4meiOverlay

Joden zijn vermoord, niet omgekomen

Louk de Liever, Nijkerk - Gelderland

Als Joods jongetje van vijf belandt hij in 1944 in Westerbork. Louk de Liever (1939) is dan al drie jaar bij een pleeggezin. Hij is één van de vijftig kinderen die zonder ouders zijn opgepakt. Als 'Gruppe Unbekannte Kinder' gaan ze met de laatste trein uit Westerbork naar Theresienstadt. Terug in Nederland ziet hij zijn ouders weer. Het contact verloopt moeizaam. Hij is betrokken bij de oprichting van het monument voor de 62 vermoorde Joodse inwoners van zijn vroegere woonplaats Nijkerk. Samen met zijn kleinzoon onthult hij het op 9 april 2002.

door Anita van Stel

Zwarte leren jassen
"Mijn ouders hadden mij al in 1941 bij een pleeggezin in Amsterdam gebracht. We waren Joods en bang opgepakt te worden. Zelf doken ze toen onder. Eigenlijk ben ik verraden door de overburen in Amsterdam. Ik zie nog de zwarte leren jassen van de mannen die me op 16 augustus 1944 kwamen halen. In het weeshuis van Westerbork werd ik ingeschreven onder de naam Louis Veenstra, naar mijn onderduikouders. Op 21 augustus was ik jarig en kreeg ik in Westerbork taart van oud brood, koolrapen en wortelen. Met mijn vijf jaar was ik daar een van de oudste kinderen."

Waarom niet naar Auschwitz?
"Op 13 september 1944 vertrok het laatste transport van Joodse gevangenen uit Westerbork. Niet naar Auschwitz maar naar Bergen-Belsen. Alle vijftig kinderen van het weeshuis van kamp Westerbork gingen met dat transport mee. Wij waren zonder onze ouders opgepakt van onze onderduikadressen en in Westerbork terechtgekomen. Van de meeste was de identiteit niet duidelijk. Op de transportlijsten noemen zij ons 'Gruppe Unbekannte Kinder'. Waarom ging de laatste trein uit Westerbork niet naar Auschwitz? Die vraag houdt ons als overlevenden van het transport tot vandaag de dag bezig. Wellicht genoten wij als kinderen bepaalde bescherming? Zelf denk ik dat de spoorlijnen naar Auschwitz op 13 september onbegaanbaar waren geworden door bombardementen."



Wilde beesten
"Ondanks mijn leeftijd - ik was vijf jaar - herinner ik me sommige dingen scherp. In Theresienstadt kregen we voor het eerst sinds Westerbork witbrood in plaats van koolraapschillen. Ik heb beelden van barakken met zes à zeven bedden boven elkaar, van een tuintje, een school en een bakkerij. Toen ik later in Theresienstadt was, heb ik dit allemaal teruggevonden. Dat was voor mij erg belangrijk, want mensen zeiden dat ik het uit mijn duim zoog. Ik heb ook altijd volgehouden dat ik onderweg, terwijl ik in de trein zat, wilde beesten heb gezien. Olifanten, leeuwen en tijgers. Iedereen dacht dat ik gek was. Later bleek dat er een trein van circus Sarasani gerangeerd stond en dat ik die dieren dus wel degelijk had gezien. Ik heb herinneringen aan vliegtuigen die overvlogen en greppels langs de spoorlijn. Zo weet ik ook dat we in een groot gebouw zijn geweest en dat er nonnen waren. Dat werd eveneens in twijfel getrokken. Later werd duidelijk dat we een tussenstop hebben gemaakt in een klooster, waarschijnlijk in Falkenau, waar nonnen woonden."

Op een motor met houten banden
"We bleven tot de bevrijding in mei 1945 in het weeshuis van Theresienstadt. Door het Rode Kruis werden we daarna naar Eindhoven gebracht, waar mijn pleegmoeder me kwam ophalen. Mijn vader was ook naar Eindhoven gekomen en op een motor met houten banden haalde hij de vrachtwagen waarin ik zat, in. Voor het eerst sinds 3 1/2 jaar keek ik mijn vader in de ogen, maar ik herkende hem niet en zei 'meneer' tegen hem. Thuisgekomen was mijn moeder ervan overtuigd dat ik haar zoon niet was.Mijn grootouders herkenden me wel meteen. Ik had bovendien een litteken aan mijn grote teen en dat was voldoende bewijs. Mijn ouders waren zo blij dat ik terugwas dat ze een advertentie plaatsten in de Nijkerkse krant."

Niet liefdevol
"De vreugde duurde niet lang, want er ontstonden allerlei problemen. Vooral mijn moeder vond dat ik fantaseerde over wat ik had meegemaakt en wees me af. Ik moest naar een pedologisch instituut voor moeilijk opvoedbare kinderen in Amsterdam. Na negen maanden mocht ik naar huis, maar de relatie met mijn moeder bleef slecht. In de weekends ging ik bij mijn pleegouders in Amsterdam logeren. Als kind snapte ik aanvankelijk niet waarom ik daar niet mocht blijven. Ik heb me lang afgevraagd waarom mijn ouders me niet liefdevol behandelden. Een psycholoog maakte me duidelijk dat ze daartoe niet in staat waren, omdat ze eigenlijk al afscheid van me hadden genomen in de veronderstelling dat ik dood was."

Niet de gelukige jeugd die je kinderen toewenst
"Begin jaren negentig attendeerden mijn pleegouders me op de lijst van 'Onbekende Kinderen'. Daarna volgden een ongelooflijke speurtocht en vele 'reünies'. We hebben bijna iedereen gevonden - ook in het buitenland - en sommigen zijn echt vrienden geworden. Bijzonder is dat we soortgelijke ervaringen delen. Ook de anderen hadden niet de gelukkige jeugd die je kinderen toewenst: ze groeiden op bij getraumatiseerde ouders, kwamen in pleeggezinnen terecht of in Joodse tehuizen. Het contact met de 'Onbekende kinderen' is heel belangrijk voor me. We zoeken er nog twee. Een baby is tijdens het transport omgekomen. Een broer kwam daar na al die jaren pas achter."

Vermoord in plaats van omgekomen
"Dominee Frekamp uit Nijkerk nam het initiatief een monument op te richten. Een werkgroep werd gevormd, waarin ook rabbijn Jacobs en leden van Christenen voor Israël participeerden. Ik werd er bijgevraagd omdat ik de enige nog levende overlevende in Nederland was. In Israël wonen nog twee anderen en in Amerika een. Het eerste verzoek tot oprichting heeft de gemeente afgewezen, omdat de omgekomen Joodse inwoners al vermeld waren op het monument voor de omgekomen Nijkerkers. Ik heb de wethouder duidelijk gemaakt dat de Joden vermóórd zijn in concentratiekampen en niet zoals burgers 'omgekomen'. Binnen een week hadden we 20.000 gulden subsidie van de gemeente en een bouwvergunning voor de voorkeurplaats, op de hoek van de Bruins Slotlaan. Over die plaats rees enige twijfel, want burgemeester Bruins Slot zou in de oorlog de lijst met joodse inwoners aan de Duitsers overhandigd hebben. Deze lijst is echter ondertekend door de toenmalige gemeentesecretaris en ik weet van mijn opa dat de burgemeester zich juist heeft ingespannen vóór de Joden. Deze plaats is om een andere reden ook goed: de jaarlijkse dodenmars komt hier op 4 mei langs, op weg naar het monument bij de haven."

Stilstaan
"Op het monument vind je 44 namen. Van de Nijkerkse joden overleefden er dertien, vier in de kampen en de anderen omdat ze ondergedoken zaten, zoals mijn grootouders en ouders. Van de vier families De Liever uit de Spoorstraat is er in Nederland nog maar een over. Mijn kleinzoon en ik mochten de onthulling doen, op 9 april 2002. In Nijkerk vroegen mensen zich af of we er niet te laat mee waren. Ik vind dat het nooit te laat is om een monument op te richten. Bij mijn lezingen op Nijkerkse scholen zijn de leerlingen muisstil. Af en toe moet je stilstaan bij alles wat er gebeurd is."

Joden zijn vermoord, niet omgekomen