4meiOverlay

De angst lag als een deksel over Amsterdam

Mien ten Dam-Pooters (1917-2016), Amsterdam - Noord-Holland

Bijna alle naaisters lopen mee naar de Februaristaking op de Noordermarkt. Het is februari 1941. Mien ten Dam-Pooters (1917) legt het naaiatelier waar ze werkt plat. De hele familie Pooters, vader, moeder en zeven kinderen, is actief in het verzet. Broer Pam bekoopt dit met de dood in 1943. Tot voor kort sprak ze op scholen over de oorlog toen en racisme nu. Of, zoals ze haar Marokkaanse overbuurman uitlegt, allochtoon zijn betekent dat je zelf of je ouders niet in Nederland geboren zijn. Meer niet. "Met onderscheid maken is niks mis, het mag alleen niet tot discriminatie leiden".

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


Fascisme is moord

"Hitler riep in '33 al dat hij Duitsland zou bevrijden van Joden en communisten. Zou hij voor Nederland andere plannen hebben? Nee toch? Er kwamen veel Joodse emigranten naar Nederland. Mijn broer, zussen en ik zaten bij de communistische jeugdbond De Zaaier. We verzetten ons tegen elk onrecht en discussieerden over het opkomende fascisme. Mijn vader had café De Vriendschap op de Nieuwmarkt. Het was een gezellige Jodenbuurt. Met een emmer kalk gingen we erop uit. Fascisme is moord, schilderden we op de muren." 

Jullie gaan er allemaal aan
"Aan het begin van de oorlog was ik japonnennaaister in het atelier van Doyes en Van Cuijk in de Sint Willibrordusstraat. Ik schat dat er zestig tot honderd vrouwen werkten, onder wie ook veel Joodse. De een na de ander verdween. Zonder verzet, niet te geloven. Het is een blijvend groot verdriet. De Joodse Raad speelde een cruciale rol, want die adviseerde iedereen zich te melden. 'Ga maar rustig naar Duitsland', zeiden Asscher en Cohen. Ze schreven in het Israëlitisch Weekblad dat het zo erg niet was. Ik zei tegen de meiden van het atelier dat ze niet moesten vertrekken. Jullie gaan er allemaal aan, waarschuwde ik. Van de gaskamers wisten we niet, wel dat ze vermoord zouden worden. Maar ja, we hadden ze ook niks te bieden. Waar moet je naar toe als je niet gaat? Een mens is bang. Ze zouden toch wel opgehaald worden. 'Ah, mesjoche communist, zei mijn Joodse collega Koosje, wij zullen hard moeten werken, maar we zijn sterk'. Niemand is teruggekomen." 

De hele stad op pad
"Toen de Februaristaking zou beginnen, ben ik bij het raam van het atelier gaan staan. Mijn man stond beneden. Die hield in de gaten of er in de rest van de stad gestaakt zou worden. Als hij zijn duim opstak zou ik het atelier platleggen. Toen kwam dat seintje. 'Dames, ze zijn allemaal aan het staken, want ze halen onze mensen weg en dat willen we niet'. Verdomd zeg, iedereen legde zijn werk neer en liep mee naar buiten. Zelfs de cheffin, van wie ik niet wist aan welke kant ze stond. Zij bleek later een Joods meisje als onderduiker te hebben. Een meisje had verkering met een Duitse soldaat en ging niet mee. We liepen allemaal naar de Noordermarkt. De hele stad was op pad. Het was geweldig." 

Noordermarkt, Noordermarkt
"We moesten een op papier gedrukte oproep verspreiden. Ik kreeg een stapel die ik onderweg uitdeelde. Tijdens het lopen zeiden we tegen de bevolking 'Noordermarkt, Noordermarkt' en iedereen sloot zich aan. We deden net of we niet bij elkaar hoorden. Daarna gingen we zwijgend uit elkaar. Ik heb doodsangsten uitgestaan, maar het moest wel gebeuren." 

De angst lag als een deksel over Amsterdam

"De saamhorigheid van het atelier was geweldig, maar je kon er niet over praten. Iedereen kon je erbij lappen. Ik heb mijn buren getest. Ze wisten niet van mijn onderduikers. Ik vroeg hen langs neus en lippen of ze antwoord zouden geven op de vraag of ik mensen in huis had. Ze zouden mij verraden hebben, omdat ze bang waren. Ondanks die permanente dreiging van verraad was mijn woning een doorgangsadres voor onderduikers. We waren geen helden, maar gewone mensen. Ze kwamen aan je vrienden en kennissen en dat liet je niet gebeuren. Toch was er angst. Je deed allemaal dingen waar je acuut een doodsklap voor kon krijgen. De angst lag als een deksel over Amsterdam. Op elke hoek vond je de Grüne Polizei. Maar niet elke Duitser was een nazi. Sommige Duitse jongens deden ook maar wat opgedragen was." 

De oorlog is voor haar nooit opgehouden

"We zaten bij de verzetsgroep CS-6. Dat stond voor Corellistraat 6, waar de familie Boissevain woonde. Die zaten ook allemaal in het verzet. Verscheidene jongens van Boissevain zijn gefusilleerd. Mijn zus Nel woonde bij mij in huis. Ze is weggehaald, verraden door de vriendin van verzetsstrijder Leo Frijda die gefusilleerd was. Nel werd afgevoerd naar Kamp Vught. Daar vandaan is ze van het ene kamp naar het andere gesleept. Naar negen verschillende, want ze mocht zich niet hechten. Die oorlog is voor haar nooit meer opgehouden. Ze is een paar jaar geleden overleden. Mijn broer Pam is in 1943 gefusilleerd, in de duinen van Overveen. We lazen het in de krant. Hij was nog maar 32 jaar. Veel mensen hebben na zijn dood tegen me gezegd dat hij een aardige jongen was en dat was ook zo. Bij zijn herbegrafenis op de erebegraafplaats bekende mijn vader dat Pam toch gelijk had met zijn politieke denkbeelden." 

Mijn Marokkaanse overbuurman
"Onderscheid mag niet leiden tot racisme, gettovorming of discriminatie. Mijn Marokkaanse overbuurman zegt dat hij na 25 jaar nog altijd allochtoon in Nederland is. Daarmee hoef je niet naar de dokter, antwoord ik dan altijd. Ik heb hem uitgelegd dat allochtoon alleen betekent dat jijzelf of je ouders niet in Nederland geboren zijn. En dat het gaat om hoe je je opstelt en om wederzijdse tolerantie. Met een groep verzetsvrienden en mijn tweede man Jaap ten Dam heb ik veel op scholen gesproken over de oorlog en over fascisme en racisme. Sinds hij een paar jaar geleden overleden is, doe ik het niet meer."

De Dokwerker
"Voor mij vertegenwoordigt het beeld van 'De Dokwerker' het gevoel van saamhorigheid van de Amsterdamse bevolking tegen de Duitse bezetter. Daar met z’n allen op de Noordermarkt. Bij de eerste herdenking waren er zoveel mensen. Dat was geweldig. En dat is nog steeds zo bij de jaarlijkse herdenking. Mooi hè?"

De angst lag als een deksel over Amsterdam