4meiOverlay

Aan de kant van de levenden

Jules Schelvis, Hooghalen, Westerbork - Drenthe

Van de 34.313 joden die via Westerbork in Sobibor aankomen halen slechts achttien het einde van de oorlog. Jules Schelvis (1921) is één van hen. Dertig jaar zwijgt hij over wat zich in vernietigingskamp Sobibor heeft afgespeeld. Daarna schrijft hij er een boek over. En in 2000 komt het monument Tekens in Westerbork tot stand. Als blijvende herinnering aan allen die uit Nederland naar de kampen in Duitsland en Polen zijn weggevoerd.

door Anita van Stel

Een onbekend kamp
"Mijn vrouw, haar familieleden en ik werden op 26 mei 1943 tijdens de grote razzia in Amsterdam van huis gehaald en naar Westerbork gebracht. Mijn vrouw was een dochter van Poolse Joden, die vanwege het antisemitisme in 1919 naar Nederland waren gevlucht. Op 1 juni 1943 vertrok ons transport vanuit Westerbork, niemand wist waarheen. Er waren geruchten bij het bestuur van de Joodse Raad opgedoken over een kamp met de naam Sobibor. In de notulen werd vastgelegd dat de berichten 'niet ongunstig' waren. Ons transport ging inderdaad naar Sobibor in het Oost-Polen, op vier kilometer afstand van de Russische grens. Na een reis van 72 uur, onder erbarmelijke omstandigheden in een beestenwagon, kwamen we daar aan. De bewakers sloegen ons de wagons uit en we moesten onze bagage afgeven."

Ben je gezond?
"De mannen werden van de vrouwen gescheiden. De vrouwen zagen we nooit meer terug. Een SS-er selecteerde een groep van 80 jonge mannen. In de verte zag ik bij de groep mijn zwager staan. Toen de SS-er in mijn buurt kwam vroeg ik of ik me bij mijn zwager mocht voegen. 'Spreek je Duits en ben je gezond', vroeg hij. Zonder dat ik het mij bewust was kwam ik aan de kant van de levenden terecht, waar ook mijn beste vriend Leo de Vries stond. We werden op transport gesteld naar het SS-kamp Dorohuzca, waar we turf moesten steken. In het kamp zaten al vijfhonderd Joden, waarvan de helft Nederlands. De Poolse Joden vertelden gruwelijke verhalen over ellende en terreur in de getto's. Ze wisten ook te vertellen dat Sobibor een kamp was waaruit vrijwel niemand terugkeerde en dat men daar op de een of andere wijze vermoord werd."

Gruwelijke taferelen
"Na omzwervingen kwam ik uiteindelijk in Radom terecht, een middelgrote stad in Polen. Daar woonden tot augustus 1942 nog zo’n 40.000 Joden in getto's voor ze in de gaskamers van Treblinka werden vermoord. Ik zie de gruwelijke taferelen nog voor me. De mannen en vrouwen die nog konden werken werden afgevoerd naar het buiten de stad gelegen concentratiekamp Radom-Skolna. Onder hen mijn vriend Leo de Vries en ik."

De Dodenmars
"In Radom-Szkolna lieten ze ons bij 25 graden vorst houten palen van de omheining verplaatsen. Ik had gehoord dat gevangenen in een aangrenzend kamp in een wapenfabriek werkten. Daar werd gestookt en was stromend water. Daarom meldde ik mij voor dit werk bij de Arbeitsführer. Eind juli 1944 - ik was al een jaar in Radom - kwam het Rode Leger eraan. De Russen waren nog maar dertig kilometer van Radom en Warschau verwijderd. De gevangenen werden geëvacueerd. Met duizenden mannen, vrouwen en kinderen begon een dodenmars. Vier dagen en soms bij nacht liepen we 130 kilometer zonder eten en drinken. Het regende veel, maar het was niet koud. Velen waren inmiddels zo verzwakt dat ze niet meer verder konden en onderweg bezweken of werden doodgeschoten. De tocht eindigde in een kunstzijdefabriek in Thomasow. Daar hebben we zes dagen op de grond gezeten en geslapen zonder sanitaire voorzieningen."

'Fähige' Joden
"In goederenwagons reden we richting Auschwitz. Toen we daar aankwamen moesten we uitstappen. Een arts selecteerde de nog 'fähige' Joden. De 'niet-fähigen' werden in auto's geladen en naar de gaskamers gevoerd. Aan het eind van de dag reden we westwaarts, richting Stuttgart. Daar bevond zich bij een enorme steengroeve een nieuw, nog onbewoond kamp. In de groeve was een grote fabriek in aanbouw waar vliegtuigen van de firma Messerschmitt zouden worden gebouwd en gelanceerd. We moesten kiezelstenen, zakken met vijftig kilo cement en houten spanten uitladen en naar de rand van de groeve vervoeren. Dit werk duurde tot november 1944. De Duitsers hadden inmiddels begrepen dat de fabriek-in-aanbouw door de militaire vorderingen van de geallieerden nooit in gebruik genomen kon worden."

Vernichtung durch Arbeit
"De hogere SS-leiding besloot toen het SS-Arbeitslager om te dopen tot SS-Erholungslager. Er werden ernstig zieke niet-Joden uit andere kampen uit de omgeving heen gestuurd. Bijna alle aanwezige joden in Vaihingen moesten vertrekken naar het 15 kilometer oostwaarts gelegen SS-kamp Unterriexingen. 'Vernichtung durch Arbeit', vernietiging door werk, gold ook daar. In hellingen langs de rivier de Enz werden onderaardse gangen uitgehouwen, die zouden moeten gaan dienen als hangars voor vliegtuigen. Het werk was zwaar. In maart 1945 kreeg ik een ontsteking aan mijn voet, waardoor ik niet meer kon werken. Een vrachtauto bracht mij naar het Erholungslager in Vaihingen. Leo de Vries had inmiddels het stadium van muzelman bereikt, een typering die gold voor algehele uitputting. Hij is op weg naar Dachau gestorven. Zijn dood heeft me, toen ik er later van hoorde, veel verdriet gedaan. Te zijner nagedachtenis heb ik mijn boek 'Binnen de poorten' aan hem opgedragen. Op 8 april lag ik al enige dagen met tyfus in een barak toen het Franse leger Vaihingen en het kamp kwam bevrijden. Franse verpleegsters hebben me ontsmet met DDT en buiten het kamp in een grote tent gedoucht. Twee maanden lag ik in het hospitaal van Vaihingen. Ik heb toen mijn ervaringen van de voorgaande twee jaren opgeschreven. Deze aantekeningen vormden de basis voor mijn boek."

Twaalf SS-ers bij een opstand gedood
"Van de 34.313 Joden die via Westerbork in Sobibor aankwamen zijn slechts achttien mensen levend uit de oorlog teruggekomen Ik was de enige die al in april 1945 de gruwelen van het vernietigingskamp had beschreven. Het dagblad Het Parool berichtte er pas in 1946 over. Van de in totaal 250.000 Joden uit de verschillende landen die in Sobibor aankwamen hebben 47 de oorlog overleefd. Onder de overlevenden waren twee vrouwen uit Nederland die tijdens een opstand op 14 oktober 1943 wisten te ontsnapten. Bij deze opstand werden - voor het eerst in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog - door gezamenlijk Joods verzet twaalf SS-ers en twee bewakers gedood.”

Optreden als Nebenkläger
"Tijdens het proces van 1983 tot 1985 in Duitsland tegen SS-ers van Sobibor mocht ik in mijn hoedanigheid als Nebenkläger, als vertegenwoordiger van mijn vermoorde familieleden, optreden. Tegen de voormalige SS-man Frenzel heb ik aan het slot van mijn pleidooi levenslange gevangenisstraf geëist. Van de overlevenden werden zestien mensen door het Schwurgericht in Hagen/Westfalen opgeroepen om te getuigen. Hun soms emotionele getuigenissen hebben voor de geschiedschrijving belangrijke gegevens opgeleverd."

Onbehoorlijk en soms onbeschoft behandeld
"Zoals zoveel andere Joden ben ik bij terugkeer in Nederland onbehoorlijk en soms onbeschoft ontvangen. Ik moest zelfs een bedrag van 160 gulden, dat ik bij mijn aankomst in Amsterdam kreeg, aan Volksherstel terugbetalen toen ik weer in staat was te werken. Ik moest ook bewijzen dat ik de werkelijke bewoner van mijn huis was. Bij de drukkerij waar ik in 1941 was ontslagen vroegen ze wat ik kwam doen, toen ik mij daar meldde. Ik antwoordde de bedrijfsleider dat ik er zes jaar had gewerkt en dat ik na twee jaar van ontberingen weer wilde werken om mijn brood te verdienen. Over het algemeen zwegen de slachtoffers door het ontbreken van belangstelling. In 1946 ben ik hertrouwd. Dit huwelijk heeft 52 jaar mogen duren. Mijn vrouw Jo maakte een boekje van de aantekeningen die ik in Vaihingen had gemaakt. Ik wilde de oorlog van me afschudden en sprak er dertig jaar niet over. Een redacteur - ik werkte bij Het Vrije Volk in Rotterdam - vroeg in 1973 of hij mij mocht interviewen voor de krant. Omdat er over Sobibor nauwelijks iets bekend was, stemde ik toe. Het verhaal moest toch maar eens verteld worden."

De aanvraag gehonoreerd
"In 1999 heb ik de Stichting Sobibor opgericht. Ook schreef ik het boek Vernietigingskamp Sobibor, na tien jaar in talloze archieven en documenten te zijn gedoken. Het wordt in de wereld beschouwd als een wetenschappelijk werk. Daar ben ik trots op. Loe de Jong nam in 1993 het eerste exemplaar in ontvangst. Zijn NIOD heeft de Duitse vertaling bekostigd. Ik geef nu colleges in Nederland en Duitsland. In 1999 verstrekte het Ministerie van VWS subsidie voor specifieke Joodse projecten. Onze aanvraag voor een monument werd gehonoreerd. Toen moest de Stichting aan de slag."

Voor zichzelf uitmaken
"We riepen de hulp in van Westerbork, want dat vonden we een geschikte plaats. Ook het Auschwitz-comité dacht mee, want het monument zou meer omvatten dan alleen Sobibor. Het moest herinneren aan alle transporten naar de vijf vernietigingskampen Auschwitz-Birkenau, Bergen-Belsen, Mauthausen, Sobibor en Theresienstadt. Hoe moest het monumentgestalte krijgen? Dat was geen gemakkelijke opgave. We kozen voor kunstenaar Victor Levie, die vijf strakke objecten van natuursteen ontwierp. Ieder mag voor zichzelf bedenken wat ze voorstellen. Carry van Lakerveld schreef voor een begeleidende brochure de teksten. Voormalig premier Wim Kok en ikzelf mochten het monument op 11 maart 2001 onthullen."

Bronnen:

www.stichting-sobibor.nl
Jules Schelvis, Binnen de poorten, (De Bataafsche Leeuw, zevende druk, Amsterdam, 1995);
Jules Schelvis, Vernietigingskamp Sobibor, (De Bataafsche Leeuw, vijfde druk, Amsterdam, 2004);
Jules Schelvis, Kerstmis in Unterriexingen, (deel 3 van de serie Getuigenissen, Stichting Sobibor, november 2005).

Aan de kant van de levenden