4meiOverlay
Salo Muller

Sommigen die de wreedheden van de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, willen er nooit over vertellen. Hun hele leven houden zij de lippen op elkaar. Maar er zijn ook mensen die juist het tegenovergestelde doen. Salo Muller (81) is zo iemand. 

Bij het grote publiek werd hij bekend als de fysiotherapeut van het Gouden Ajax. Hij was de man die de blessures uit de kuiten en hamstrings van Cruijff, Keizer en Neeskens masseerde.
 Maar achter het succes uit de jaren zeventig schuilt een heel ander verhaal. Een verhaal over de oorlog en over het verlies van zijn ouders. “Toen Nederland bevrijd was, zat ik in Friesland,” vertelt Muller in zijn werkkamer. Hij praat met een kraakheldere stem. “Aan de lokale dominee vroeg ik waar mijn ouders waren. Niemand wist het. De dominee zei toen: ‘Als jij nou elke avond stiekem bidt en aan de lieve heer vraagt of hij jouw ouders terug wil brengen, dan moet jij eens kijken wat er gebeurt.’ Twee jaar lang heb ik dat elke avond gedaan, maar terug kwamen ze niet.” 

Hollandsche Schouwburg 
De laatste keer dat Salo Muller zijn ouders ziet, is op 27 november 1942. Het is een warme dag en zoals altijd brengt zijn moeder hem naar school. “Op het schoolplein zei ze tegen me: ‘Tot vanavond en lief zijn, hoor’. Het waren haar laatste woorden tegen mij,” vertelt Muller. “Een paar uur later zijn ze opgepakt. En ’s avonds was ik aan de beurt.” 

Als Muller de Hollandsche Schouwburg binnen wordt gebracht, ziet hij zijn ouders op het toneel staan. Hij rent huilend naar ze toe, maar halverwege wordt hij tegengehouden door een Duitser die hem spartelend de zaal uit sleurt. “Ik werd naar de overkant gebracht, naar de crèche die onder leiding stond van Walter Süskind. Dankzij hem kon mijn oom mij daar stiekem weghalen.” Wat volgt is een omzwerving langs maar liefst acht onderduikadressen: in Amsterdam, Amersfoort, de Zaanstreek en Friesland. Bijna overal wordt hij verraden. Muller ondergaat het allemaal. “Je bent jong, dus je weet niet beter. Het enige dat je meekrijgt is dat je stil moet zijn. Anders krijg je slaag.” 

Friesland 
De langste tijd brengt Muller door in Friesland op drie verschillende boerderijen. Voor een Joods jongetje uit de Amsterdamse Rivierenbuurt is het Friese platteland een totaal andere wereld. Hij kan bijna niemand verstaan en er zijn amper voorzieningen op de boerderijen waar hij onderduikt. En het belangrijkste: hij moet zich klein houden. “In die tijd ben ik gaan stotteren. Ik was zo vervreemd van alles. En ik was vooral heel bang, daardoor was ik heel huilerig en plaste ik vaak in bed. Bovendien kreeg ik last van hevige astma. Ook wist ik niks meer. Ik wist niet hoe oud ik was, hoe ik echt heette en wanneer ik jarig was. Mijn verjaardag is nooit gevierd,” vertelt Muller, die in Friesland de onderduiknaam Japje Mulder kreeg.

Bevrijding 
Het is op zijn laatste schuiladres, op de boerderij van Beppe en Omke, dat Muller de bevrijding meemaakt. Voor het eerst mag hij dan weer echt naar school, op nieuwe klompen wel te verstaan. Als de dorpsdokter – een huisvriend van de familie – hem op een dag komt ophalen van school, krijgt Muller de schrik van zijn leven. “Hij zei tegen me: ‘Ik heb een verrassing voor je’. Maar het probleem was dat ik dat woord helemaal niet kende. Ik had nog nooit een verrassing gehad, laat staan een cadeautje.” Als Muller de woonkamer binnenloopt, ziet hij zijn tante daar staan. Hij schrikt zo dat hij acute geelzucht krijgt. Alles lijkt weer boven te komen. “Ik kon mijn tante helemaal niet verstaan, want ik sprak inmiddels perfect Fries. En het laatste dat ik wilde was mee naar Amsterdam, maar het moest. En opeens heette ik weer Salo.”

Zwitserland 
Eenmaal terug in de hoofdstad wordt Muller steeds zieker. Zijn oom en tante sturen hem daarom naar Zwitserland om aan te sterken. Het wordt wederom een omzwerving, deze keer via Luzern naar een kindertehuis in Davos. En wederom raakt Muller vervreemd van zijn familie. “Ik heb daar bij elkaar een half jaar gezeten, ik sprak weer de taal niet. En er heerste een erg streng regime. Het hielp allemaal niks. Ik was een klein, bang jongetje en de astma werd alleen maar erger. En ik werd geteisterd door dromen over mijn ouders.” 

Eenmaal thuis in Amsterdam belooft zijn tante dat hij nooit meer weg hoeft. Muller kan eindelijk een beetje aarden, eindelijk vindt hij een thuis. “Nog steeds ga ik met tegenzin op vakantie. Ik ben altijd bang dat er iets gebeurt. Dat heb ik van de oorlog overgehouden.” 

Lezingen 
Later komt Muller erachter dat zijn ouders in de lente van 1943 in Auschwitz om het leven zijn gekomen. Langzaamaan pakt Muller het leven beetje bij beetje weer op. Hij wordt fysiotherapeut van het grote Ajax en begint daarnaast een goed lopende praktijk. Inmiddels is Muller al vijfenvijftig jaar getrouwd met zijn dierbare vrouw Conny. Ook zij verloor haar ouders in de oorlog, in Sobibor. Elk jaar geeft Muller nog tal van lezingen voor grote groepen jongeren; om het verhaal te vertellen van de oorlog, het verhaal van zijn ouders. Ook schreef hij het boek Tot vanavond en lief zijn hoor!. Want hoewel de oorlog nu bijna vijfenzeventig jaar geleden eindigde, denkt Muller nog bijna dagelijks aan zijn ouders: “Er gaat geen dag voorbij of ik moet heel even huilen.” 

Meer informatie: www.salomuller.nl