4meiOverlay

Wij moesten twee keer evacueren

Piet van Mullekom (1927), Griendtsveen - Limburg

De Limburgse Peel en de Maasstreek zijn in de oorlog belangrijk: de Duitse invasie verloopt langs de Maas en stuit op de Peellinie. In september 1944 gaat de opmars van de geallieerden door dit gebied. De bevolking moet zowel in 1940 als in 1944 evacueren. Piet van Mullekom uit Griendtsveen maakt het beide keren mee: “Mijn ouders moesten met zeven kinderen een veilig heenkomen zoeken. Bij terugkomst waren de dieren dood en het huis vernield.” Al in 1945 werd in Griendtsveen een evacuatiemonument opgericht: ‘We werden opgejaagd, verstrooid en vonden een geschonden Griendtsveen weer’, vermeldt de plaquette.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


Griendtsveen

Piet van Mullekom: Ik was de derde van zeven kinderen. Mijn vader had een tuinderij, een paar koeien, een paard en vijfhonderd kippen. Ons kleine dorpje Griendtsveen was sinds 1939 een garnizoensplaats. Het 27e Regiment Infanterie was er gelegerd, met een afdeling van genietroepen en artillerie. Op diverse plekken in het dorp hadden zij springstof op bomen aangebracht. Bij een invasie moesten die tot ontploffing gebracht worden, zodat de omgevallen bomen de weg zouden versperren. Ik kan me die morgen van de 10e mei 1940 nog goed herinneren: Duitse vliegtuigen vlogen af en aan. Een vliegtuig werd aangeschoten en landde noodgedwongen bij America, een dorp dicht bij Griendtsveen. Diezelfde dag kregen alle inwoners van de Nederlandse militairen een aanzegging te evacueren richting het nabijgelegen Deurne. Wij gingen naar het gehucht Zeilberg, waar ons gezin opgedeeld werd over drie boerderijen. Al op 11 mei trokken Duitse soldaten met paard, wagens en kanonnen langs. De wegversperringen hadden de opmars nauwelijks vertraagd. Na tien dagen van angst konden we terug naar huis. 

Bommen
Die eerste oorlogsjaren verliepen voor ons tamelijk rustig, op enkele incidenten na. In januari 1941 zat ik met vriendjes te kaarten, toen er plotseling een enorme knal klonk. Een Engelse bommenjager liet zijn bommenlast vallen om te ontkomen aan Duitse jagers. De bommen vielen langs ons huis en het dak en mijn slaapkamer werden ernstig beschadigd. Gelukkig was er alleen materiële schade. Mijn twee broertjes lagen namelijk al boven te slapen. De Maas was een oriëntatiepunt voor geallieerde vliegers en de Duitsers hadden veel afweergeschut in de buurt staan. Ze haalden regelmatig vliegtuigen naar beneden, in totaal wel dertig. De overlevende neergekomen piloten werden door het verzet ondergebracht in de Peel. In onze streek doken sowieso veel mensen onder, omdat de Duitsers een hekel hadden aan het moeras. In 1944 vond een voor ons gezin ingrijpende gebeurtenis plaats: mijn vader ontsnapte waarschijnlijk aan de dood. 

Sabotage

Met een kennis fietste mijn vader richting America, langs het kanaal en de spoorlijn. Aan het eind van het kanaal werden ze staande gehouden door een horde Duitse militairen. Die waren per trein op weg richting Duitsland. Op het spoor stonden twee treinen achter elkaar stil. De Duitsers pakten hun fietsen af. Ze werden geschopt en een goederenwagon in gemept. Daarin volgde een ondervraging, over betrokkenheid bij sabotageacties. Intussen had een andere groep Duitsers twee mannen betrapt bij het bevestigen van springstof aan de rails. Zij werden ter plekke met geweerkolven doodgeslagen. Toen dit nieuws in de spoorwegwagon bekend werd, konden mijn vader en de andere man vertrekken.

Nooit meer de oude

Ik werkte in die tijd als hulppostbode. Op het station stond ik te wachten met een postzak. Toen de trein arriveerde sprong de conducteur er uit en vroeg mij aan de politieman van het dorp te gaan melden dat er halfweg Griendtsveen en America twee lijken langs de spoorlijn lagen. Wat ik natuurlijk meteen deed. De dode mannen waren Alfons de Bruin uit Asten en Trinus van de Eijnden uit Zeilberg, die beiden in het verzet zaten. Tot op de dag van vandaag vraag ik me af wat er gebeurd zou zijn als de sabotageactie van de mannen gelukt was. Overigens is mijn vader na deze gebeurtenis nooit meer de oude geworden. 

Weer een evacuatie
In september ’44 dacht iedereen dat de bevrijding nabij was. Maar na Market Garden** duurde het toch nog even. We kregen te maken met repatriërende Duitse militairen, die bij Antwerpen aan de geallieerden waren ontsnapt en onderweg naar huis niet gehinderd wilden worden door burgers. De in de buurt gelegerde Duitsers verdedigden hun stellingen. Op zondag 23 september verordonneerden ze dat alle bewoners van Griendtsveen het dorp moesten verlaten. We vertrokken met wat kleding en eten op een kruiwagen. Uit voorzorg hadden we al een grote kist met kleding in een schuilplaats gebracht, die alleen bereikbaar was over een sloot. Noodgedwongen lieten we de koeien, varkens, kippen en het paard achter, want we dachten dat de evacuatie maar voor enkele dagen zou zijn. Dat werden drie afschuwelijke maanden. 

Uit een huis naar een café in America

In eerste instantie verbleven we met drie andere gezinnen in een leegstaande woning, waarin we van gesneden heide en buntgras bedden maakten. Sanitaire voorzieningen ontbraken. De mannen liepen elke dag naar America om levensmiddelen te halen. We zagen in de verte Duitsers op de Griendtveenseweg. Je hoorde granaten inslaan van de Engelse, Amerikaanse en Canadese troepen, die in de buurt gelegerd waren en voor de Peel tot stilstand gekomen. Na een week vertrokken wij uit het huis. Na een nacht met tachtig andere mensen bij de familie Poels konden we in America terecht in het café van de familie Van Helden. Regelmatig zagen we daar ons paard langskomen, voor een koets met hoge Duitse militairen. Dikwijls vonden mortieraanvallen plaats. Op 12 oktober voerde de Canadese luchtmacht bombardementen uit op America en Horst. Wij vluchtten de kelder in. Na afloop bleek dat de molen van de buurman door een voltreffer was geraakt. Een van de molenstenen was gelanceerd en had zich een weg gebaand door het dak van Van Helden, om op vijftig centimeter van de schuilkelder in te slaan. Daar zaten wij met elf man. De dag erna, 's morgens om acht uur, werd America door granaatvuur bestookt. Een van de granaten sloeg op vijftien meter van mij in. 

In een smederij

Daarna verbleven we nog op een boerderij, met vijftig anderen. Na enkele weken daar moesten alle aanwezigen, inclusief de bewoners zelf, het veld ruimen voor de Duitsers. Weer gingen we op pad en vonden onderdak in een smederij. Vanuit een zolderraam zag ik vele tientallen mannen door de Duitsers weggevoerd worden, ook mannen uit Griendtsveen. Zij waren opgepakt bij razzia’s en werden naar Duitsland gedeporteerd om te werken. Vrouwen renden langs de rijen, op zoek naar hun man of zoon. Ik moest ook steeds alert zijn op Moffen, want ik was inmiddels oud genoeg voor dwangarbeid in Duitsland. 

Dankbaar

Steeds vaker moesten we de schuilkelder in voor granaataanvallen. Dag en nacht ging het door, tot we eind november bevrijd werden door de geallieerden. Als gekken renden we ze tegemoet. Ik kreeg twee sigaretten van een Engelse soldaat. Mijn vader en ik werden er duizelig en ziek van. Begin december ging ik met mijn vader en twee jongere broers te voet terug naar Griendtsveen. In het kanaal dreef een dode Duitse soldaat. Thuis aangekomen waren andere mensen dakpannen van onze kippenhokken aan het halen. We hadden ze zelf hard nodig, want drie voltreffers hadden het dak van ons huis grotendeels vernield. In totaal telden we op ons land van 376 are meer dan vierhonderd granaatgaten. Veel dieren lagen met hun poten omhoog op het veld. De kleren die wij hadden verstopt, waren weg. Na verloop van tijd hervond het leven in ons dorp weer zijn gang. Alle opgepakte mannen kwamen gelukkig terug uit Duitsland. Later realiseerde ik me pas hoe gevaarlijk alles in die tijd was. Mijn ouders hebben doodsangsten uitgestaan, want ze moesten met zeven kinderen een veilig heenkomen zoeken. Ik ben de mensen die ons onder moeilijke omstandigheden onderdak hebben geboden nog altijd enorm dankbaar.

Wij moesten twee keer evacueren