipolitiek gekeerd: door onder te duiken, door de bureaucratie te ontregelen en door al vroeg actief deel te nemen aan uiteenlopende vormen van verzet. Waarom was daar lange tijd zo weinig over bekend? Een gesprek met historicus Ben Braber.

“Het stak mijn vader dat na de oorlog over Joden werd gezegd dat zij anderen de kolen uit het vuur lieten halen.” Aan het woord is Siny Thuis, dochter van Herman (Chaim) Natkiel, de Joodse verzetsstrijder die samen met Bennie Bluhm aan de wieg stond van het Joods Verzetsmonument dat sinds 1988 op de hoek van de Amstel en de Zwanenburgwal in Amsterdam eer bewijst aan de Joodse verzetsstrijders.

Het is een hardnekkig misverstand dat Joden zich als makke schapen naar de slachtbank lieten leiden. Niets is minder waar. Al direct na de capitulatie in mei 1940 pleegden mensen verzet. Volgens Loe de Jong ging het om enkele honderden mensen, Joden en niet-Joden. Vanaf 1943 groeit het aantal verzetsstrijders. In het voorjaar wordt hun aantal geschat op enkele duizenden, en in september 1944 op tienduizenden. Onder hen zijn dan nog maar weinig Joden. Nederland wordt vanaf 1943 als Judenrein beschouwd. Totaal namen volgens De Jong 45.000 mensen deel aan het verzet, een half procent van de Nederlandse bevolking.

Historicus Ben Braber publiceert in zijn boek Zelfs als wij zullen verliezen (1990) een lijst van duizend Joodse verzetsmensen, twee derde procent van de Nederlands-Joodse bevolking. Joden waren relatief oververtegenwoordigd in het verzet. Vooral als in beschouwing wordt genomen dat na 1943 nog maar weinig Joden in Nederland actief konden zijn.

Joods verzet

Divers
Braber is journalist en historicus en is samen met Dan Michman, Chaya Brasz en Jacques van de Kar een van de eerste naoorlogse historici die zich in het onderwerp ‘Joods verzet’ verdiepten, na historici als Abel Herzberg, Loe de Jong en Jacques Presser.

De beste definitie van verzet vindt Braber de uitspraak van voormalig president van de Hoge Raad, Lodewijk Visser, tijdens een polemiek met de voorzitter van de Joodsche Raad, David Cohen. De laatste protesteerde binnenskamers wel tegen sommige anti-Joodse maatregelen, maar voerde ze uiteindelijk toch uit. Visser riep op tot verzet en noemde het de plicht van Joden en niet-Joden alles te doen om de bezetter te belemmeren zijn doel (wat betreft Joden) te behalen.

Braber: “Verzet kwam in alle lagen van de Joodse bevolking voor. Begin mei 1940 krijgen binnenhuisarchitect Nol Bueno de Mesquita en zijn vrouw Ter Kolthoff, die lid was van de Communistische Partij Nederland, de vraag of ze wat kunnen doen voor gevluchte Duitse communisten.

Ze zeggen ja en worden actief lid van twee verzetsgroepen, waaronder die van Krijn Breur die weer banden had met het gewapend verzet. Ze bouwden bommen, die waarschijnlijk zijn gebruikt door onder anderen Leo Frijda en Hans Katan in de CS-6 groep. Ik verhaal de lotgevallen van Nol en Ter in Waren mijn ogen een bron van tranen (2015).” In This cannot happen here (2013) schrijft Braber ook over Arnold Kahn, directeur van het Amsterdamse modehuis Hirsch, die in december 1940 een pro-Joodse en anti-Duitse eindejaarstoespraak hield voor het voltallige personeel. Hij verwierp luidkeels het idee dat je Joden hun burgerrecht kunt ontnemen en benadrukte het Nederlanderschap van de Joodse directie. Een directie waarvan “het hart, samen met het personeel in één ritme slaat en meer dan ooit te voren opspringt, wanneer de klanken van het oude Wilhelmus gehoord worden”, aldus een citaat op de website van historicus Femke Knoop. Kahn bekoopt zijn toespraak met de dood in Buchenwald.

Voortrekkers
“Joden lieten zich niet terroriseren”, zegt Braber. “Ze vochten terug toen ze op straat werden aangevallen. Ze protesteerden tegen Duitse maatregelen. Ze schreven in illegale bladen. Ze hielpen die te verspreiden, vaak met groot risico voor eigen veiligheid. Ze onttrokken zich aan deportatie.

Bijna 30.000 Joden doken onder. Ze zetten organisaties op om onderduikers bij te staan. Ze hielpen opgepakte Joden te ontsnappen. Ze probeerden deportaties te ontregelen met brandbommen en aanslagen. Ze zetten vluchtwegen op. Ze pleegden sabotage. Ze pleegden sabotage, vormden verzetsgroepen of sloten zich aan bij het niet-Joodse verzet. Joden hoorden ook bij de voortrekkers van het gewapende verzet.”

Het ging om veelkleurig verzet dat vanuit allerlei hoeken van de Joodse gemeenschap en om allerlei redenen werd georganiseerd. Er waren Joodse verzetsgroepen en verzetsgroepen van Joden en niet-Joden samen. Die samenwerking was overigens niet altijd vanzelfsprekend. Braber: “Er was ook tegenwerking, bedoeld of onbedoeld. Anti-Joodse geluiden klonken ook binnen de kringen van het verzet. Joden zouden de problemen aan zichzelf te wijten hebben. Tegelijkertijd hadden de Palestina Pioniers (jonge Joden die in de twintiger en dertiger jaren een landbouwopleiding volgden met het doel zich in Palestina te vestigen, red.) niet kunnen doen wat ze gedaan hebben zonder hulp van de niet-Joodse verzetsman Joop Westerweel.”

Jood verzet

Onbekend
Als Joden zich hadden laten gelden in het verzet, waarom is er dan zo’n lange tijd niets over bekend geweest? Braber komt met een combinatie van oorzaken. “Het begint al voor de oorlog. In de jaren dertig stagneert het integratieproces. De houding van de Nederlanders ten opzichte van Joden verandert. Door de economische crisis. Door de opkomst van het nazisme in Duitsland, wat ook gevolgen heeft in Nederland. En door de komst van grote groepen Joodse vluchtelingen uit Duitsland. Joden worden weer afgescheiden.

Na de oorlog is de Joodse gemeenschap gedecimeerd en telt numeriek niet meer mee. Voor steun moeten ze zich beroepen op hun status als slachtoffer. Verder is er het naoorlogse perspectief: je was goed of je was fout, en Joden waren slachtoffers. Joods verzet past niet in dat beeld. Dat verandert iets na De Jongs serie Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Sinds het verschijnen van This cannot happen here krijg ik regelmatig verzoeken van historici die verder onderzoek willen doen. Er verschijnt van een van die nieuwe onderzoekers binnenkort een boek over Leo Frijda. Zo wordt steeds meer zichtbaar van dit onderbelichte verzet.”

Ben Braber is journalist, historicus en Honorary Research Fellow aan de School of Humanities, University of Glasgow.