4meiOverlay

Een leven lang geluk

Ralph Prins, Hooghalen, Westerbork - Drenthe

De kunst redt hem als hij in 1944 met zijn moeder en oma via Westerbork in Theresienstadt belandt. "Mijn moeder zei altijd dat ik een zondagskind ben", zegt beeldend kunstenaar Ralph Prins (1926-2015). Hij mag van de kampcommandant naar Zwitserland om aan de 'Kunstgewerbeschule' in Zürich te studeren. Na de oorlog ontwerpt hij diverse herdenkingsstekens. 'Monument' was toen nog een te beladen woord. Van zijn vriend Otto Treumann neemt hij de opdracht over om een ontwerp te maken van wat later het Nationale Monument in Westerbork is geworden. Naarmate je de omhoog gebogen rails volgt, wordt de ramp bijna tastbaar.

door Anita van Stel

Anne Frank
"Mijn ouders zijn gescheiden toen ik anderhalf jaar was. Ik was enig kind en woonde bij mijn moeder in Amsterdam. Mijn vader, de historicus Izak Prins, zag ik regelmatig. Hij was intens geïnteresseerd in zowel het Jodendom als in beeldende kunst. Als jong kind werd ik al meegenomen naar musea. In 1942 moest ik het Amsterdams Lyceum verlaten en werd geplaatst op het Joods Lyceum, waar Anne Frank een klas lager zat. Zij was de beste vriendin van een klasgenote van mij, waarmee ik een verjaardag bij Anne thuis vierde. Curieus, als je bedenkt dat ik later een gedenkteken voor de slachtoffers van die school in de Amsterdamse Stadstimmertuinen heb vormgegeven." 

Barakken schilderen
"Door de talrijke razzia's liep het aantal leerlingen op het Joods Lyceum drastisch terug. Ook ik verliet de school. We droegen davidssterren. Bij velen van ons was bekend dat deportaties plaatsvonden, maar in Joodse gezinnen werd daar nauwelijks over gesproken en al helemaal niet in het bijzijn van kinderen. Ik volgde een cursus 'huisschilderen' op de Joodse Ambachtsschool. Ik dacht wellicht in een Duits kamp te kunnen overleven door bijvoorbeeld barakken te schilderen. Op die school herkende ik in het vak 'Beletteren' mijn grote fascinatie voor alfabetten, de basis voor mijn latere typografische werk. Ook ontdekte ik dat een kwast in mijn hand woonde, alsof hij er thuishoorde." 

De Barneveldergroep

"Uit verveling ging ik huisgenoten natekenen. Mensen waren verrast over de kwaliteit van mijn werk en suggereerden dit te laten zien aan Jaap Kaas, de directeur van de Joodse Kunstnijverheidsschool. Hij nodigde me uit voor een bezoek aan de schoolateliers bij De Waag, een verzamelplaats van bedrijvige kunstenaars. Ik voelde mij daar meteen als een vis in het water en voorvoelde dat kunst mijn leven zou bepalen. In 1943 werden mijn moeder, oma en ik vrijwillig geïnterneerd op kasteel De Schaffelaar in Barneveld, samen met 652 andere Joden, de zogenoemde Barneveldergroep. De Barnevelders hadden gemeen dat ze allen een vooraanstaande positie hadden in de Joodse gemeenschap. Mijn moeder was hoofd van een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen. Ik mocht daar mijn studie vervolgen onder het mentorschap van de latere professor Hans van de Waal." 

Westerbork
"Ondanks onze bevoorrechte positie gingen alle Barnevelders in 1944 toch op transport naar Westerbork. Mannen en vrouwen werden apart in grote barakken ondergebracht. Ik werd ordonnans van de strafbarak en bracht berichten rond. In mijn laarzen smokkelde ik brieven van gevangenen naar en van het 'vrije kamp'. Het stelde niet veel voor in vergelijking met echte ondergrondse bezigheden. Ook in Westerbork schetste ik regelmatig en keek graag toe als bijvoorbeeld Leo Kok of Jos Gosschalk aan het tekenen waren. Over de trein naar Auschwitz werd het liefst niet gesproken." 

De geur van elite
"Iedere dinsdag vertrok een transport naar Auschwitz met 1.000 à 2.000 mensen. Dat bepaalde voor iedereen het leven daar. Als je zeker wist niet op de aanstaande transportlijst te staan, scheen het leven 'normaal'. Kinderen speelden, er was zelfs een kampcabaret en vrouwen en mannen konden elkaar ontmoeten. Er bestaan zoveel Westerborken als er mensen waren. Wij Barnevelders waanden ons heel lang veilig. Wij dachten uitgesloten te zijn van transport. Een hoge ambtenaar op Binnenlandse Zaken, Frederiks, zorgde er aanvankelij voor dat we niet naar Duitsland hoefden. Pas in februari 1944 werd de Barneveldgroep naar Theresienstadt vervoerd. De geur van elite bleef om ons hangen." 

Trein naar Zwitserland
"Op een bepaald moment kwam er bericht van kampcommandant Rahm. Er zou een trein naar Adlesville in Zwitserland vertrekken, waarvoor iedereen zich kon aanmelden. De enige voorwaarde voor vertrek was dat je duidelijk moest kunnen maken waarom uitgerekend jíj met deze trein naar Zwitserland zou mogen afreizen. Veel mensen vertrouwden dit niet. Ik vond het zo Kafkaiaans in zijn onmogelijkheid dat ik in de rij ben gaan staan. Toen ik aan de beurt was vroeg ik Rahm of ik met hem mocht spreken alsof het geen oorlog was. Ik vertelde hem vervolgens dat mijn levensdoel was kunstenaar te worden en dat ik hoopte student op de Kunstgewerbeschule in Zürich te worden. Hij lachte er om, maar gaf wel zijn toestemming. Ook voor mijn moeder en grootmoeder." 

Zondagskind
"In Adlesville waren we weer geïnterneerd, maar al snel zat ik op de 'Kunstgewerbeschule'. Een commissie die een rapport moest maken over het Zwitsers Kunstonderwijs bezocht ook onze klas. De Oostenrijkse beeldhouwer Fritz Wotruba was een van de commissieleden. Hij vroeg mij of ik me bewust was van mijn eigen talent. Hij zorgde ervoor dat ik een atelieruitrusting kreeg. Via de Nederlandse ambassade in Bern regelde hij dat ik na de bevrijding op de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag een vrij rooster mocht volgen. Mijn moeder verzuchtte altijd dat ik een zondagskind was. Ik voel dat ook zo, omdat ik in mijn leven altijd de juiste mensen op de juiste tijd ontmoette. Zo ontmoette ik op de academie de ontwerper Otto Treumann, met wie ik zeer bevriend ben geraakt." 

Monument voor Westerbork
"In 1968 kreeg Otto Treumann opdracht een monument voor Westerbork te ontwerpen. Hij werd echter ziek en vroeg mij dit project van hem over te nemen. Direct wist ik dat de treintransporten naar Auschwitz een markante plaats in het monument moesten innemen. Bij het ontwerpen van het monument voor Westerbork was het wel een voordeel dat ik in Westerbork gezeten had, omdat ik de rampen kon invoelen. De rails liet ik een eigen rol spelen, waarbij zich aan het eind een grote ramp lijkt te voltrekken. Naarmate je dichter bij het einde komt, wordt de ramp tastbaarder. 

De lassers van Werkspoor hebben precies die stukjes uit de rails gebrand die ik met geel krijt had getekend op de spoorstaven. Het maken van de muur luisterde ook nauw. De muur is flauw cirkelvormig en naar voren hellend. Op een onzichtbare betonnen kern zijn Drentse zwerfkeien geplakt, dus zonder cement. De keien komen uit de buurt van Westerbork. Een positief gevoel gaf het feit dat de opperrabbijn zijn goedkeuring hechtte dat er een tekst uit de Klaagliederen 4:18 op kwam: zij belaagden ons bij elke schrede/zodat wij over onze pleinen/niet gaan konden/ons einde was nabij/onze dagen waren vervuld/ja ons einde was gekomen!

Dwaze Moeders

"Eén van mijn uitgangspunten was het monument zo te realiseren dat een ieder zijn eigen verhaal er in kon herkennen. Het moest een sfeer van waarachtigheid oproepen en niet van vals pathos. Veel mensen zijn geraakt door de verbeelding. Ik beschouw het als een compliment dat de Dwaze Moeders uit Argentinië de plaats kozen om hun verdriet te overdenken. Overigens werd er, toen ik eind jaren zestig de opdracht kreeg, gesproken over een herdenkingsteken, want het woord 'monument' riep toen te veel negatieve herinneringen op. Op een dag was dit herdenkingsteken een Nationaal Monument."


Een leven lang geluk