4meiOverlay

Eerbetoon aan hen die minder geluk hadden

Ad Stuij (1921-2007), Utrecht - Utrecht

Ad Stuij (1921–2007) is brutaal tegen een SS-er en moet maken dat hij wegkomt. Hij kan aan de slag in een boekhandel. Via de telefoon op zijn werk stuurt Ad gecodeerde berichten door. Dat wordt te gevaarlijk. Hij komt terecht bij een manege in Bilthoven. Dag en nacht is hij bezig met voorbereidingen voor overvallen en sabotageacties. Hij maakt waterpompen bij Fort de Bilt onklaar. Steelt kolen. Saboteert bij Fort Blauwkapel. Dan wordt hij opgepakt. Ad laat niets los en komt vrij. Zes stenen met namen bij Fort de Bilt zijn een eerbetoon aan hen die minder geluk hadden.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


Van de trap

"Ik volgde de opleiding tot laborant aan de universiteit van Utrecht. In 1941 werd ik bedreigd door een Duitse SS-er. Hij was een voormalig wetenschappelijk medewerker. Ik zei hem - vanuit jeugdige overmoed - dat hij een verrader was. Toen moest ik maken dat ik wegkwam. Ik kon aan de slag bij de Utrechtse boekhandel en uitgeverij Bijleveld. De boekhandel verkocht tegen mijn zin ook NSB-boeken. 'Moeder, vertel mij eens van Adolf Hilter' was er één van. Dat boek had een papieren band. Zogenaamd per ongeluk liet ik een hele stapel van de trap af vallen, zodat de boeken onverkoopbaar werden. Dat gaf een hoop herrie, maar het boek kwam niet in de winkel."

Gecodeerde berichten
"Onze verzetsgroep verzorgde onderdak voor jongens die niet in Duitsland wilden gaan werken of voor Joodse mensen. De boekhandel had telefoon, waardoor we heel handig allerlei verzetsactiviteiten konden regelen. De berichten waren gecodeerd. Maar op zeker moment voelde ik dat het te gevaarlijk werd in de boekhandel. Ik ging werken in een manege in Bilthoven, langs de spoorlijn Utrecht - Amersfoort. Deze werkplek bood me een nieuwe dekmantel."

Overvallen en inlichtingenwerk

"In Bilthoven woonde één van de bazen van mijn verzetsgroep, de heer Nieuwenhuizen. Hij zat bij de Inlichtingendienst. Ik werd het land in gestuurd om sabotagemogelijkheden aan het spoor in kaart te brengen. Ik bezorgde bonkaarten en deed mee aan overvallen met de Knokploeg. Dag en nacht was ik er mee bezig. Mijn zus stimuleerde me. Een jongere zus werd later ook nog actief in het verzet. Alles verliep wonderlijk goed. Je realiseerde je niet echt hoe gevaarlijk het was. Gelukkig maar, want anders had je misschien niets gedaan."

Kolen stelen

"In september 1944 wilden we mee gaan helpen aan de gewapende strijd om Arnhem, maar dat plan mislukte. Na de Slag om Arnhem kwamen gewonde geallieerde soldaten, door de Duitsers gevangen genomen, terecht in het Antonius ziekenhuis aan de Utrechtse Hoogstraat. Op een donkere avond hebben we er vijftien bevrijd. Via adressen in Zeist slaagden sommigen er vervolgens in terug naar de geallieerde linies te komen. Anderen waren voor verdere medische verzorging bij een bevriende arts ondergebracht. De parachutisten hadden warmte nodig, want het was bar koud, die winter. We stalen kolen bij de opslagplaats van de firma Takken in Bilthoven."

In de cel

"Overal zaten Duitsers. Als je sabotage kon plegen, deed je dat. Bij Fort de Bilt maakte ik waterpompen onklaar. In 1945 werd ik op straat gearresteerd, voor sabotagewerkzaamheden bij Fort Blauwkapel. Waarschijnlijk ben ik verraden. In de cel hebben ze me flink 'geteisterd'. Ik liet niet genoeg los. Na veertien dagen smeten de Duitsers me weer op straat. Ik had geen namen van mijn vrienden prijsgegeven. Ze hadden me ook nog verhoord over de diefstal van de kolen. Mijn verweer was dat mijn oude moeder in de kou zat en dat ik geen Duitse maar Nederlandse kolen had gestolen. Daarmee was de zaak niet langer Duits en werd ze overgedragen aan de Nederlandse justitie. Na de bevrijding werd ik veroordeeld tot tien gulden boete voor diefstal van kolen van de Nederlandse gemeenschap. Tot op de dag van vandaag heb ik geweigerd die boete te betalen. Later heb ik de gratie van koningin Wilhelmina ook afgewezen."

Fort de Bilt

"Meteen na de oorlog werd ik lid van de Bond van Oud Illegale Werkers (BOIW). De voorloper van de Nationaal Federatieve Raad van het Voormalig Verzet Nederland, in 1947 opgericht. Ik was voorzitter van de Utrechtse afdeling van NFR/VVN. Het was voor mij vanzelfsprekend dat op Fort de Bilt een monument moest komen. Binnen de NFR/VVN kwam ik in aanraking met nabestaanden van gefusilleerde verzetsmensen. Sommigen waren al op straat in de rug geschoten. Bij Fort de Bilt werden mensen uit vrachtwagens naar een grasveld gejaagd, waar het doodvonnis werd voltrokken. Of ze wachtten in de beruchte bunker hun executie af. De Duitsers hadden na mei 1940 een schietbaan ingericht. Er zijn ongeveer zestig mensen omgebracht, de meeste door een vuurpeloton. Ik ben er goed vanaf gekomen. De herdenkingen zijn een eerbetoon aan degenen die minder geluk hadden."

Zes stenen met namen

"Wij wilden de namen van de omgekomenen vereeuwigen. Eerst boog een commissie zich eind jaren zeventig over het achterhalen van de namen van de slachtoffers. De heer Overwater* deed later het meeste speurwerk. In 1980 hebben we de Stichting Herdenkingsmonument Fort de Bilt opgericht, die moest waarborgen dat de herdenkingsplaats zou blijven bestaan. In een acte is vastgelegd dat de gemeente Utrecht zich zou inspannen voor het behoud van deze historische plaats. Het eigendom van Fort de Bilt is overgegaan naar Domeinen. Op vijf stenen zijn de namen, de leeftijden en de overlijdensdata van de terechtgestelden aangebracht. Op de zesde staan de namen van verzetsmensen, die in of bij de stad Utrecht zijn omgekomen door executie, moord of bij gevechten tijdens de Bevrijdingsdagen. Waarschijnlijk missen we nog namen. De klokkentoren kregen we van het centraal militair hospitaal, dat vertrok uit Utrecht. Het originele randschrift van de klok luidt, vrij vertaald uit het Frans: 'Ik luid voor degenen die hier verzamelen'. Dat doen we elke laatste zaterdag voor de vierde mei."

Bron:

  • A.M. Overwater publiceerde in 1997 het boek ‘De gevallenen in de forten van Utrecht, 1942 - 1945
Eerbetoon aan hen die minder geluk hadden