4meiOverlay

Nog altijd dat twaalfjarige jongetje dat naar huis wil

John Blom (1930), Tienray - Limburg

Op de dag dat de 12-jarige John Blom zal gaan onderduiken, wordt hij met zijn vader uit huis gehaald. Bij de Hollandsche Schouwburg, de plaats waar Amsterdamse Joden worden verzameld voor deportatie naar Westerbork, slaagt hij erin uit een rij te ontsnappen. Met hulp van een verzetsgroep komt hij in het Limburgse Tienray terecht, waar verzetsleden Hanna van de Voort en Nico Dohmen meer dan 100 Joodse kinderen onderbrengen bij Limburgse families. John maakt in het Zuiden de bevrijding mee. Terug in Amsterdam blijken zijn ouders en broer vermoord te zijn in Auschwitz en Sobibor. In Tienray herinnert een monument aan de heldendaden van Hanna van de Voort.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


Opgehaald

John Blom: Mijn ouders hadden een chique banketbakkerszaak in de Rijnstraat in Amsterdam-Zuid. We waren Joods, maar niet orthodox, en ik voelde het onderscheid Joods-niet-Joods vóór de oorlog nauwelijks. Ik was een gewoon jongetje met vriendjes uit de buurt. Na 1940 liep de banketbakkerszaak beter dan ooit; mensen zochten afleiding. Toch werd mijn moeder mede door de spanningen ziek en in mei '43 belandde zij in het ziekenhuis. De angst nam toe. Als kind hoorde je flarden van gesprekken over 'ondraaglijke honger en kou in het Oosten’. Diezelfde maand kreeg mijn broer Gerrie, net 21 jaar, een oproep van de Duitse vervolgers om zich – met vele anderen – voor transport naar Westerbork te melden bij het Muiderpoortstation. Hoewel hem een onderduikplek was aangeboden, besloot hij gehoor te geven aan de oproep. Kort na aankomst in Westerbork volgde de deportatie naar Sobibor, zo bleek later. Mijn vader besloot dat ik moest onderduiken. Hij had een adres voor me gevonden, maar op 24 juni 1943 werden mijn vader en ik uit huis gehaald. Precies op die dag zou ik gaan onderduiken…Moeder bleef achter in het ziekenhuis.

Weglopen
Samen met mijn vader kwam ik in de Hollandsche Schouwburg terecht. Er heerste een ellendige, depressieve stemming. Alle kinderen onder de veertien jaar moesten naar een crèche aan de overkant. Toen zei mijn vader tegen me: “Zodra je kans ziet, moet je weglopen uit de rij. Maak je ster alvast los zodat je die snel af kunt doen. Ga dan naar Dirk toe. Hier heb je wat kleingeld. En denk erom: je moet nooit bang zijn in het leven.” Als je twaalf jaar bent en je vader zegt zoiets tegen je, dan is dat een opdracht. 

Dag pap, tot morgen

Het moment van afscheid was daar: “Dag pap, tot morgen.” Ik gaf hem een zoen op zijn wang. De stoet van vier, vijf kinderen breed zette zich in beweging. Mijn eerste gedachte was: ik moet uit de rij stappen voor we van het trottoir af zijn. Mijn tweede gedachte: doe uiterst onopvallend. Ik stak beide handen in mijn broekzak en halverwege de stoep maakte ik linksomkeert, schopte zachtjes een steentje voor me uit en liep onverschillig als een gewone Amsterdamse jongen richting hoek van de Plantage Parklaan. Stijf van de spanning verwachtte ik elk moment de klauw van een bewaker in mijn nek te zullen voelen. Maar er gebeurde niets. Om de hoek bedacht ik hoe ik bij Dirk kon komen. 

Dirk

Dirk was een niet-Joodse medewerker van onze banketbakkerij, een man die bijna familie voor me was. Hij schrok toen ik vertelde waar ik vandaan kwam. “Ben je niet gevolgd?” Dirk bracht me naar een tante. Vervolgens moest ik binnen twee maanden vier keer van onderduikadres wisselen. Heel onrustig en angstig. Eind augustus namen de studenten van de Amsterdamse Studentengroep, een verzetsgroep, me onder hun hoede. 

Hanna van de Voort

Arie uit de Studentengroep nam me mee in de trein naar Limburg. We gingen naar het huis van Hanna van de Voort, toen 39 jaar, kraamverzorgster in Tienray. Dat was een eerste opvang. Hier werd ik als ‘Jan’ aan een pleeggezin gekoppeld. Nico Dohmen, een student uit Nijmegen en compagnon van Hanna, bracht me naar een grote boerderij in de buurt van Swolgen. Waarschijnlijk had de pastoor deze familie overgehaald om een Joods kind in huis te nemen, want de boerin bewaarde altijd grote afstand naar mij toe. Het woonhuis was verboden terrein en ik sliep boven de stal bij de knecht. Overdag hielp ik de koeien en varkens verzorgen en tijdens de oogst werkte ik mee op het land. Aan dit werk bewaar ik goede herinneringen, net als aan het voor mij onbekende boereneten, wat ik heerlijk vond. 

Jan, je moet direct weg
Ik probeerde het Limburgse dialect machtig te worden. Mijn tactiek was zo min mogelijk op te vallen, wat me als verlegen kind goed afging. Mijn dertiende verjaardag, belangrijk voor Joodse jongens vanwege de overgang naar volwassenheid, ook al deden we er thuis niet veel aan, verliep onopgemerkt. Ongeveer een jaar na mijn aankomst daar, op 1 augustus 1944, ging er iets mis in de illegale organisatie in Tienray. Na verraad hadden de Duitsers het huis van Hanna van de Voort overvallen*. De conclusie van mijn pleegmoeder lag voor de hand. Ze moest kiezen tussen mijn bestaan en dat van haar grote gezin: “Jan, ik ben bang dat ze ons adres vinden. Je moet direct weg." Ze was machteloos en wist geen ander adres voor me. 

In de keet
Mijn pleegvader wilde me niet aan mijn lot overlaten en verwees me naar een verlaten en vervallen schaftkeet op zijn land. De luiken waren dichtgespijkerd. Er kwam niemand in de buurt. Eén keer per dag bracht Mien, de oudste dochter van twintig, me te eten. Ik sliep op mijn jasje op de planken vloer. Overdag verstopte ik me in het korenveld en ’s avonds zwierf ik rond, op zoek naar bramen of peren. Gelukkig was het augustus. Het enige dat ik al die tijd bij me had, was een pakje met daarin één extra onderbroek en blouse, en een studieboek over elektrotechniek. Dat boek was vreselijk saai en onbegrijpelijk, maar in de grafieken en tabellen zat orde en ze boden me een belangrijk houvast. Ook had ik visioenen waarin ik mijn vader naast Christus zag zitten. Ze keken naar me en zeiden dat het goed kwam. Dat gaf me een gevoel van veiligheid. Als het donker werd, sloeg ik op elk luik drie kruizen. 

De bevrijding

Bijna werd ik op een dag ontdekt door de klompenmaker die aan het stropen was. Met al mijn levenskracht slaagde ik erin de deur dicht te houden, met aan de andere kant die zware volwassen man. Na een maand haalde Nico Dohmen me uit de keet; de verzetsgroep had de draad weer opgepakt. Hij besloot me direct op een nieuw adres onder te brengen; bij de familie Willemse in Sint-Hubert. Het was een arm, maar warm gezin met zeven kinderen. In de keet had ik vaak zitten dagdromen over de bevrijding. Dat er een grote fanfare zou zijn op de Dam in Amsterdam en dat alle ondergedoken kinderen daar achteraan zouden lopen en dat we door iedereen juichend werden ingehaald…

Sint-Hubert ligt niet ver van Grave, waar de geallieerden in september ’44 de brug over de Maas innamen, op weg naar Arnhem. We volgden de vliegtuigen in de lucht. De bevrijding liet op zich wachten en de situatie bleef ongewis. Weken later zag ik in de verte een paar grijze voertuigen aankomen. “De Moffen zijn weer terug”, waarschuwde ik. Toen bleek het een verkennereenheid van de Prinses Irene Brigade te zijn, die met de geallieerden Brabant had bevrijd. Het was een emotioneel moment.

Gekleurd

Begin ’45 was de weg vrij en ik fietste naar Tienray. Daar wachtte me een koele ontvangst op de boerderij. Toch ben ik deze familie, naast mensen als Hanna van de Voort, dankbaar dat ze hun nek voor me hebben uitgestoken, want daar was veel moed voor nodig. Zonder hen was ik er niet meer geweest. Maar ik heb wel ambivalente gevoelens, over wat mensen elkaar kunnen aandoen. Wat kon ik eraan doen dat ik Joods was? Na een tijdje ging ik terug naar Amsterdam. Ik ging bij mijn tante wonen. Niemand vertelde me hoe het verder moest. De hoop op de terugkomst van mijn ouders en broer had ik al eerder opgegeven. Ik bouwde een normaal leven op, met een gezin, kinderen en werk. Wat ik heb meegemaakt in de oorlog heeft uiteraard mijn bestaan gekleurd. Het is geen toeval dat ik bij de Kinderbescherming ben gaan werken. Een deel van mij blijft altijd dat twaalfjarige jongetje dat naar huis wil. 


*De Nederlandse politie haalde zeven Joodse kinderen in Tienray, Broekhuizenvorst en Venray weg bij hun nieuwe familie. Alle zeven werden vermoord in het concentratiekamp Auschwitz evenals enkele van hun pleegvaders. Ook Hanna van de Voort werd gearresteerd, samen met andere helpers. Gelukkig kwamen ze weer vrij en vervolgden ze hun verzetswerk.

Nog altijd dat twaalfjarige jongetje dat naar huis wil