4meiOverlay

Door de ogen van mijn zoon zag ik het Indisch Monument

Peter Slors (1939), Den Haag - Zuid-Holland

Van zijn moeder heeft hij het meegekregen. Niet polariseren, maar cultuurverschillen tussen Japanners en westerlingen overbruggen. Anders omgaan met het vijandbeeld is waar Peter Slors zich vanaf 1995 voor inzet. De oorlog heeft hij als klein jongetje in Nederlands-Indië meegemaakt. Daarover wordt bij hem thuis niet gesproken. De onthulling van het Indisch Monument in Den Haag is voor hem een keerpunt. Door de ogen van zijn zoon ziet hij het belang van zo’n monument. Vanaf dat moment zet hij zich in voor een andere benadering van Japan.

 

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


De dreiging uit Japan

"Mijn grootvader was KNIL-militair en mijn vader werkte als procuratiehouder bij de Nederlandsche Indische Landbouw Maatschappij in West-Java en Zuid-Sumatra. Mijn moeder was helemaal Europese. Mijn oudere zus Daniëlle is in 1937 in Batavia geboren. Ikzelf in 1939 tijdens een verlof in Nederland, tot mijn spijt, want ik voel mijn Indische wortels. Mijn moeder vertelde ons later dat de eerste jaren na 1939 in het teken stonden van de dreiging uit Japan. In de kampen was mijn moeder blij dat ze laat kinderen had gekregen, anders had ze moeten ervaren dat ik van haar afgenomen werd en naar een jongenskamp gestuurd."

Een eeuw voor een kind van vijf
"We gingen in 1941 naar Bandung. Vrij snel na de capitulatie werden de mannen geïnterneerd. Pas vanaf de tweede helft van 1942 werden de 20.000 vrouwen en kinderen ondergebracht in de wijk Tjihapit, in eerste instantie nog zonder hek er omheen. We waren met vele anderen in een vrij klein huisje gepropt, en sliepen met z’n drieën in het keukentje. Uit deze tijd heb ik slechts enkele vage beelden in herinnering. Anders is dat voor kamp Moentilan, waarheen mijn moeder, zus en ik in november '44 gebracht werden. We zaten 48 uur in gesloten treinwagons. Dat moet een eeuw geweest zijn voor een kind van vijf jaar, maar het merkwaardige is dat ik er niets meer van weet."

Bericht dat vader nog leefde
"In juni 1945 werden we overgebracht naar kamp Banjabiroe, zestig kilometer ten noorden van Moentilan. Daarvan herinner ik me niets meer. Vrij snel na de capitulatie van Japan, op 15 augustus 1945, arriveerden de Engelsen in het kamp. Moeder leed aan hongeroedeem en voor zowel moeder als mijzelf volgde opname in het militaire hospitaal van Magelang, waar we heel goed verzorgd werden. We kregen daar bericht dat vader nog leefde. Eerder was een telegram gearriveerd dat hij overleden was."

Krijtrotsen afschaven
"De geschiedenis van mijn vader is er een van ontberingen. Hij werd in maart '42 geïnterneerd in Bandung. Via een kamp in Tjilatjap, aan de zuidkust van Midden-Java werd hij in februari '43 overgebracht naar Tjimahi. In april volgde transport met een krijgsgevangenenschip naar het eiland Flores, waar de gevangenen met hun handen krijtrotsen moesten afschaven voor de aanleg van een vliegveld. Met een ziekentransport werd hij in januari '44 naar Batavia gebracht."

Scheepsramp met de Yunio Maru
"In september '44 volgde transport naar Padang, met het Japanse vrachtschip de Yunio Maru, dat op 18 september werd getorpedeerd door de Engelse onderzeeër Tradewind. Het was de commandant niet bekend dat er krijgsgevangenen aan boord waren en bij deze vergissingsaanval kwamen 5620 krijgsgevangenen om. Slechts zo’n 750 mensen overleefden de ramp, en van hen overleefden slechts 150 de oorlog. Het is de grootste scheepsramp in de geschiedenis. Mijn vader hield zich vast aan een stuk wrakhout en na zestien uur in het water werd hij opgepikt door een Japanse 'gunboat'. Na verblijf in de gevangenis van Padang moest hij gaan werken aan de aanleg van de Pakan Baru spoorweg, die - hoe wrang en vreemd - gereed kwam op 15 augustus 1945, de dag van de Japanse capitulatie. Vader zei dat zijn goede huwelijk de grootste motivatie was om in leven te blijven."

Met een pistool onder zijn kussen
"Mijn vader was een echte koloniaal. Hij vond dat 'Indië van ons was' en in 1948 keerden we terug naar Indonesië, om de boel weer op te bouwen. Mijn vader sliep met een pistool onder zijn kussen, uit angst voor aanslagen. Mijn moeder was meer internationaal georiënteerd. Zij had contact met vrouwen van vooraanstaande Indonesiërs in de Women's International Club. Met boeken probeerde ze zich zelfs al vóór de internering te verdiepen in de Japanse geest. Door de kamptijd hadden mijn vader en moeder geen idee van de ontwikkelingen in de Indonesische maatschappij."

Terug naar Nederland
"De gezagsoverdracht van Nederland aan de Republiek Indonesia in Batavia maakte ik in 1949 live mee. Door zijn zwakke gezondheid werd mijn vader in 1951 afgekeurd voor werk in de tropen. Wij vertrokken definitief naar Nederland. Mijn vader was verbitterd, want hij vond dat al zijn werk voor niets was geweest. De kamptijd speelde door in mijn opvoeding, want ik moest leren koken, sokken stoppen en dergelijke, zodat ik altijd zou kunnen overleven. Dit was dwangmatig, maar ik heb het niet als negatief ervaren."

Documentaire
"Indonesië bleef trekken. Toen ik als econoom in de jaren zestig de kans kreeg om voor UNESCO in alle provincie-hoofdsteden van Indonesië onderwijsplanbureaus op te zetten, aarzelde ik geen moment. Met mijn vrouw en drie kinderen woonde ik er drie jaar. Ik ging op 51-jarige leeftijd met vervroegd pensioen en besloot in 1992 in Indonesië een gefilmde documentaire te gaan maken, 'Een waarheid met vele gezichten'. De film gaat over hoe drie generaties Indonesiërs terugkijken op hun relatie met Nederland en de Nederlanders. In 1999/2000 maakte ik een documentairefilm over hoe Indische Nederlanders en Japanners terugkijken op de Tweede Wereldoorlog in Azië. Tot 1995 wist ik eigenlijk weinig van mijn eigen oorlogsgeschiedenis. Ik had ook niet veel nare herinneringen. Mijn ouders weigerden stil te staan bij wat gebeurd was, ze wilden vooruitkijken en hadden niets met monumenten, want die leidden tot polarisatie. Hun brieven van vlak na de oorlog kwamen na de dood van mijn moeder te voorschijn uit een ijzeren kist. Pas toen begon de oorlogstijd voor me te leven."

Keerpunt
"Twee momenten zorgden voor een keerpunt. Bij het samenstellen van een tentoonstelling, ter gelegenheid van vijftig jaar bevrijding in 1995, zag ik in een foto van 'een' jongetje in een kamp ineens mezelf terug. Een ander moment is dat waarop ik door toevallige omstandigheden bij de onthulling van het Indisch monument aanwezig was, in het gezelschap van mijn oudste zoon. Hij was enorm onder de indruk van de plechtigheid en door zijn ogen werd ik wakker. Ik realiseerde me het belang van het monument voor de Indische gemeenschap en daarmee ook voor mij."

Meer dan een oorlogsmonument
"Het monument betekent voor de Indische Nederlanders een erkenning van een tijdperk en van hun eigen geschiedenis. Daarmee is het meer dan een oorlogsmonument. Vanaf die tijd probeer ik alles te weten te komen van mijn Indisch verleden. Ook besloot ik me in te gaan zetten voor de Stichting Herdenking 15 augustus 1945. Ik was vijf jaar lid van het bestuur. Binnen het bestuur heb ik altijd gepleit voor een andere benadering van Japan en voor het omvormen van het vijandbeeld. Zo maakte ik voor de Stichting de documentairefilm 'Oude Pijn, in Nederland en Japan'. Ten tijde van het bezoek van de Japanse keizer aan Nederland heb ik de voorzitter ervan kunnen overtuigen dat hij bij het diner voor de keizer aanwezig moest zijn. Ik heb steeds en overal uitgedragen dat bij het beoordelen van Japanners als 'de' vijand altijd de fundamentele cultuurverschillen tussen Japanners en Westerlingen in de beschouwing moeten worden meegenomen, iets wat mijn moeder in de oorlog al deed, evenals de manier waarop het Westen Japan vóór de oorlog heeft gekleineerd."

Door de ogen van mijn zoon zag ik het Indisch Monument