4meiOverlay

Alle mannen van tien jaar en ouder moesten op transport

Marc van Nuffelen, Arnhem - Gelderland

In Semarang op Oost-Java staat een kaalgeschoren kampjongen van een jaar of twaalf. Met over zijn schouder een patjol en aan zijn voeten een bosbijl. Hij staat symbool voor de jongens die de interneringskampen daar niet hebben overleefd. Marc van Nuffelen (1931) is één van de initiatiefnemers van het monument. Hij vertelt waar het voor staat. Zelf woont hij met zijn ouders en zusje op Oost-Java, als in december 1942 ook daar de oorlog begint. De Japanners vallen binnen en alle Europeanen worden geïnterneerd.

door Anita van Stel

Grootscheepse verhuizing
"De Japanners transporteerden alle mannen van tien jaar en ouder in september 1944 naar Kamp Bangkong op Midden-Java. Bij elkaar ging het om 800 jongens en 350 mannen. Daarvoor was Bangkong één van de vijf vrouwenkampen in Semarang. Het moet een grootscheepse verhuizing geweest zijn. Ik denk dat de Japanners rekening hielden met een invasie van de Amerikaanse troepen op Java. Ze waren toen al geland in Irian Jaya, het vroegere Nieuw Guinea. Daarom wilden ze aan de oostkust zo veel mogelijk oudere mannen, zieken, vrouwen en kinderen in kampen onderbrengen. Die liepen immers niet het risico de Amerikaanse troepen te steunen door bijvoorbeeld een civiel bestuur op te bouwen. Gezonde, goed opgeleide mannen wel. Daarom interneerden de Japanners hen op plaatsen ver van de kust die ze zo lang mogelijk in handen konden houden."

Onder moeders vleugels vandaan
"Ik was één van die jongens die in Kamp Bangkong terecht kwam. Eigenlijk vond ik het best stoer om onder moeders vleugels vandaan te gaan. Wij gingen het avontuur tegemoet. Zo voelde het. Mijn moeder en mijn zusje vonden het natuurlijk verschrikkelijk. Mijn vader had ik toen al 2 jaar niet meer gezien. Die was in 1942 gevangen gezet in Surabaja."

Blijvende herinnering aan jongenskampen
"Een monument dat blijvend herinnert aan de jongens die overleden zijn in de jongenskampen in Indië. Dat was het idee van een aantal oud-Bangkongers. We wilden niet alleen een monument oprichten, maar ook een boek schrijven. En dat is ons gelukt. Het begon met een oproep van Harry Spier in het radioprogramma "Opsporing verzocht". Oud-kampgenoten Henk Mahieu, Goof Huyser, Hans Wiessner, Harry Spier, Adriaan Venema en naderhand ik vormden een comité om zowel monument als boek te realiseren. We verzamelden allerlei informatie over het kamp Bangkong. Een aantal oud-kampgenoten bleek in het bezit te zijn van een kampdagboek, kamprapporten en in het kamp gemaakte tekeningen. Ook in diverse archieven troffen we unieke en waardevolle informatie aan. Historicus Hans Zwitzer heeft uiteindelijk het boek 'Mannen van tien jaar en ouder' geschreven. Henk Mahieu en ik hebben samen nog het boekje 'Bangkong van dag tot dag' samengesteld. Beide boeken zijn van 1995."

Zij waren nog zo jong
"Het monument is van beeldhouwer Anton Beysens. Het staat op het ereveld Kalibanteng in Semarang. Tegenover het gedenkteken voor de slachtoffers van de vrouweninterneringskampen. Wat het voorstelt? Een kampjongen van een jaar of twaalf, kaal geschoren en gekleed in een tjawat, een Japanse lendendoek. Hij staat op een sawadijkje met een patjol over zijn schouder en een bosbijl naast zijn voeten. Het beeld is 1.40 meter hoog en staat op een sokkel van 50 centimeter. 'Zij waren nog zo jong', luidt de inscriptie op het monument. Op 22 september 1988 heeft De Bruyn Ouboter van de ambassade in Djakarta het monument onthuld. Veel oud-kampgenoten en Nederlandse en Indonesische autoriteiten waren erbij. Prins Bernhard onthulde op 10 november 1988 een kleinere replica in Bronbeek."

Een Japanner vroeg ons nog één keer te buigen
"Sindsdien houden we elk jaar op 23 augustus met ex-geïnterneerden van de jongenskampen een herdenking bij het monument in Bronbeek. Waarom op die dag? Wij wisten in het kamp niet dat de oorlog op 15 augustus afgelopen was. Er gingen wel allerlei geruchten, maar pas op 23 augustus kwamen er twee Mitchell B25 bommenwerpers overvliegen met Nederlandse kleuren. Een Japanner klom op de appèlplaats en vroeg ons nog één keer te buigen. Hij deelde mee dat de oorlog voorbij was. Een dag later ben ik het kamp uitgelopen en op zoek gegaan naar mijn moeder. Die vond ik uiteindelijk ernstig verzwakt in een overvolle woning waar ze met nog drie andere gezinnen één kamer deelde. Mijn vader kregen we pas een jaar later te zien. Die had ternauwernood het einde van de oorlog gehaald. Even daarvoor was hij aangewezen om aan de bouw van een spoorlijn in de buurt van Bandoeng te werken. Gelukkig werd hij op het laatste moment afgekeurd."

Alle mannen van tien jaar en ouder moesten op transport