4meiOverlay

Vol onmacht in Hitler's Herrengefängnis

Max Kohnstamm (1914-2010), Haaren - Noord-Brabant

Al in 1939 waarschuwt Max Kohnstamm (1914-2010) zijn medestudenten voor de gevaren van het fascisme. Dat komt hem duur te staan: hij "leert de hel kennen" in Kamp Amersfoort. In juli '42 volgt gevangenschap als civiel gijzelaar in Haaren en later Sint-Michielsgestel. Hij verblijft daar tot september '44, in voor de oorlog luxe omstandigheden. Overigens tot Kohnstamms grote ergernis, want hij kan vanuit het kamp niet bijdragen aan de strijd tegen het nazisme. Acht gijzelaars uit Haaren worden door de bezetter gefusilleerd. 'Blijft waakzaam, eens is genoeg', staat op de poort van Haaren.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel


Het gevaar van wereldhegemonie lijkt voorbij 

"Mijn vader was van Joodse afkomst. Als jongen was hij vanuit Duitsland in Nederland terechtgekomen. Hij had als fysicus nog veel contacten in Duitsland. Ik was de vijfde van zes kinderen in een protestants gezin. Mijn oudere zus woonde in de jaren dertig in Duitsland. Ze was getrouwd met een sociaal-democraat die onmiddellijk ontslag nam toen Hitler aan de macht kwam. Wij waren zodoende goed op de hoogte van de ontwikkelingen in Duitsland en mijn vader maakte deel uit van het Comité van Waakzaamheid*. Vanaf 1937 was ik rector van het Amsterdamse studentencorps. Uit Amerika, waar ik als student enige tijd verbleef, schreef ik brieven met mijn vader, vooral over de dreiging van oorlog. Begin '39 sprak president Roosevelt zich in de State of the Union** zeer duidelijk uit als vijand van het nationaalsocialisme. Mijn vader schreef me toen in een brief: 'Weliswaar is het mogelijk dat we door de Duitsers aangevallen worden, maar het gevaar van een wereldhegemonie van Hitler lijkt voorbij'."

Wakker schudden
"Nederland was in 1940 absoluut niet voorbereid op oorlog. Wij hadden het gevoel dat we de mensen wakker moesten schudden, ook over het feit dat er met de bezetter niet te onderhandelen viel. Dat de bezetting zou leiden tot de Holocaust voorzagen we op dat moment niet. Twee zusters van mijn vader zijn omgebracht in Auschwitz. De studentencorpora probeerden studenten bij elkaar te krijgen. Het ontslag van de Joodse professor Meijers, een van de bekendste juristen van Nederland, leidde tot de stakingen in Delft en Leiden. In Amsterdam kwam het zover niet, maar wij organiseerden lezingen in de aula van de universiteit ter verdediging van de Nederlandse cultuur. In de gesprekken met het bestuur van de universiteit werd ons afgeraden te staken want het zou onherroepelijk leiden tot het Duitse bevel de universiteit te sluiten. Als compromis mocht ik een lezing houden en daarin citeerde ik uit diverse coupletten van het Wilhelmus. Mijn naam kwam op een zwarte lijst."

Het begin van veel meer ellende
"In 1940 werd de eerste anti-Joodse maatregel van kracht: ze mochten niet meer deelnemen aan de vrijwillige brandweer. Wij realiseerden ons terdege dat dit het begin was van veel meer ellende. De politieke partij De Nederlandse Unie werd opgericht, waarvan ik lid werd, maar ik trad in het najaar van ’40 uit omdat de partij weigerde te protesteren tegen Duitse wetten tegen homoseksuelen. Men dacht dat er nog iets te redden viel. In 1941 werd de Unie verboden door de Duitsers. Het Amsterdams Studentencorps hief zichzelf op, omdat Joden niet langer lid mochten worden. De studentensociëteit zou door de Duitsers worden gevorderd, dus we stookten de meubels op en sloopten de snaren - 'geef jij me de hoge C eens' - uit de piano."

Op transport naar Kamp Amersfoort
"Eind 1940 ging het gerucht dat ik tewerkgesteld zou worden, maar ik dook niet onder en werd niet opgepakt. Begin 1942 vond een aanslag plaats op een NSB-studentenhuis in Amsterdam. Daar had ik niets mee te maken, maar Amsterdam werd vervolgens gestraft met de arrestatie van zeventig inwoners, van wie ik er een was. Het was een groep van min of meer vooraanstaande lieden, zoals leraren, de rector van het Amsterdams Lyceum en de latere professor Arie den Hollander. We werden op transport gesteld naar Kamp Amersfoort. Ik ging ervan uit dat we daar tot in lengte van dagen zouden verblijven. In Amersfoort leerde ik de hel kennen. Het is verbijsterend wat andere mensen je kunnen laten doen. Als je je zelfachting kwijtraakt is het gebeurd met je. Naast de kampbewakers waren er felle communisten, vaak barakhoofden, die absoluut geen mededogen hadden met ons, die zij als kapitalistische jongens zagen. Er waren ook leden van een kleine, links-socialistische organisatie, de Onafhankelijke Socialistische Partij. Dat waren vaak boerenknechten, en prachtkerels. Zij hebben mij tijdens een dysenterieaanval verzorgd. Op Hitlers verjaardag in 1942, 20 april, werden we vrijgelaten. Ik was in drie maanden 25 kilo afgevallen."

Met zeshonderd man naar Haaren
"Kort erop volgde de tweede arrestatie, door de Nederlandse politie. Het leek me minder gevaarlijk dan Amersfoort, want ik mocht een scheerapparaat meenemen. Via het politiebureau in de Euterpestraat werden we met zeshonderd man naar Haaren in Noord-Brabant gebracht. In Sint-Michielsgestel, dichtbij Haaren, was al een apart kamp waar sinds 1940 de zogenaamde Indische gijzelaars*** verbleven. In Haaren waren wij nieuw."

Eindeloze stroom brieven
"Vlak voor mijn arrestatie had ik Kathleen leren kennen. Per brief uit Haaren vroeg ik haar ten huwelijk, waarin zij toestemde. Deze beginnende liefde, soms een verlofdag, en de eindeloze stroom brieven en pakjes hielden me geestelijk op de been. Officieel mocht je niet schrijven, maar in het wasgoed dat naar huis ging waren altijd brieven ingesloten. Om twee redenen voelde ik me een buitenstaander in het gijzelaarskamp. Ten eerste was het verschil met Kamp Amersfoort zo levensgroot. Daar moest je je leven continu verdedigen en had alles een felheid, zowel genot als ellende. Ik vergeleek Haaren met de schrijfzaal van een Zwitsers hotel op een regenachtige dag. Ik schreef aan Kathleen dat het moeilijk was niet te versuffen en te vervetten in Hitlers Herrengefängnis. Overigens werden we in het begin bediend door communisten die ik uit Amersfoort kende. Van de haat en nijd in Amersfoort was in Haaren geen sprake meer." 

Het echte leven buiten
"Ik voelde me ook een buitenstaander in vergelijking met andere gijzelaars, die in mijn ogen alleen met de maag leefden. Brugmans, Hans Homan en dominee Van Bruggen werden goede vrinden. Er waren in de eerste maanden grote spanningen, tussen katholieken en protestanten, later minder. Ik kon er slecht tegen dat het echte leven zich buiten afspeelde en wij gedwongen waren op afstand toe te kijken. Omstreeks kerst 1943 werd een derde vrijgelaten en daarna steeds andere groepen. Je hoopte er bij te zijn. Op een verzoek tot vrijlating van mijn schoonvader konden de Duitsers niet ingaan - zo vernam ik na de bevrijding, toen een briefje uit de brandkast van de Euterpestraat boven water kwam - want ik was volgens de Duitsers 'absolut anti-nationaalsocialistisch en anti-Duits'."

In welstand gevangen
"Je mocht in Haaren vrij rondlopen in de tuin. Er was een tennisbaan. Het is een zot verschijnsel om in welstand, met jenever, bridge, pakjes en in de zon in een mooi park gevangen te zitten. Het moeilijkste was om te accepteren dat vrinden en familie, mijn verloofde, eigenlijk iedereen buiten in moeilijke omstandigheden verkeerde, en dat je daar niets aan kon doen. Ik weet niet of mijn zenuwen eventueel berekend waren op verzetswerk, maar de onmacht in Haaren was een crime."

Gefusilleerd
"Het was relatief rustig in Haaren. In augustus 1942 zijn daar de eerste vijf gijzelaars gefusilleerd, als vergelding voor sabotage van de spoorbrug in Rotterdam. Als de verantwoordelijken zich niet zouden melden, zouden gijzelaars gefusilleerd worden en zo gebeurde het ook. Wij zaten daar als kerstkalkoenen. Je voelde de constante dreiging. Als er iemand van ons zou ontsnappen, zou eveneens vergelding volgen. Toch liep er maar een keer iemand weg, omdat hij in direct levensgevaar verkeerde. Zijn vlucht vond iedereen acceptabel. Twee maal zijn mensen weggevoerd om gefusilleerd te worden, in augustus en oktober 1942."

De laatste groep
"Van de 1.200 oorspronkelijke gijzelaars waren er nog ongeveer twintig over, naast nieuw aangevoerde gijzelaars, zoals een paar burgemeesters uit Zeeuws-Vlaanderen, rechtschapen prachtkerels. Het bracht een enorme toevloed aan eten teweeg, dat zij opgestuurd kregen. Als Kathleen op bezoek kwam, nam ze Zeeuwse paling mee naar huis. Ze hield dit goed verborgen, want ze was bang dat men zou denken dat ze een moffenmeid was. Na Dolle Dinsdag werd het restant aan gijzelaars naar Kamp Vught overgebracht. We gingen te voet, maar bewaakt. Ik was niet doodsbang, want ik veronderstelde dat de oorlog bijna afgelopen was. Vught was al leeg en beangstigend stil. De gevangenen waren na een appel plotsklaps weggevoerd. Ik vond in de barakken onder kussens allerlei persoonlijke spullen terug. Elke dag mochten er tien van ons vertrekken. Ik was bij de laatste groep. Het is krankzinnig om in een leeg concentratiekamp te verblijven, waar de herinneringen van de bewoners aan de muren kleven."

Vorm van wetteloosheid
"Terug in Amsterdam kwamen Kathleen en ik de Hongerwinter redelijk door. Van de bevrijding is het aanzicht van moffenmeiden me altijd bijgebleven. Ze werden in de Pijp kaalgeschoren. Ik vond deze publieke terechtstelling zonder proces vreselijk, want het was een vorm van wetteloosheid. Het verschijnsel haat en wetteloosheid, later ook tegenover het gehele Duitse volk, heeft mij altijd tegengestaan. Ik zag vlak na de oorlog in Duitsland de kinderen door het puin kruipen."

De samenwerking met Duitsland
"Nederland had na de oorlog een economisch welvarend Duitsland nodig, was mijn stellige overtuiging. Churchill zei ooit dat we 'needed a fat Germany', maar 'impotent'. Ik schreef in 1949 een artikel over de noodzaak tot economische samenwerking met Duitsland die een dusdanige binding moest creëren dat oorlog voorgoed uitgebannen zou zijn. Daar heb ik me in mijn verdere leven voor ingezet." Als grondlegger van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal staat Kohnstamm eveneens aan de basis van de Europese Unie.

Comité van Waakzaamheid: Nederlandse intellectuelen als schrijver Menno ter Braak en dichter Eddy du Perron richtten in de jaren dertig het Comité van Waakzaamheid op tegen het opkomend nationaalsocialisme; 

** 
State of the Union: de jaarlijkse toespraak van de president van de Verenigde Staten tot de leden van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden en de Senaat over de staat van het land. De toespraak is vergelijkbaar met de Nederlandse Troonred;

*** Direct na de capitulatie van Nederland werden in het niet-bezette Nederlands-Indië alle aanwezige Rijksduitsers uit voorzorg geïnterneerd, onder slechte omstandigheden. Als represaille werden in Nederland in juli 1940 230 Indische verlofgangers opgepakt; zij werden getransporteerd naar Buchenwald en Ravensbrück (de vrouwen). In september 1940 volgde een tweede groep van iets meer dan honderd personen, onder wie Willem Drees, Marinus van der Goes van Naters en nog enige vooraanstaande Tweede-Kamerleden, alsmede generaal Roëll. Deze twee groepen staan bekend als de "Indische gijzelaars". Velen zouden tot aan de bevrijding geïnterneerd blijven. In het kader van deze interneringen werden eveneens lijsten opgesteld voor gijzeling bij gelegenheid; dit betrof min of meer bekende Nederlanders die een opinievormende, politieke of economische rol gespeeld hadden, zoals ook Kohnstamm.

Vol onmacht in Hitler's Herrengefängnis