4meiOverlay

Het was verschrikkelijk, toen kwamen de joden, wel honderden

Gerardus Lafeber, Apeldoorn - Gelderland

De Amsterdamse Jodenbreestraat tijdens de oorlog. Er is een avondklok, maar als Marechaussee mag hij nog over straat. Sommige huizen zijn al leeg. De bewoners zijn weggevoerd, de deuren kapot. Hij ziet niets, hoort niets, maar voelt de angst achter de ramen. Hij kan het niet goed uitleggen. Maar als je het hebt meegemaakt, zegt hij, vergeet je het nooit meer. Gerardus Lafeber (1920) zit in de oorlog bij de Marechaussee. Maar het Marechausseemonument in Apeldoorn roept bij hem vooral dubbele gevoelens op. Hij vertelt waarom.

door Marleen Wegman-Qualm (redactie Checkpoint)

Angstige toestanden
"Als beroepsmilitair stuurden ze me begin 1939 naar Vught, naar het tweede Regiment Huzaren Motorrijders. Op 10 mei 1940 leverden Duitse treinen troepen af bij het Brabantse dorp Zeeland. Ter hoogte van Mill lieten Nederlandse militairen de trein ontsporen. De opdracht was: als je een Duitser ziet, dan schiet je. Ik heb ook geschoten, maar ik weet niet of ik iemand heb geraakt. Het waren angstige toestanden. In Mill kwamen 31 Nederlandse militairen en negen burgers om het leven."

De lucht boven Rotterdam was rood
"We trokken ons terug achter de Hollandse waterlinie. De bedoeling was dat wij als huzaren-motorrijders doorgingen naar Rotterdam. Maar zover is het niet gekomen. De lucht boven Rotterdam was roodgloeiend. We hadden geen idee wat er was gebeurd. We hadden geen radio’s, dus we wisten niets. Pas later hoorden we dat Rotterdam in brand stond."

Bij de Marechaussee
"Na de capitulatie moest ik verschijnen voor een commissie van officieren. Het hoofd heette majoor Kaasjager. Hij droeg een jasje met een opstaande gouden kraag. Ik had nog nooit zo’n hoge peer gezien. Het eerste dat hij mij vroeg was hoe het kon dat de knoop van mijn jasje af was. Kun je het je voorstellen? Heb je zoveel ellende meegemaakt en dan beginnen ze over een knoop! Die majoor raffelde mijn loopbaan af en zei toen: en dan ga je naar de Marechaussee. Nog wat te vragen? Nee majoor. Ingerukt. Zo ging dat, zo ben ik bij de Marechaussee gekomen. In ons achterhoofd hadden we altijd het idee dat de oorlog snel over zou zijn en dat we dus een paar maanden later gewoon weer beroeps zouden zijn."

Toen kwamen de joden
"In 1941 werden de officieren van de Marechaussee afgevoerd naar Duitsland en kwamen er Duits-gezinde officieren voor terug. Ik werd met een aantal collega's ingedeeld bij de brigade in Amstelveen. Eén à twee keer per maand oefenden we op een braakliggend terrein in Amsterdam-Oost. Op een gegeven moment bleek het hele terrein te zijn bestraat. Een paar weken daarna stond er een hek omheen van harmonicagaas en prikkeldraad. Nog wat later moesten we ons 's morgens om vijf uur opstellen om het terrein heen, met onze rug ernaar toe. Er werd heel geheimzinnig over gedaan. En toen... Het was verschrikkelijk, toen kwamen de joden. Wel honderden. Ze kwamen met koffers, met dekens. Mannen, vrouwen, kinderen, baby's in kinderwagens. Oude mensen die amper konden lopen. Om acht uur werden we afgelost en gingen we terug op de fiets naar Amstelveen. Pas later kreeg ik door hoe geraffineerd dat wel niet was. De trein reed voor, het hek ging open en alle mensen van het terrein konden zo de trein in. We wisten daar niets van. En als je er iets van wist, had je je mond maar te houden. Anders ging je zelf naar Duitsland."

Op diverse plekken gedetacheerd
"Vanaf 1942 ben ik op diverse plekken in Nederland gedetacheerd geweest, telkens voor een paar maanden. Zo liep ik in Hooge Mierde bij nacht en ontij langs de grens, tegen de smokkelaars. Het was af en toe knap angstig. Je hart klopte soms in je keel. Dan schoten we in de bomen en dan was het weer stil. Ook heb ik controle gelopen in de Maastunnel in Rotterdam. Uiteindelijk kwam ik in Wormerveer terecht. Samen met andere politiemensen heb ik daar deelgenomen aan overvallen en aan wapentransporten. Op een gegeven moment vertelde de directeur van een oliefabriek, Fust, dat mijn naam werd genoemd op een lijst van de SicherheitsDienst. 'Wegwezen', zei hij. Ik ben op een goederentrein gesprongen naar Leiden, naar m'n ouders, heb m'n uniform uitgedaan, burgerpak aan en terug naar Wormerveer. Dat was in november 1944. Maandenlang sliep ik bovenin fabrieken in Koog aan de Zaan, tussen de machines in. Fust heeft er voor gezorgd dat ik levend uit de oorlog ben gekomen."

Bij de marechaussee gebleven
Na de bevrijding meldde ik me op de Marechausseekazerne in Wormerveer. Uiteindelijk ben ik tot mijn pensionering in 1975 bij de Marechaussee gebleven. Waar ik moeite mee had was dat de leiding weer in handen was van officieren die in de oorlogsjaren in Duitsland hadden gezeten. Ze gingen door zoals ze in 1941 waren weggegaan. Je moest je mond houden en in de houding staan. Ze deden net alsof er in de oorlogsjaren niets was gebeurd, ze wilden ook niets weten van de illegaliteit."

Het was verschrikkelijk, toen kwamen de joden, wel honderden