4meiOverlay

We moeten het optimisme gaande houden

Truus Menger-Oversteegen, Grootebroek - Noord-Holland

In de oorlog is ze lid van de Haarlemse verzetsgroep van Jan Bonekamp. Als meisje redt ze onderduikers, liquideert ze verraders en blaast ze bruggen op. Met onder meer Hannie Schaft en haar latere man Piet Menger. Na de oorlog maakt Truus Menger-Oversteegen (1923) naam als beeldend kunstenares. Herdenkingsmonumenten in Nederland, maar ook in Tanzania en Soweto zijn van haar hand. In Grootebroek staat het bevrijdingsmonument als eerbetoon aan de velen die zich tegen de bezetters hebben verzet.

Gevoelens in brons omzetten
"Ik heb inmiddels veel oorlogsmonumenten gemaakt. Waarschijnlijk vragen ze mij, omdat ik in staat ben mijn gevoelens in brons om te zetten en zo het verdriet van oorlogsslachtoffers weer te geven. Mensen zeggen wel eens dat ze in mijn werk de strijd nog zien. Mijn kunstwerken reflecteren mijn afkeer van oorlogsgeweld en menselijke onderdrukking. Ik probeer ook trots en innerlijke kracht in de beelden te verwerken. In de oorlog was ik ondergedoken bij Mari Andriessen, de beeldhouwer van 'De Dokwerker', het monument ter herinnering van de Februaristaking van 1941. Andriessen was een grote inspirator. Mijn moeder zei overigens altijd dat er in mij een kunstenaar schuilging. Ik was 43 toen ik iets met mijn kunstzinnige aanleg ging doen."

Niet meer dan logisch
"Al in de jaren dertig hoorde ik verhalen over nazi-Duitsland. Mijn moeder was lid van de Internationale Rode Hulp, een communistische organisatie. De communisten smokkelden links georiënteerde mensen en joden over de grens, waarvan sommigen bij ons thuis op adem kwamen. Er werden regelmatig vergaderingen gehouden. Wij waren al vroeg verontwaardigd over het onrecht in Duitsland. De nazi's vertegenwoordigden een bedreiging voor de vrede. Ik was een vrij ernstige meid. Het was niet meer dan logisch dat ik lid werd van de linkse jeugdbeweging. Toen de oorlog begon was ik zestien en mijn zusje Freddy veertien."

Niet tegen de Duitser, maar tegen fascisme en nazisme
"Vanaf 1941 werden er allerlei maatregelen tegen joden uitgevaardigd. Ze moesten het land uit en werden doodgeslagen bij pogroms. Het was fout, dat voelde je. Vooral arme mensen, boeren en gereformeerden gingen zich inzetten om vervolgden te helpen. Ik ben begonnen met klein verzet. Met illegale blaadjes rondbrengen en leuzen op muren kalken. Begin 1943 werden mijn zus en ik betrokken in de partizanenstrijd. We streden niet tegen de 'Duitser', maar tegen fascisme en nazisme."

Verschrikkelijk, maar noodzakelijk
"Hannie Schaft en mijn latere man Piet Menger maakten ook deel uit van de Haarlemse verzetsgroep van Jan Bonekamp. Als jonge, op het oog onschuldige meisjes waren we uitermate geschikt voor het redden van onderduikers en kinderen of om verraders te liquideren en bruggen op te blazen. Een pistool behoorde tot onze standaarduitrusting. We waren vaak bang en vonden het werk verschrikkelijk, maar noodzakelijk. In september 1944 moest de Haarlemse Verzetsgroep zich aansluiten bij de Binnenlandse Strijdkrachten. Daar zaten opportunisten tussen, die veel minder dan wij werden gedreven door idealisme. Hannie Schaft werd in maart 1945 gearresteerd door de Duitsers en in de duinen doodgeschoten. We konden haar niet bevrijden."

Fascisme en nazisme op de loer
"Na de oorlog heb ik ervaren dat fascisme en racisme op de loer blijven liggen. Er woeden oorlogen en mensen zijn op de vlucht. Veel oud-verzetsmensen leggen zich daar niet bij neer en spreken met scholieren en studenten over vrede en een verdraagzame samenleving. Eens een verzetsmens, altijd in verzet, denk ik. Dat gaat er niet meer uit. De jeugd wordt veel te negatief afgeschilderd. We moeten het optimisme gaande houden. In mijn gesprekken met jongeren probeer ik ze geloof in de toekomst mee te geven. Dat ze moeten nadenken over wat er over hun hoofden heen wordt beslist. Ik constateer een toenemend politiek bewustzijn. Dat is positief."

Niet vastroesten in het oude

"We moeten niet vastroesten in het oude. Onze offers zijn gebracht voor de jeugd en de toekomst. Ik kom in veel landen en ontmoet alleen maar aardige jongelui. De burgemeester van de gemeente Stede Broec kwam bij me. Hij wilde een verzetsmonument. Daar bent u wel wat laat mee, zei ik hem. Mijn idee was vervolgens een bevrijdingsmonument te maken dat optimisme naar de toekomst zou uitstralen. Ik vond dat jongeren daarbij betrokken moesten worden. Ik heb lezingen gehouden op het Martinus College in Grootebroek over de oorlog, het verzet en de betekenis van vrede. Met een groep leerlingen heb ik gebrainstormd over wat het monument zou moeten uitbeelden. Ze hebben gedichten erbij gemaakt. We hebben het monument ook samen, vier jongeren en ik, onthuld. Dat was in 2005."

We moeten het optimisme gaande houden