4meiOverlay

Die dertien maanden verdwijnen nooit meer uit je gedachten

Job van der Linden (1919-2012), Hardinxveld - Zuid-Holland

Wagons met chemisch afval lossen in de buurt van Leipzig op een bord waterige knollensoep. Job van der Linden (1919-2012) wordt bij een vergeldingsrazzia in 1944 opgepakt. Met nog 900 andere jonge mannen komt hij in Kamp Amersfoort terecht. Vandaar gaan ze naar kampen in voormalig Oost-Duitsland. Ook Van der Linden. Veertig kilo weegt hij als hij na de oorlog gebroken terugkomt. Nachtmerries en maagzweren heeft hij eraan overgehouden. In Sliedrecht en Hardinxveld herinneren plaquettes aan de plek waar hij en de andere 900 jongens zijn weggevoerd.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel
Van de oorlog merkte je niet veel
"21 was ik in 1940. Ik woonde in Boven-Hardinxveld. Van de oorlog merkte je niet veel. Er waren Duitse soldaten ingekwartierd in grote huizen en cafés, maar over het algemeen was het rustig. In mei 1944 werkte ik bij een bouwmaterialenhandel in Gorinchem. Elke morgen om 6 uur ging ik in mijn oude overall en op klompen de deur uit. Op 16 mei was ik iets later. Klokslag zeven uur begon toen de razzia. Overal waar je keek zag je Duitse SS'ers en foute Nederlanders. Bij elke trap over de dijk stonden ze. Er was geen ontkomen aan."

Waarom die razzia?
Die razzia op 16 mei 1944 in Sliedrecht, Giessendam, Hardinxveld, Sleeuwijk, Werkendam en de Biesbosch was een vergeldingsactie van de Duitsers. Een knokploeg uit Sliedrecht wilde wraak nemen op de moord op een onschuldige bakker uit Giessendam, Wouter Smit. Tijdens een vuurgevecht vielen er doden aan de kant van de landwacht. Een reactie van Duitse zijde kon niet uitblijven. Op 11 mei namen ze elf prominenten in gijzeling. Maar kennelijk was dat niet genoeg. Vandaar de razzia.

Kampbaas Kotälla was een echte beul
"Ik moest mee, maar had geen idee wat me te wachten stond. Ze brachten me naar het schoolplein dat vol stond met jongens zoals ik. In Sliedrecht gebeurde hetzelfde bij de kerk. Daarvandaan werden we 's avonds naar Kamp Amersfoort vervoerd. De volgende dag hoorde je pas dat je in Amersfoort was. We belandden in slechte omstandigheden. Als er iets gebeurde, lieten ze je twee dagen op appel staan, zonder eten of drinken. Je mocht niet eens naar de wc. We kregen nauwelijks te eten. Kampbaas Kotälla was een echte beul. Hij liet zijn hond een pan soep met dikke stukken vlees leegvreten, terwijl wij hongerig moesten toekijken. Het enige lichtpuntje was een pakket van het Rode Kruis, eens per veertien dagen, met wat te eten en een half pakje shag."
 
In tentjes van hardboard
"Mijn vader kreeg bericht dat hij een koffer moest komen brengen in Amersfoort. Mijn ouders moesten speciaal een koffer aanschaffen, want arbeiders gingen niet op reis. Toen besefte ik dat ik niet snel thuis zou zijn en dat Amersfoort ook voor mij een 'Durchgangslager' werd. Met een gewone passagierstrein vertrokken we naar Duitsland. Als oudste kreeg ik de verantwoordelijkheid voor de coupé. Als er een van de tien medegijzelaars zou vluchten, zou ik doodgeschoten worden. Niemand ontsnapte. We kwamen aan in Halle en vertrokken een dag later naar Peres, in de buurt van Leipzig. Van gijzelaar werden we 'Arbeits Entziehungs Häftling', werkweigeraar in gevangenschap. Op ons groene werkpak stonden de letters AEH. In het kamp 'De Kippe' sliepen we met zestien man in tentjes van hardboard. Als het regende moest je het dak vasthouden. Dekens had je niet en je gebruikte je koffer als hoofdkussen. Als varkens lagen we in het stro. Overdag moesten we wagons met chemisch afval lossen, ontzettend vies werk. Eens per vierentwintig uur kreeg je een bord waterige knollensoep met een stukje brood. De Duitsers hadden toen zelf overigens ook niet veel eten meer." 

Ineens was er geen Duitser meer te bekennen
"Een keer ben ik letterlijk aan de dood ontsnapt: met een man of wat moesten we ontluisd worden, in een speciale ruimte. Daar stonden we spiernaakt en kregen een soort chemisch spul over ons heen dat ons de adem benam. Door een raam kapot te slaan en elkaar te helpen ontkomen, hebben we het overleefd. Het was een gaskamer, realiseerde ik me later. Ik was er tegen het eind van de oorlog slecht aan toe, woog nog maar 40 kilo en had hongeroedeem. Ik kon niet meer werken. Het front kwam dichterbij. Vlak voor de bevrijding waarschuwde iemand me dat mijn naam op een lijst van ongewenste personen stond, waarschijnlijk vanwege werkweigering. Ik ben toen 's nachts over het prikkeldraad geklommen en heb de benen genomen. Bijna een week heb ik alleen in een schaapskooi gezeten, tot een Duitse soldaat me ontdekte. Ik dacht dat het gebeurd was. Hij nam me mee naar een verzamelplaats in het dorpje Oudegast, bij Leipzig, waar uit de hele omtrek gevangenen zaten. Het was begin april. Ineens waren we de dag erna bevrijd en was er geen Duitser meer te bekennen."

Derderangsburgers
"Nog vijf weken heb ik in een bioscoop gebivakkeerd, waarna we op open vrachtwagens terug naar Nederland gingen. We werden naar Kamp Amersfoort gebracht, waar we - schandalig genoeg - als derderangsburgers werden ontvangen. Ik had een Duitse militaire jas, tegen de kou, maar moest die afstaan, net als achttien Duitse Marken. Je werd er aan je lot overgelaten. Ik regelde zelf een lift naar huis met een Rode Kruis-auto. In de middag van 6 juni 1945 arriveerde ik thuis, berooid en meer dood dan levend. Er werd niet naar je omgekeken en ik was te zwak om te werken." 

Nooit meer
"Tussen mijn veertigste en zestigste had ik veel last van nachtmerries en was ik 's nachts aan het spoken. Alles uit Duitsland kwam terug. 's Ochtends werd ik gebroken wakker. Door de stokslagen is mijn rug beschadigd. Later kreeg ik maagzweren van de emoties, maar ik prijs me gelukkig dat ik het overleefd heb. Een hoop mannen zijn in Duitsland omgekomen of net na terugkeer. 'We hebben het hier beter dan in Peres', zei Bas Egas, een andere nog in leven zijnde Merwedegijzelaar uit Hardinxveld tegen me. Die dertien maanden verdwijnen alleen nooit meer uit je gedachten."

Gerelateerde links

Die dertien maanden verdwijnen nooit meer uit je gedachten