Adopteer een monument

Herdachte groepen: Vervolgden Nederland
Onthulling: 25 april 2003
Adopteer dit monument.

Elsloo, 'De Landweer'
Kamp De Landweer

Het monument

Vorm en materiaal
Het monument 'De Landweer' in Elsloo (gemeente Ooststellingwerf) is een glazen gedenkplaat, gevat in twee gebogen palen van beton. Boven de tekst bevindt zich een davidster.

Tekst
Op de gedenkplaat is een tekst van Jacqueline van der Waals aangebracht:

'GEEF MIJ DE MOED OM ONRECHT TE ONDERKENNEN
OOK WAAR 'T DOOR EEUWEN VAN GEBRUIK GEWETTIGD WORDT,
OOK WAAR DE MACHT, HET WEG TE NEMEN, SCHORT.'

Hieronder wordt in het kort de geschiedenis van de joodse werkkampen uiteengezet.

Locatie niet correct? Geef een verbeterde locatie door.

De geschiedenis

Het monument 'De Landweer' in Elsloo (gemeente Ooststellingwerf) is opgericht ter nagedachtenis aan de joodse dwangarbeiders van dit werkkamp.

In 1942 waren in Nederland vijftig joodse werkkampen gevestigd. De kampen waren het voorportaal van Westerbork en zijn negen maanden in gebruik geweest. Kamp De Landweer bij Elsloo was daar één van. In elk kamp verbleven 150 à 200 mannen tussen de 18 en 65 jaar. De kampen lagen in afgelegen gebieden in Drenthe en Friesland, ver weg van de Randstad, waar de meeste joden woonden. De weerbare mannen werden zo geïsoleerd. De bezetter maakte gebruik van een infrastructuur die er al lag. In de jaren dertig waren de kampen gebouwd in het kader van de werkverschaffing. Om ophef te voorkomen, deed de bezetter er alles aan om het samendrijven van joodse mannen op iets soortgelijks te laten lijken. De mannen moesten heide omspitten of wegen aanleggen onder leiding van dezelfde organisatie als voor de oorlog: de Rijksdienst voor de Werkverruiming. Het toezicht op het werk was in handen van de Nederlandsche Heidemaatschappij en ook in het kamp zelf hadden Nederlanders het voor het zeggen.

Aan het begin van 1942 waren de kampbewoners nog redelijk vrij. De mannen hielden bonte avonden en mochten door het dorp wandelen. Het regime in de kampen werd gaandeweg 1942 strenger. Er kwam minder eten. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 (tijdens Jom Kipoer) moesten de mannen van alle vijftig kampen halsoverkop weg. Op hetzelfde moment werden hun vrouwen en kinderen uit huis gehaald. Zo belandden in één nacht ruim tienduizend joden in Westerbork. Vervolgens werden zij omgebracht in de gaskamers van Auschwitz en Sobibor.

Oprichting
De oprichting van de gedenktekens was een initiatief van de Stichting Joodse Werkkampen in Friesland en Drenthe.

Onthulling
Het monument is onthuld op 25 april 2003 door Ben Pijnappel uit Amstelveen. Het gedenkteken is hetzelfde als dat voor de kampen Diever A en Diever B te Oude Willem, Ybenheer te Fochteloo en It Petgat te Blesdijke.

Bronnen

  • De Volkskrant van 25 april 2003 en uit krantenartikel Leeuwarder Courant van 26 april 2003;
  • www.oorlogsmusea.nl.


Voor meer informatie

Jodenkampen, Niek van der Oord (2003), uitgeverij Kok, ISBN 9043506419.

Herdenking aanmelden

Op 4 mei vindt de Nationale Herdenking plaats en wordt er in heel Nederland herdacht. Daarnaast zijn er door het jaar heen herdenkingen waar specifieke groepen slachtoffers of bijzondere gebeurtenissen worden herdacht, zoals de Indiëherdenking op 15 augustus en de Nationale Holocaust Herdenking (laatste zondag van januari).
Wij brengen al deze herdenkingen onder in de herdenkingskalender. Alle herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog en oorlogssituaties en vredesoperaties daarna in Nederland kunt u aanmelden.
Er is nog geen herdenking bij dit monument aangemeld. Dat kunt u hier doen.

Daar gaat Pijnappel

Ben Pijnappel, Elsloo - Friesland

Ben Pijnappel is marktkoopman als de oorlog uitbreekt. Opeens mag hij alleen nog op een speciale Jodenmarkt verkopen. Hij moet als dwangarbeider naar een werkkamp in Friesland. Een rauwe tijd breekt aan. Er is bijna niets te eten. De kampgenoten helpen elkaar waar het kan. Een boer zorgt in het geheim voor extra eten. Ben wordt verliefd op zijn dochter. Stiekem zoekt hij haar op. Hij wordt gezien en moet onderduiken. Zo ontkomt hij maar net aan de overplaatsing naar een strafkamp of erger. Bijna al zijn kampkameraden komen uiteindelijk om in vernietigingskampen.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel

Nooit genoeg eten
"Mijn vertrek naar Elsloo werd door de strenge winter van '41-'42 uitgesteld tot maart '42. Wij waren in het kamp met 150 man, voornamelijk jongens van in de twintig. Een enkele man van 65. Die vonden wij oud. We moesten de heide omspitten, een fietspad aanleggen of bos aanplanten. De blaren op je handen. Niemand was dit werk gewend. Ik sliep in een barak met dertig jongens. We kregen te eten, maar nooit genoeg. In het begin mochten we op zondag op de weg wandelen. Zo kwamen we in contact met de boeren in de omgeving. Het was ook nog toegestaan om brieven en pakjes te ontvangen. Mijn zuster stuurde elke dag een voedselpakket. Er waren ook jongens die niets toegestuurd kregen. In onze barak hadden we een communistisch systeem: wij deelden álles. Een brood werd gemeten. Degene van wie het pakket was, kreeg een paar sneetjes meer."

Piekmarie
"Op een bepaald moment mochten we het kamp niet meer uit. Toen zaten we dus echt achter het prikkeldraad. Pakketten ontvangen werd verboden en Leiden was in last. Gelukkig was een groot aantal boeren in de omgeving bereid om pakjes te ontvangen. Officieel mocht je ze natuurlijk niet gaan halen. Maar jongens uit mijn barak hadden contact met de familie De Vegt. Mijn pakketten gingen daar ook naar toe, met als afzender de schuilnaam Piekmarie. Mijn zuster stuurde dikwijls een cadeautje mee voor de familie, een doos sigaren of een flesje eau de cologne. De boer en zijn vrouw wilden wel eens zien wie die malloot was voor wie er elke dag een pak kwam. Op een dag ging ik mee op bezoek en ontmoette de dochter, Anke. Het was meteen gebeurd met me."

Gamellen met pap

"Door greppels met hoog gras slopen we naar de boerderijen. De opzichters van de Heidemaatschappij knepen dikwijls een oogje toe. Dat waren bijna allemaal geschikte lui. Als we te lang wegbleven gingen zij voor ons staan scheppen. Ik ging elke dag naar de boerderij om Anke te zien. Ankes broer nam een boodschappenlijstje en bonnen mee naar Oosterwolde, waar hij op school zat, en kwam 's middags terug met bestelling. Toen het eten nog slechter werd, brachten Ankes vader en broers 's avonds gamellen met pap. Zij begroeven die in een keet, net buiten het kamp. Zij hadden een sleutel, wij ook. Op een avond heb ik de witte binnenkant van de deur bruin geschilderd, zodat je in het donker moeilijk kon zien dat de deur geopend werd.'s Morgens, als we naar het werk gingen, vonden wij pap voor twintig mensen. De lege gamellen gingen daarna weer in de grond."

Brieven
"Door de brieven van mijn familie en van vrienden was ik op de hoogte van het verloop van de oorlog. Ze schreven over inkwartiering, over de betrokkenheid van de Joodsche Raad en over mensen die waren weggehaald. Bij elke boer lagen kranten, ook al waren die niet betrouwbaar." In het boek Jodenkampen zijn veel brieven aan Ben opgenomen. Zo schrijft zwager Jaap van der Sluis: 'Er is hier in Amsterdam een zeer gedrukte stemming. Bijna alles onder de 40 wordt afgeroepen. Ze zijn nu aan de letter E. Nu: Van Embden, vrouw en broer en vrouw zijn opgeroepen. En verder zo velen. Maar afwachten en de kop koel houden, hoewel dit zeer moeilijk is.' Ben Pijnappel: "Alle brieven zijn bewaard, maar ik kan het handschrift van mijn moeder nu niet meer ontcijferen."

Daar gaat Pijnappel
"Op zeker moment werd ons werkterrein verplaatst en moest ik de weg oversteken om bij de boerderij van Anke te komen. De ingang van het kamp lag aan dezelfde weg. Op een kwade dag zag de vrouw van kampcommandant Hekkema mij de weg oversteken. Ze herkende me aan mijn blauwe werkhemd: 'Daar gaat Pijnappel'. Een foute marechaussee uit Appelscha vergezelde haar om naar me op zoek te gaan, maar ze konden me niet vinden. Wel ontdekten ze kaas en worst. Het zat ze niet lekker. Iedereen moest terug naar het kamp en werd gefouilleerd. De leiding gooide het ontdekte voedsel in de soep, want 'dan hadden we allemaal wat te eten'. Hekkema dreigde de SS uit Assen op te roepen als de smokkelaar zich niet bekend maakte."

Geintje
"Ik meldde me, want met de praktijken van de SS zouden de eerste drie ondervraagden niks zeggen en doodgeslagen worden en de vierde doorslaan, zo verklaarde ik Hekkema. Hij antwoordde daarop dat het dreigement slechts een geintje was geweest. Ik zei hem dat ik niet van zulke geintjes hield. Vervolgens moest ik in de strafput aan het werk. Daarin stond je ook te spitten, maar met je voeten in het water. Op woensdag zou besloten worden wat er verder met me ging gebeuren. Het ergste wat je kon overkomen was overplaatsing naar strafkamp Blesdijke. Vrienden uit Amsterdam werden gewaarschuwd en lieten een kostuum bezorgen. Ook huurden zij op verzoek van mijn zwager en zus een huisje, in Speuld op de Veluwe. In de nacht voor de bewuste woensdag ben ik ontsnapt. Dat was een gelukkige dag, zeg ik altijd."

Een hol in het stro
"Ik deed net of ik buikloop had en met medeweten van de wacht was ik steeds uit bed richting wc. Kamergenoot Eli Englander had de dekens in de vorm van een pop in mijn bed gelegd. Tijdens de ronde van de wacht ben ik over het prikkeldraad geklommen. Om half vier 's nachts stond ik steentjes tegen de ramen van Ankes boerderij te gooien. Daar heb ik een dag of veertien in een hol in het stro gelegen, totdat de zoekacties naar mij op de stations van Assen en Steenwijk gestaakt waren. Ze zijn niet bij De Vegt komen zoeken. Niemand in het kamp heeft wat gezegd. Iedereen had wel een adres en dat mocht niet bekend worden. Met de fiets ben ik via Assen en Zwolle in Ermelo terechtgekomen. Pieksma, een vriend uit Amsterdam die in het verzet zat, bracht me naar Speuld."

Aardappels rooien
"Meer jongens in het kamp hadden plannen om de benen te nemen. Vlak nadat ik was gevlucht, moesten de jongens aardappels gaan rooien. 'Zo lang we aardappels rooien gebeurt er niks', hadden wij in het kamp altijd geredeneerd, want dan hadden ze ons immers nodig. Dat bleek een misrekening. De Landweer werd op 2 oktober ontruimd en de meeste jongens zijn snel daarna vermoord in Auschwitz en Sobibor."

In een hoekje op een stoel
"Het huisje in Speuld was voor drie maanden gehuurd, want we gingen ervan uit dat de oorlog dan wel afgelopen zou zijn. Dat bleek niet het geval en mijn zwager vroeg de eigenaar de huur te verlengen. Maar deze antwoordde: 'U kunt wel Israëlieten wezen'. Het was duidelijk dat we daar snel weg moesten. Weer met hulp van Pieksma ben ik via Zwolle naar de boerderij van Ankes familie in Elsloo getreind en gefietst. Mijn moeder, zogenaamd een oude dame uit Enschede die rust nodig had, logeerde daar al. Vanaf oktober '42 tot de bevrijding in '45 heb ik overdag in een hoekje op een stoel gezeten. De arbeiders kenden mij en hoefden niet te weten dat ik was ondergedoken. Een keer dreigde een bezoek van de Grüne Polizei en heb ik twaalf uur in een schuilplaats onder de vloer gelegen. Het was eigenlijk de enige schrik die we hebben gehad."

Persoonsbewijzen
"Mijn zwager en zuster zijn in '43 door Pieksma over de Afsluitdijk naar Friesland gebracht en later ook op de boerderij terechtgekomen. Hun zoontje was toen al een jaar bij ons. Mijn nichtje was elders ondergedoken. We hadden eerst gevonden persoonsbewijzen. De heer Winnubst van het Bevolkingsregister in Amsterdam zorgde later voor echte persoonsbewijzen, compleet met originele vingerafdrukken. Ik werd tuinder Jacobus Smit van de Slatuinenweg in Amsterdam. Mijn moeder was Trijntje Smit-Heinsius, mijn zwager heette Waardenburg en mijn zuster mevrouw Raske. Met deze namen waren we ook in het Bevolkingsregister opgenomen en we verhuisden officieel van Amsterdam naar Friesland. Mijn moeder woonde al op de boerderij. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe fantastisch de inzet van Winnubst voor ons is geweest. Alle mannen kregen een originele stamkaart. De vrouwen hadden hun stamkaarten, waarvan de nummers op de persoonskaarten vermeld waren, zogenaamd verloren. Met de hulp van het plaatselijke verzet, dat een 'officieel' proces-verbaal van het verlies had opgemaakt, ontvingen zij nieuwe stamkaarten. De kaarten gaven ook recht op alle bonnen. Ik woonde zogenaamd in IJlst in Friesland. Anke fietste naar IJlst om de bonnen op te halen." Anke Pijnappel: "Gelukkig later maar eens per twee maanden. Het was wel ver op de fiets. Toen er zoveel evacués uit Limburg naar Friesland kwamen, werd op ons ook een beroep gedaan, want onze boerderij was groot genoeg. Maar we hadden geen plaats omdat mevrouw Smit, de heer Waardenburg en mevrouw Raske al bij ons in huis woonden."

Monument De Landweer
"Het monument bij De Landweer is op initiatief van de Stichting Joodse Werkkampen Friesland en Drenthe tot stand gekomen. In eerste instantie hoefde een monument voor mij niet zo. Bij nader inzien vind ik het wel belangrijk dat het er staat. Niet 'ha fijn, hier was een kamp', maar misschien dat mensen zich realiseren wat er gebeurd is als ze er langs lopen. Het is belangrijk dat men weet wat zich heeft afgespeeld, zodat het zich hopelijk nooit meer zal herhalen. Je moet het zien als een memento mori. Ik mocht het monument in 2003 onthullen, als één van de slechts enkele overlevenden."

Bron: 

  • Niek van der Oord, Jodenkampen, (Uitgeverij Kok, Kampen, 2003).
Daar gaat Pijnappel

Persoonlijke bijdragen van onze bezoekers

Heeft u een persoonlijk verhaal met betrekking tot dit monument en/of de geschiedenis waarnaar deze verwijst? Deel uw verhaal hier en help ons de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend te houden.

Let op: wilt u een wijziging voor deze monumentpagina (bijvoorbeeld een correctie of aanvulling) doorgeven? Neem dan contact met ons op.

Heeft u een vraag of wilt u ons iets melden? Kijk bij de veel gestelde vragen of stuur ons een bericht