4meiOverlay

Erkenning en herkenning zijn heel belangrijk

Judith Marijke Dalmeijer (1937), Arnhem - Gelderland


Als meisje van vijf jaar moet Judith Marijke Dalmeijer (1937) bijna drie oorlogsjaren doorbrengen in een kamp in Banjoebiroe, onder hevige Japanse repressie. Over de kamptijd spreekt Dalmeijer lang niet, tot ze tijdens een reünie medekampgenoten ontmoet. Dit zorgt voor erkenning en herkenning van het gezamenlijke verleden. Dalmeijer organiseert daarna vele reünies en herdenkingen, ook bij het monument voor de Japanse vrouwenkampen in Bronbeek. Het plan is dat daar in 2010 een namenmuur komt, met de namen van de 6.000 omgekomen vrouwen en kinderen.

 

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


Daar komt de Jap niet

"Mijn ouders kwamen als kind met hun ouders naar Nederlands-Indië. De familie van mijn vader had een scheepbevrachtingsbedrijf in Semarang, Dalmeijer en zonen. Ze runden ook hotel Berglust in Tjimahi bij Bandung. Mijn vader en moeder ontmoetten elkaar in Semarang. Ik heb een jongere zus en broer. Mijn vader moest begin '42 voor zijn dienstplicht naar de marine - op de HM Evertsen. Toen was er al continu dreiging van een Japanse invasie. Mijn vader zei tegen mijn moeder 'Muis, ga jij maar naar het zuiden, want daar komt de Jap toch niet'. Wij gingen logeren bij vrienden van mijn ouders, in Kalioerang - een bergdorp bij Djokjakarta. Mijn broertje was net geboren. Doordat wij in het zuiden zaten werden we in Banjoebiroe geïnterneerd."

Vrouwenkamp Banjoebiroe
"De Japanners lieten vrouwen en kinderen in de buitengewesten om de zoveel tijd naar het station van Djokjakarta komen voor transport naar een kamp. Maar een aantal malen ging dat niet door. Ik weet niet wat daarvan de reden was. Tweede kerstdag '42 vertrokken we dan eindelijk wel, naar het garnizoensplaatsje Ambarawa, zestig kilometer verderop. En daar vandaan met het tandradbaantje naar Banjoebiroe. We waren met driehonderd mensen. Het kamp was een oude kazerne. We kregen een nummer. Ik was natuurlijk klein, maar herinner me nog dat we tegen de voorschriften in les kregen van nonnen. Als er een Jap aankwam, schoof de non alles onder haar habijt. Ook voel ik nog de teleurstelling over hoe de Jappen 's nachts tomaten en lomboks uit mijn kleine tuintje stalen. De vrouwen die wacht liepen, zagen dat."

Apathisch
"Mijn moeder was vaak ziek, ook omdat ze afgeranseld werd. Ze weigerde te buigen voor de Jappen. Met het verstrijken van de tijd kwamen er steeds meer mensen in het kamp. Je mocht als kind niet veel: niet schreeuwen, niet huilen, want anders werd je moeder geslagen. Er kwamen steeds meer beperkingen. Op een bepaald moment waren er 2.100 mensen in het kamp. Overal sliepen ze. Het voedselgebrek nam toe. Ik denk dat ik apathisch was. Wij zaten daar maar en de situatie was uitzichtloos. Kennelijk schakelt je lichaam naar een automatische piloot. Waar mijn vader was, wisten wij niet. Zijn schip werd geraakt in de Straat Soenda en terug aan wal werd hij gevangen genomen. Hij moest bij Palembang aan het vliegveld werken - enorm zwaar. In Banjoebiroe kregen we bericht dat hij was overleden. Mijn moeder vertelde me dat mijn vader dood was. Later bleek gelukkig dat het niet waar was."

Beschietingen
"Na de capitulatie op 15 augustus 1945 wilde iedereen weg, maar dat was veel te gevaarlijk. We werden vanuit de bergen beschoten door Indonesiërs. Pas eind oktober gingen we in vrachtwagens naar Magelang en maakten daar de beschieting mee. We zaten onder de bedden en beschermden ons met matrassen. Dat was eng. De Gurkha's*, die ons bewaakten, waren overigens heel aardig. Ze gaven de kinderen chocola. Wij maakten in een kamp in Bandung het vervolg van de Bersiap** mee, met weer beschietingen."

Bij toeval ontdekt
"Mijn vader was een grote forse man, die aan het eind van de oorlog nog maar veertig kilo woog. Hij lag een half jaar in het Rode Kruisziekenhuis in Singapore, waar hij bij toeval door de jongste zus van mijn moeder ontdekt werd. Zij was vanuit Nederland terug naar Azië gegaan om er als verpleegster te werken. Door de lijsten van het Rode Kruis kon zij ons traceren en dit aan mijn vader melden. Na zijn herstel kwam hij ons opzoeken in Bandung. Ik herinner me dat er een voor mij onbekende man in marine-uniform aankwam, waar ik niets van moest hebben."

Mijn ouders scheidden
"We vertrokken naar Nederland, waar we op 1 juli 1946 arriveerden. Ik werd toen gescheiden van mijn moeder, broertje en zusje met wie ik nota bene drie jaar in het kamp gezeten had. Ik moest met mijn vader bij zijn ouders gaan wonen. Hij had vaak nachtmerries over wat hij in de oorlog meegemaakt had. Mijn vader kwam in Nederland niet aan werk in zijn vak van scheepsstuwadoor. Hij ging in Haarlem op het gemeentehuis administratief werk doen, wat hem niet beviel. Wij woonden samen op een zolder. Mijn ouders scheidden en mijn vader vertrok in 1947 naar Afrika. Weer werd ik gescheiden van mijn vader, nu om terug bij mijn moeder te gaan wonen - op de Veluwe. En weer moest ik nieuwe vriendjes maken, wat voor een kind van tien niet fijn is."

Het kamp als een rode draad
"In die eerste jaren na de oorlog vond ik school eng en had ik examenvrees. Ik begreep niet dat er plezier gemaakt werd op verjaardagsfeestjes. Je praatte niet over het kamp. Mijn vader heeft er nooit over gesproken. Hij nam het mee in zijn graf. Mijn moeder vertelde haar kampervaring als een sprookje aan haar kleinkinderen. Ik wilde dit niet, want ik had als kind te weinig woorden om te benoemen waarom ik angstig was. Het kamp loopt als een rode draad door mijn leven. Bepaalde angsten, voor bergen, poorten, treinreizen en vliegen heb ik eraan overgehouden. Dat kan ik nu beetpakken, terwijl ik eerder niet snapte waar mijn gedrag of reacties vandaan kwamen. Tijdens een vakantie in België moest ik onder een kasteelpoort door, maar alles in mij weigerde. Ik moest huilen en overgeven. In Banjoebiroe was een vergelijkbare poort. De vakantie werd beëindigd en mijn partner en ik gingen naar huis. Hetzelfde heb ik met bossen. Tijdens de Bersiap-periode moest ik hout sprokkelen en zag ik gebitten in het bos liggen. Ik werd lange tijd altijd onwel in een bos."

De reünie
"In 1989 ontmoette ik Joost van Bodegom, toen burgemeester van Opsterland. Hij heeft ook in Banjoebiroe gezeten. Samen besloten we om op 4 april 1990 een reünie te organiseren. De organisatie kwam op mij neer, omdat ik meer tijd had. We bereikten veel voormalige geïnterneerden van Banjoebiroe. Ze genoten enorm van het weerzien. Zelfs dokter Hörchner - de arts uit het kamp - was er. Zij kreeg een staande ovatie, wat een emotioneel moment opleverde. Door het contact met andere ex-geïnterneerden kwam ik een beetje los. De reünie bracht heel wat teweeg; erkenning en herkenning. Woorden die wij als kampmensen mogen gebruiken. Door erkenning en herkenning krijg je ruimte in je lijf. Hoe meer je ermee doet op een positieve manier, hoe meer je het verleden aan kan."

Terug naar Indonesië
"Vanaf toen volgden meer reünies, ook voor kamp Banjoebiroe 10, Ambarawa en Lampersari. In '93 overwon ik mijn vliegangst en ging met een groep mensen uit Banjoebiroe voor het eerst terug naar Indonesië. Dat was heel bijzonder, met veel huilen maar ook lachen. We hadden veel steun aan elkaar. De partners begrepen na de reis ook beter wat we doorgemaakt hebben. Tijdens de reünie in 1995 op Bronbeek presenteerden wij ons boek Banjoe Biroe XI, een vrouwenkamp op Java. In 2003 richtten we de Stichting ex-geïnterneerden Midden-Java Vrouwenkampen op. Daarnaast functioneerde de Stichting Slachtoffers Japanse Vrouwenkampen, onder aanvoering van mevrouw Juul van Kempen. Deze club hief zich in 2005 op. De commandant Bronbeek vroeg mij de ter ziele gegane stichting over te nemen."

Nog steeds behoefte
"Op 24 augustus 2006 hebben we de Stichting Japanse Vrouwenkampen opgericht. Dit is een overkoepelende organisatie, waarvan ik voorzitter ben. Vanuit deze stichting organiseren wij elk jaar rond 25 augustus de herdenking bij het monument voor de Japanse vrouwenkampen op Bronbeek. Jaarlijks zijn rond de achthonderd mensen aanwezig. Daaruit blijkt dat er nog steeds behoefte is om bij elkaar te zijn en stil te staan bij wat er gebeurd is. Sommige mensen durven nu pas voor het eerst naar een reünie te komen. Voorheen waren ze te bang voor de confrontatie met hun verleden. Wij moedigen oma’s aan om hun kinderen en kleinkinderen mee te nemen. Deze derde generatie is heel nieuwsgierig en vrij, omdat zij het verleden minder heeft meegekregen. Ik hamer er altijd op de angsten niet te bewaren, maar om te praten over wat we hebben doorgemaakt. Mijn ervaring is dat je vervolgens veel vrijer kunt leven. Nu gaan we onze creativiteit aanwenden om een waardige herinneringsmuur te bouwen met namen van de 6.000 vrouwen en kinderen die tussen 1942 en 1945 in de vrouwenkampen zijn overleden. De muur zal als een warme deken om het monument verrijzen."

* Gurkha's: Het Britse leger had soldaten in dienst die behoorden tot het Gurkha volk uit Nepal;

** Bersiap-periode: Dit was een gewelddadige periode in de Indonesische geschiedenis die enkele maanden na de Japanse capitulatie begon en duurde tot begin 1946. Politieke activisten streden tegen de Nederlanders voor onafhankelijkheid van Indonesië.

Erkenning en herkenning zijn heel belangrijk