4meiOverlay

Ik leef nog, omdat de leider me te jong vond

Han Hollander (1927), Markelo - Overijssel

In de zomer van 1943 vraagt een vriend aan Han Hollander (1927) of hij een pakje met pistolen en patronen wil bezorgen. Dat doet hij en vanaf dat moment wordt hij - op de fiets en in korte broek - ingezet voor allerlei verzetsactiviteiten in Zwolle. Eind oktober 1944 mag hij tegen zijn zin niet meedoen aan een gevaarlijke actie, omdat de leider hem te jong vindt. Bij een razzia worden zes mannen van zijn groep gearresteerd en enkele dagen later publiekelijk gefusilleerd. Het Provinciaal Verzetsmonument in Markelo herinnert aan deze verloren levens.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


10 mei 1940

"Mijn school - het Christelijke Lyceum in Zwolle - zou op 10 mei het jaarlijkse uitje hebben in Hattem. Dat ging niet door, want de brug over de IJssel was diezelfde morgen opgeblazen door Nederlandse troepen. Hetzelfde gold voor alle stadsbrugjes. Mijn vader had een groot kruideniersbedrijf in het hart van de stad, op de hoek van de Grote Markt. Ik zag de Duitse verkenners met motoren aan komen rijden. Vervolgens trok een compagnie Duitse soldaten marcherend en zingend langs. Ze deelden pamfletten uit met de tekst 'we komen jullie arbeid en brood brengen'. Zwolle was al op 10 mei 1940 bezet door de Duitsers."

Het Wilhelmus
"Eind mei '40 ging de school weer open. Het Christelijk Lyceum was vlakbij de IJssel en daar passeerden dikwijls Duitse troepen. Ze zongen marsliederen en onder andere 'wir fahren und wir fahren gegen England'. In een speelkwartier hoorden wij dit en wij zongen dan 'ploem, ploem', daarmee aangevend dat ze wat ons betreft konden verzuipen. Bij mij in de klas zat een Rijksduitser, die aan zijn vader vertelde dat wij de moffen belachelijk maakten. Dat werd meteen aan de Duitse Ortskommandant gemeld, die de rector op hoge poten bij zich riep en hem waarschuwde maatregelen te zullen nemen als dit nog een keer zou gebeuren. De rector was een wat bange man, die de hele school toesprak dat we ons niet anti-Duits mochten gedragen. De Duitsers waren niet zo slecht, sprak hij, waarop een paar leraren boos de aula verlieten. De leerlingen zetten vervolgens het Wilhelmus in, heel bijzonder. Ik kan daar nog emotioneel van worden. Twee leraren waren NSB'ers, die ook dit weer doorgaven en de zes à zeven leraren die de aula verlieten, werden gearresteerd. Dit voorval is zelfs door Lou de Jong beschreven als de eerste repressieve maatregel van de Duitsers."

Kanaries en zangzaad
"Ik was padvinder bij de christelijke Huismangroep. De padvinderij werd door de Duitsers verboden, maar ik hield contact met de groepsleider, Wim Spanhaak. Hij was een jaar of achttien. Wij deelden de belangstelling voor de natuur, wapens en de militaire kant. Hij werd opgeleid om het schildersbedrijf van zijn vader over te nemen. Eind '42 zaten we op een avond - alles was in die tijd al verduisterd - anti-Duits te praten en hij vertelde me hoe zijn pistool werkte, want dat kon een keer van pas komen. In onze codetaal was een pistool een 'kanarie' en de patronen noemden we 'zangzaad'. Hij vroeg me ook te onthouden waar de Duitsers zich bevonden en wat ze deden. We wisselden deze informatie dan uit. Begin '43 kreeg hij een oproep voor de verplichte Arbeitseinsatz*. 'Dat nooit', zei hij en hij dook onder. Ik mocht dit tegen niemand vertellen."

Mijn eerste opdracht
"In de zomer van '43 kreeg ik een brief van Wim. Hij zat op een boerderij en vroeg me om er twee weken te komen werken. Ik moest een pakje meenemen, met kanaries en zangzaad. Bij de werkplaats van zijn vader lagen, ingegraven onder tegels, drie pistolen en een paar honderd kogels verborgen. Ik vertrok met een pakje brood en het geheel onder mijn windjack in korte broek op de fiets en arriveerde in Vorden. Diezelfde avond nam Wim me mee naar het bos, waar een Amerikaanse piloot verborgen was. Ik moest mee om met hem te praten, want ik leerde immers Engels op school. Op een zeker moment floot Wim 'God save the king' en uit de bosjes kwam hij te voorschijn. Hij bleek op de terugweg van een bombardementsvlucht naar Kassel te zijn neergeschoten en met een kompasje had hij Nederland weten te bereiken. Ik realiseerde me dat ik iets gevaarlijks aan het doen was. Bang was ik niet, maar ik zat wel in angst over wat er zou kunnen gebeuren. Je kunt niet regelen dat iemand anders niet doorslaat."

De groep van Krikkie Huiberts
"Wim Spanhaak had contact met een onderwijzer, Chris 'Krikkie' Huiberts. Hij zat met zijn vrouw Lenie Kranenborg zwaar in het verzet, met hulp aan Joden, piloten en dergelijke. Hij vroeg mij te gaan koerieren. Daar twijfelde ik geen moment over. Vanuit mijn gereformeerde achtergrond leefde je voor 'God, Nederland en Oranje'. Ik vertelde nooit iets aan mijn ouders. Dat was een zonde, maar ik was in de overtuiging dat ik door God geroepen werd. Mijn vader had een vermoeden van mijn activiteiten. Hij waarschuwde mij dat de Duitsers hem zouden pakken. Wat moest er dan van mijn moeder en ons gezin met vijf kinderen worden? Maar ik stopte niet. Buiten school en ook in het donker bracht ik krantjes, berichten, bonkaarten en wapens over voor de groep Huiberts. Ik fietste veel, vooral naar Wim in Vorden. Dat was toch zestig kilometer enkele reis."

Nog altijd in korte broek
"Ik zat in de vierde van het gymnasium. Op een dag zei Krikkie me dat ik opdrachten zou krijgen van een leraar Nederlands. Vanaf dat moment werd ik in Zwolle ingeschakeld. Ik leerde mensen kennen van andere, veel fellere verzetsgroepen als De Groenen. Soms zeiden ze 'wat moet die snotneus hier'. Aan een overval op een distributiekantoor ging een enorme logistieke voorbereiding vooraf, met het verzamelen van informatie over van alles en nog wat. Ik stond met de bakfiets van mijn vader op een hoek te wachten op geweren die bij een overval buit werden gemaakt. En ik liep nog altijd in korte broek, om zo min mogelijk argwaan te wekken."

Ik mocht niet meedoen
"Na Dolle Dinsdag dachten we er bijna vanaf te zijn. Onze groep besloot deel uit te gaan maken van de Ordedienst, die na de bevrijding NSB'ers zou gaan arresteren. In die laatste periode van de oorlog woonde ik niet meer thuis, omdat de mannelijke bevolking van Zwolle tussen de 15 en 65 jaar zich - met een schop - moest melden voor het aanleggen van loopgraven om Zwolle heen. Dat weigerde ik. Ik verbleef met een groep andere mannen in de bejaardenwoning van Krikkies moeder. Bij dreiging van razzia's vluchtten we in de kruipruimte onder de huizen. Je hoorde de Duitse laarzen boven je hoofd. Eind oktober '44 gaf Krikkie ons de opdracht paraat te worden en te verzamelen op de begraafplaats Kranenburgh, waar wapens verborgen waren in grafkelders. Krikkie zei dat ik niet mee mocht, want ik was pas zeventien jaar. Hij kon tegenover mijn ouders niet verantwoorden dat hij mij in gevaar zou brengen. Dat was ik niet met hem eens. Bij de arrestaties van NSB’ers zou ik wel mee mogen doen, beloofde hij. Aan dit bevel thuis te blijven heb ik mijn leven te danken."

Gefusilleerd
"De andere mannen zaten bij de doodgraver op de begraafplaats. De pannen stonden net op tafel toen iemand kwam melden dat er razzia's zouden komen. Ze dachten dat het zo'n vaart niet zou lopen en gingen door met eten. Een Duitse patrouille stapte binnen. Bij een rondgang om het huis ontdekten de Duitsers een motor - die was van Wim Spanhaak - en een koffer, met daarin twee Duitse uniformen. Kort ervoor had onze groep met die uniformen een aantal gevangenen bevrijd uit de gevangenis van Zwolle. De Duitsers - ook geen sufferds - telden een en een bij elkaar op en arresteerden zeven mannen, onder wie een jongen van zeventien die niets met het verzet te maken had. Ze werden een paar dagen later naast de begraafplaats gefusilleerd. Krikkie Huiberts was daar niet bij, want hij zou zich pas later bij de mannen voegen."

Ook Krikkie Huiberts
"De fusillade werd breed aangekondigd door de Duitsers, als een succes, want ze hadden gevaarlijke verzetsstrijders te pakken. Krikkie en zijn vrouw Lenie waren nog vrij. Krikkie dook onder en nam met niemand meer contact op. Onze groep lag uit elkaar. Ik dook onder bij een boer in Mastenbroek. Lenie kreeg in februari '45 een miskraam. Krikkie hoorde dit op zijn onderduikadres en ging haar ondanks het dreigende gevaar opzoeken. Hij werd meteen te grazen genomen door een Nederlandse SD'er, die het huis wekenlang in de gaten had gehouden. Eind februari werd hij in de gevangenis verhoord. Lenie probeerde hem met jenever en sigaretten vrij te kopen, want met de naderende nederlaag in zicht waren de Duitsers al tamelijk corrupt. Maar dit lukte niet. Eind maart verlieten de Duitsers de stad en ze namen twintig gevangenen mee richting Duitsland. Bij Wierden schoten ze de mannen dood, onder wie Krikkie Huiberts. Zo totaal zinloos, zeker als je daarbij bedenkt dat Zwolle op 14 april werd bevrijd. Ik zat nog kort bij de BS**, maar mijn vader overleed op 23 april. Plotseling was ik als achttienjarige de man in huis, moest ik voorgaan in gebed en allerlei besluiten nemen voor mijn moeder, jongere zusjes en broertje. Ik maakte mijn school af en verkocht de kruidenierszaak van mijn vader. Na een studie Rechten vertrok ik als dienstplichtige naar Nederlands-Indië."

Het Verzetsmonument in Markelo
"De namen van de mannen van mijn groep staan op het Provinciaal Verzetsmonument in Markelo. Altijd als ik er ben, doet me dat veel. Markelo is het middelpunt van Overijssel, vandaar dat het monument daar staat. De verschillende verzetsgroepen worden hier gezamenlijk geëerd. Het monument bestaat uit drie figuren: een biddende vrouw, een geboeide man en een man met een stengun. De stengun verbeeldt het geweld dat de LKP*** soms moest gebruiken."

* Arbeidseinzats: dit was de benaming voor de vaak gedwongen inschakeling in de Duitse oorlogseconomie van arbeiders uit de bezette gebieden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In het Nederlands werd de term destijds letterlijk vertaald met 'arbeidsinzet'. (bron: Wikipedia)

** Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (BS): dit overkoepelend, samenwerkend verzetsorgaan is op 5 september 1994 officieel opgericht en kwam voort uit de drie belangrijkste verzetsgroepen: de Ordedienst (OD), de Landelijke Knokploegen (LKP) en de Raad van Verzet (RVV). Tot 1944 werkten de verzetsgroepen - voor zover zij al contact hadden - zelfstandig onder supervisie van het Bureau Bijzondere Opdrachten van de regering in Londen. Dit werd verenigd tot de BS. Prins Bernhard werd, hoewel hij in London verkeerde, aangesteld als bevelhebber. Commandant van de BS in het bezette Nederland werd kolonel H. Koot. (bron: Wikipedia)

***Landelijke Knokploegen (LKP): dit was een verzetsorganisatie die werd opgericht door de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De onderduikers die geholpen werden hadden dringend behoefte aan allerlei voorzieningen, zoals persoonsbewijzen en bonkaarten, die zij onder eigen naam natuurlijk niet konden krijgen. Daartoe waren her en der al zelfstandige Knokploegen werkzaam, die hun buit meestal onder hun eigen achterban verdeelden. Door de sterk toenemende repressie van de Duitse bezetter en de nasleep van de April-meistaking steeg de behoefte echter snel. Derhalve besloot de LO-leiding op 14 augustus 1943 tot oprichting van eigen Knokploegen en de bundeling van bestaande knokploegen. (bron: Wikipedia)
Ik leef nog, omdat de leider me te jong vond