4meiOverlay

De familie van mijn moeder is vermoord

Sani van Mullem (1934), Den Haag - Zuid-Holland

Omdat de vader van Sani van Mullem (1934) ‘burger’ is, is het Haagse gezin relatief veilig: bij de landelijke razzia tegen zigeuners, op 16 mei 1944, worden zijn Sinti-moeder, Sani, en de broers en zusjes niet opgepakt. Voor 245 Sinti en Roma verloopt het anders: via Westerbork worden ze naar vernietigingskamp Auschwitz afgevoerd. Slechts 30 van hen komen terug. In Den Haag herinnert het Monument voor Sinti en Roma aan de deportatie van 112 Sinti en Roma uit die stad.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel

Sani van Mullem: “Ik was een kind van een Nederlandse vader, een burger, en een Sinti-moeder. Ons gezin met uiteindelijk elf kinderen woonde in Den Haag, in een zogenaamde controlewoning. Controlewoningen waren huisjes die door de gemeente werden toegewezen, als mensen de huur niet konden betalen. Mijn vader was marconist bij de marine en kwam uit de middenklasse. Hij leerde mijn moeder kennen toen zij 16 jaar was. In die tijd was het erg ongebruikelijk dat een burger met een zigeunervrouw verkeerde, maar andersom nog veel meer. Mijn vader was niet veel in beeld. De twee werelden gingen niet goed samen.”

Geen aandacht trekken
“Voor de oorlog reisden de Sinti met hun wagens door het land, soms met een paard ervoor, maar vaak ook voortgetrokken met handkracht of met de wagens op de trein. Als kind moest ik soms helpen een wagen van de trein te tillen. Vrouwen verdienden de kost met kleine handel, waarzeggen, en handlezen (doerken). De eerste jaren van de oorlog lieten de Duitsers de Sinti en Roma met rust, maar daarna mochten ze niet meer reizen. Wagens en paarden moesten ingeleverd worden en zodoende werden ze min of meer gedwongen in een huis te gaan wonen. De broers en zusters van mijn moeder wisten dat hun vader, mijn opa, al in een kamp in Duitsland zat. Om zo min mogelijk aandacht te trekken, ‘ging de familie wonen’. Mijn tantes verfden hun pikzwarte haar in de meest vreemde kleuren, omdat ze dachten daar minder mee op te vallen. De hele Sinti-familie woonde in dezelfde achterbuurt. Ik speelde met mijn neefjes en nichtjes en ging naar school zolang dat kon.” 

Razzia
“Ook in Den Haag werden de meeste zigeuners opgepakt. Enkele zusters van mijn moeder waren getrouwd met Hollanders, en daardoor relatief veilig, maar zij vertrokken voor de zekerheid toch naar Limburg. Ik kan me van die dag niet veel meer herinneren, behalve dat mijn Sinti-oom Louis bij ons thuiskwam, omdat hij op het moment van de razzia ergens anders was. Mijn moeder zei hem toen dat hij zijn opgepakte gezin achterna moest reizen, want hij mocht zijn vrouw en kinderen niet in de steek laten. Hij vertrok meteen en kwam nooit meer terug. Mijn moeder is dit nooit meer te boven gekomen; ze voelde zich haar hele leven schuldig. Als er na de oorlog treinen arriveerden met mensen die de kampen overleefd hadden, ging ze steeds naar station Hollands Spoor. Tevergeefs, want er kwam niemand van de familie terug. Ze zat dan dikwijls in de kamer te huilen. Als kind viel me wel op dat mijn familie er niet meer was, maar ik had geen idee. Pas na de oorlog kreeg ik door dat ze vermoord waren.” 

Honger
“Mijn vader werd gezocht door de Duitsers. Op zeker moment vielen ze binnen, twee man van de Feldgendarmerie, terwijl mijn vader zich in een keukenkastje verstopt had. Ze schopten met hun laarzen tegen deuren en schreeuwden, maar vonden hem niet. De rest van de oorlog, en vooral de Hongerwinter, stond in het teken van de honger. Wij hadden continu – ook al vóór de Hongerwinter – te weinig eten. Al op jonge leeftijd, toen ik een jaar of vijf was, zwierf ik op straat, soms met zijn broertjes en zusjes. Ik had allerlei ondervoedingsverschijnselen, zoals gebarsten lippen en bloedzweren. Op een bepaald moment zag mijn moeder er geen gat meer in en ze stuurde mij en mijn twee broers Hannes en Tinus - we waren 10, 12 en 14 jaar - weg. Ze kon ons niet in leven houden. Mijn oudste zus was toen al de wijde wereld in.” 

Overlevingsdrang
“Op die voedseltochten op het platteland in de buurt van Den Haag maakte ik van alles mee. Op veel plekken mocht ik slapen of kreeg ik wat te eten. Bij een vrouw mocht ik in bad en ze gaf me schoon ondergoed. Op een avond liep ik te zwerven. Ik was wanhopig, want ik had honger en vond nergens onderdak. Toen herinnerde ik me een hooiberg, waar ik eerder geslapen had. Met mijn laatste krachten sleepte ik me erheen. Bij de hooiberg stond een kinderwagen die me bekend voorkwam. Ik riep voorzichtig ‘Is daar iemand’. Ineens werd ik door een sterke arm de hooiberg ingetrokken. Bleken mijn moeder en jongere broertjes en zusjes daar al te zitten. De overlevingsdrang leidde er toe dat ik dikwijls in mijn eentje op pad ging, want alleen had je meer kans om ergens eten te krijgen. Het was zelfs zo erg dat ik boos werd toen ik op een adres al mijn jongere broertje in de gang zag zitten. ‘Die teringlijer heeft vast alles opgevreten’, was het enige wat ik dacht. Verschrikkelijk hè?”

Drenthe
“In de Hongerwinter vertrokken wij, mijn moeder en een rits kinderen, met een handkar uit Den Haag. Op de brug over de IJssel ontmoetten we mijn vader die de andere kant op ging. Een week later voegde hij zich kort bij ons. Uiteindelijk kwamen we in Gieten-Gasselte in Drenthe aan, waar we in een schaftkeet bij een villa mochten blijven. Daar hebben we tot ver na de Bevrijding gezeten. Er was genoeg te eten. Met een militaire vrachtwagen keerden we terug naar Den Haag.” 

112 Haagse Sinti en Roma
“Van de oorspronkelijke familie van mijn moeder was na de oorlog weinig over. Veel namen staan op de plaquette bij het Monument voor Sinti en Roma, dat in 1990 is opgericht aan de Bilderdijkstraat in Den Haag. Het herinnert aan de deportatie van in totaal 112 Sinti en Roma uit Den Haag. De meeste ken ik. Onder hen is ook Settela Steinbach, het meisje van de beroemde foto in de deuropening van de goederentrein, die uit Westerbork vertrok. Mijn zus Rina heeft een rol gespeeld bij de totstandkoming van het monument. Bij de onthulling was ik met mijn hele gezin aanwezig.” 

De Sinti en Roma waren evenals de Joden groepen waarop de vernietigingsdrift van de nazi's zich richtte. Hitler noemde hen Fremdrassigen (rasvreemden), die uit de volksgemeenschap moesten worden gestoten en uiteindelijk uitgeroeid moesten worden. Doordat de nazi’s geen registratie bijhielden van de moord op de Sinti en Roma, weet men nog steeds niet hoeveel er zijn omgekomen. Als betrouwbaarste schatting wordt een aantal tussen 400.000 en 500.000 genoemd. Op 29 maart 1943 kwam het bevel dat alle Nederlandse Sinti en Roma gedeporteerd moesten worden naar Auschwitz. De SD kondigde de arrestatie en inbeslagname van alle bezittingen af voor 16 mei 1944. Op die bewuste dag, vanaf vier uur ’s morgens, pakten Nederlandse politiemensen en NSB-Landwachten in eerste instantie 578 mensen op. Na enkele dagen werden er 279 vrijgelaten, omdat ze geen zigeuners maar woonwagenbewoners waren. 245 Sinti en Roma (onder hen 147 kinderen) werden naar Westerbork afgevoerd. Drie dagen later volgde transport naar Auschwitz. Enkele wagons gingen naar Buchenwald, Sachsenhausen en Bergen-Belsen. Slechts dertig jongere Sinti en Roma overleefden, omdat ze tewerkgesteld waren in Duitsland.

De familie van mijn moeder is vermoord