4meiOverlay

Op mijn 16e werd ik dwangarbeider in Duitsland

Jo Pouls (1928), Neer - Limburg

Limburg, oktober 1944: de nazi’s houden razzia’s in 45 dorpen en pakken ruim 3000 jongens en mannen op. Ze worden naar Duitsland gedeporteerd om daar als dwangarbeider te werken. In het dorp Neer is de 16-jarige Jo Pouls één van de 40 mannen die dit overkomt. De dwangarbeid kost 120 Limburgers het leven en laat diepe sporen na bij de gezinnen die achterbleven en de overlevenden. In Nederweert-eind en Everlo staan sinds 2004 twee algemene, identieke monumenten om dit niet te vergeten. Ze maken deel uit van de reeks monumenten ‘Sporen die bleven’ in de 45 betrokken dorpen.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


8 oktober 1944

Jo Pouls: Op die bewuste zondagmorgen van 8 oktober 1944 was ik op een boerderij van familie op de kinderen en beesten aan het passen. De meeste mensen zaten in de kerk voor de Heilige Mis. Op een bepaald moment ging als een lopend vuurtje door het dorp dat er een razzia zou komen, waarin de Duitsers alle mannen zouden oppakken. Het bericht bereikte ook de kerk. Gelukkig, want het betekende dat er relatief veel mannen konden vluchten. Zo ook mijn vader, die door de sacristie achter de kerk een sluipweg nam en over een hoge muur bij de kerk kon wegkomen. Ik wist nog van niets. Toen ik huilende vrouwen op straat hoorde, ging ik nieuwsgierig tussen de bessenstruiken liggen. Een Duitse soldaat kreeg me in de gaten en vroeg naar mijn persoonsbewijs, dat uit mijn vestzakje stak. Ik had het persoonsbewijs net, want ik was pas vijf maanden ervoor zestien jaar geworden.

Naar Bad Loderberg
Op het Dorpsplein stonden nog meer Neerse mannen, met mij erbij in totaal veertig. Ik was de jongste. Niemand had bagage bij zich. Rond één uur ’s middags marcheerden we in colonne weg, om via de dorpen in de omtrek naar Venlo te lopen. Daar stonden op het station veewagens klaar, waarin wij als beesten geduwd werden tot er niemand meer bij kon. Toen het donker werd, zette de trein zich in beweging en reden we naar Wuppertal. Daar werden we in groepen van honderd verdeeld. Het leek een soort slavenmarkt, want bedrijfsleiders uit de buurt kwamen er arbeidskrachten selecteren voor hun fabrieken en boerderijen. Vervolgens moesten wij weer in de trein, die vier dagen door Duitsland reed voordat we bij Bad Loderberg in de buurt van Kassel arriveerden. Onze groep uit Neer was nog bij elkaar, samen met zestig mannen uit buurdorp Helden.

Brandstof voor bommenwerpers
We werkten ‘s nachts in een chemische fabriek, met andere dwangarbeiders, onder andere uit Rusland. Wat daar gebeurde, was staatsgeheim. Je moest speciale gummi kleding aantrekken, want het spul dat wij produceerden brandde zo door gewone kleding heen. We hadden geen idee wat het was. Pas in 1995 bleek dat we de enorm giftige brandstof voor de V1’s en V2’s, de Duitse bommenwerpers, maakten. Niemand kwam levend die fabriek uit. Mensen die niet meer konden werken, bijvoorbeeld omdat ze ziek waren, werden doodgeschoten. Soms waren er ineens mensen weg. Een kennis van mij heeft levenslang open wonden gehouden van dit giftige spul. Als wij niet waren overgeplaatst, hadden we het vast ook niet overleefd.

Honger sterker dan de angst
We leefden van de ene dag in de andere. Het kamp en de barakken waarin we verbleven werden continu bewaakt. We hadden honger, want er was weinig te eten. Soms plakten we in de barak schijfjes rauwe aardappels tegen de kachel, om ze zo gaar te laten worden. Regelmatig moesten we de schuilkelder in, voor de bombardementen van de geallieerden. Het aantal bombardementen nam toe en het front kwam dichterbij. In de fabriek kwam geen voorraad meer binnen en er was dus voor ons ook geen werk meer. Per trein gingen we naar Hilkerode Rumspringe, waar een nieuwe fabriek gebouwd werd. Daar deelden we barakken met Belgen, Polen, Russen en krijgsgevangen Italianen. Ons werk bestond uit het aanleggen van leidingen, werk waar ik – en met mij veel anderen - geen benul van had. Ineens lag het daar stil. Vervolgens moesten we elke dag puin ruimen op het station van Nordheim, een kruispunt van spoorlijnen dat steeds door de geallieerden gebombardeerd werd. Dichtbij was een uitgebrande suikerfabriek, waar zwartgeblakerde suiker in de hoeken lag. Tijdens luchtalarm haalden we daar sokken vol suiker vandaan. De honger was sterker dan de angst. We hoopten dat de Engelsen op ons geen bommen zouden gooien.

Het kamp bevrijd
Begin april verwachtten we snel bevrijd te worden. De Engelsen waren dichtbij; ze schoten over het kamp. Vanuit de barakken zagen we duizenden arme mensen lopen die nog door de Duitsers naar het oosten gevoerd werden. Op een avond ontsnapten we met een stuk of zes mannen naar achter de frontlinie. Van de Engelse militairen kregen we chocola en sigaretten. Vervolgens gingen we toch terug naar het kamp, in afwachting van de definitieve bevrijding. Op 12 april ’45 was het zover. De Engelsen bevrijdden ons, terwijl ze de fabriek helemaal in puin schoten. De Italiaanse krijgsgevangenen vonden de Duitse kampcommandant in het nabij gelegen dorp en hingen hem en zijn twee bijtgrage honden aan de vlaggenmast van het kamp op. Met elf andere Neerse jonge mannen besloten wij het kamp meteen te verlaten, om terug naar huis te gaan lopen. Tussen het puin hadden we een Europese stafkaart van het Engelse leger gevonden. We namens ons voor om per dag dertig à vijfendertig kilometer af te leggen. Ook spraken we af dat we niet zouden gaan plunderen, maar de Duitse bevolking alleen om eten en een slaapplaats zouden vragen. Het was onderweg een grote chaos. We kwamen allerlei nationaliteiten tegen, iedereen was onderweg naar huis. Vooral de Russen en Polen gedroegen zich als beesten. Ze jatten wat los en vast zat en schoten ook Duitse burgers neer.

Terug in Neer
Tijdens die tocht sliepen we op veel verschillende plekken, zoals in een leerfabriek, in een wagon of op stations. Een keer kregen we een lift van een Amerikaanse militair die foerage voor het leger op moest halen richting Nederland. Daar hadden we geluk mee. Op tachtig kilometer van de grens werden we door Engelse militairen opgepikt en vervolgens in een vakantieoord ondergebracht dicht bij de Nederlandse grens, in afwachting van de bevrijding. Er waren veel Duitse militairen op de terugweg en het was te gevaarlijk om in tegenovergestelde richting te reizen. Pas vijf weken later vertrokken we met een konvooi van militaire wagens. In Kleef werden we eerst nog ontluisd met DDT-poeder. Via Venlo ging de reis naar Baarlo, waar een broer van een van de Neerse mannen ons met een auto ophaalde. Op de motorkap kwam ik op 20 mei ’s nachts in Neer aan, precies op mijn zeventiende verjaardag. Ik woog toen nog 49 kilo.”

Gestolen
Al die tijd had mijn familie in angst gezeten. Mijn vader, toch een vrolijke café-eigenaar, was er bijna aan onderdoor gegaan. Niemand in het dorp wist waar we zaten en of we nog leefden. Onze brieven waren door de Duitse bewakers niet verstuurd. Ik herinner me de thuiskomst nog als de dag van gisteren. Mijn moeder huilde, ik was ziek en kon geen eten binnenhouden. Heel langzaam kwam ik weer op krachten. De veertig mannen uit Neer hebben het gelukkig allemaal overleefd. Na de oorlog moest ik als dienstplichtig soldaat naar Nederlands-Indië, wat evenmin een pretje was. Ik heb er lang niet over gesproken. Toen ik naar Duitsland moest was ik nog een kind. Mijn jeugd is gestolen, ik heb in de put gezeten, maar kan het nog navertellen. Bij de jaarlijkse herdenking prijs ik me gelukkig en denk aan die honderdtwintig mannen die niet terugkwamen.

Op mijn 16e werd ik dwangarbeider in Duitsland