4meiOverlay

Een verleden dat niet voorbij wil gaan


Monumenten zijn speciaal opgericht om de herinnering aan personen en gebeurtenissen levend te houden. De gedenktekens die verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog nemen in Nederland een bijzondere plaats in vanwege hun enorme aantal en omdat ze over het hele land verspreid zijn. Deze monumenten spelen vandaag nog steeds een belangrijke rol, maar hebben door de jaren heen wel een heel ander karakter gekregen. 

De herinnering aan de Tweede Wereldoorlog in monumenten


 

Utrecht, 'Wilhelmina' (foto: B. van Bohemen / NIOD)Inleiding: plaatsen van de herinnering
We zijn ons er niet steeds van bewust, maar we worden omspoeld door een zee van tekens die naar het verleden verwijzen. Oude gebouwen, vergeelde ansichten, historische speelfilms, familieverhalen, jeugdherinneringen in de dorpskrant, roman en studieboeken - het zijn allemaal tekens die ons verbinden met het verleden. Zo ook monumenten: deze zijn zelfs speciaal opgericht om de herinnering aan personen en gebeurtenissen levend te houden.

De gedenktekens die verwijzen naar de Tweede Wereldoorlog nemen in Nederland een bijzondere plaats in. Ten eerste omdat het er zo veel zijn. Er zijn meer gedenktekens die betrekking hebben op deze oorlog dan alle andere monumenten bij elkaar. Een ander kenmerk is dat deze monumenten over het hele land verspreid voorkomen, tot in de verste uithoeken, en nog altijd een levende betekenis hebben. Van veel andere standbeelden, gevelstenen en gedenkzuilen die onze steden en dorpen sieren, weten we vaak nauwelijks meer waarom ze er ooit zijn neergezet. De oorlogsmonumenten daarentegen spelen nog steeds een belangrijke rol, niet alleen op 4 en 5 mei, maar ook op andere momenten waarop gebeurtenissen uit de oorlogsjaren worden herdacht.

Wie de zee van oorlogsmonumenten wat nader inspecteert, zal al snel nog iets anders opvallen: door de jaren heen hebben de gedenktekens een heel ander karakter gekregen. Zo dragen de tekens uit de periode 1945-1965 vrijwel allemaal een nationale en christelijke boodschap uit. Ze willen de toeschouwer erop wijzen dat de offers zwaar zijn geweest, maar dat al dat lijden niet tevergeefs was. De monumenten die na 1964 zijn neergezet, ademen echter een heel andere geest. Hier gaat het niet meer over helden die gevallen zijn voor de toekomst van het land, maar om groepen die zwaar onder de nazistische bezetting hebben geleden, te beginnen met de joodse Nederlanders. Deze verschuiving is niet typisch Nederlands: zij voltrok zich overal in de westerse wereld, zij het in het ene land sneller dan in het andere. Maar wanneer we vandaag de dag spreken over de 'lessen' van de Tweede Wereldoorlog, denken we in de eerste plaats aan racisme, vervolging en concentratiekampen, en minder aan de hongerwinter, de heldenrol van koningin Wilhelmina of het lot van de onderduikers, laat staan de 'laffe Duitse overval'.

Een 'monumentenregen': 1945-1950
In de eerste maanden na de bevrijding werden overal in Nederland plannen ontwikkeld om gedenktekens op te richten. Er werd gesproken van een 'monumentenregen' - en dat in een land waar nauwelijks een monumentale traditie bestond. De oorlog had de bevolking blijkbaar diep geraakt. Vreemd is dat niet, want Nederland vormde in termen van menselijke en materiële verliezen het zwaarst getroffen land van West-Europa.

Bij de eerste gedenktekens - kruisen, gevelstenen, eenvoudige beelden - ging het nog vooral om dodenverering. Van officiële zijde richtte men zich vooral op de doden die gevallen waren in de strijd tegen de bezetter: verzetslieden, Nederlandse en geallieerde soldaten, zeelieden, onschuldig gefusilleerde burgers en gijzelaars. De gedenktekens, vaak aangebracht op graven en plaatsen waar de gebeurtenissen zich hadden voltrokken, waren vooral een eresaluut aan individuele slachtoffers en een memento, een aansporing voor de overlevenden. In Rotterdam-Zuid, bijvoorbeeld, werd al op 14 en 15 mei 1945 gecollecteerd voor een monument voor de twintig mannen die twee maanden eerder bij wijze van represaille voor de liquidatie van een Duitse agent van de SD waren gefusilleerd.



Enkele dagen later werd in dezelfde stad een Comité 'Oprichting Gedenkteken' gevormd, met het doel een monument te doen verrijzen voor alle Rotterdammers die, waar ook ter wereld, hun leven voor de vrijheid hadden gegeven. Uit de dodenverering ontwikkelden zich dus gedenktekens met een bredere boodschap. Het ging niet langer alleen om het herdenken en eren van de doden, maar om het verbinden van de herdenking aan een hoger doel, aan het heden en de toekomst.

Wie zoekt naar de kern van de boodschap van de gedenktekens uit de eerste decennia na 1945, komt terecht op het snijpunt van verdriet en troost, van verliezen en herwinnen, van verleden en toekomst, uitgedrukt in de gedachte van een offer, een lijden dat niet vergeefs geweest is. Diezelfde motieven vinden we terug zowel in de eerste generatie oorlogsfilms als in redevoeringen, krantenartikelen en literaire werken. De herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog werden daarmee ingepast in de heersende politieke en levensbeschouwelijke opvattingen van die jaren, opvattingen die we kunnen karakteriseren als nationaal en christelijk-humanistisch. Dat vinden we vaak letterlijk terug in de teksten op deze monumenten.

Nationaal herdenken 1950-1965
Nederland zag zichzelf in de eerste plaats als slachtoffer van de Duitse agressie. Tegen die overmacht was deze onschuldige en vreedzame natie niet bestand geweest, maar innerlijk en geestelijk bleef zij ongebroken. De Nederlanders waren dan misschien geen helden, maar als eenvoudige mensen hadden zij hun plicht gedaan, onderdak verleend aan vervolgden, en waren ze vlag en vorstin trouw gebleven. Juist in deze innerlijke gezindheid van de bevolking openbaarde zich het karakter van het volk.

Het zal geen verbazing wekken dat binnen deze voorstelling relatief erg weinig aandacht was voor het feit dat de overgrote meerderheid van de Nederlanders passief was gebleven, of, sterker nog, vaak zonder verzet had meegewerkt aan de uitvoering van de maatregelen van de bezetter. Het feit dat zeventig procent van de joodse bevolking in Nederland was weggevoerd en omgekomen - het hoogste percentage in Europa - speelde eigenlijk geen rol in de publieke herdenkingen. Tot het begin van de jaren zestig was er zelfs maar één monument dat verwees naar dit immense drama: het monument aan de Weesperstraat in Amsterdam, opgedragen aan de Amsterdamse bevolking als dank voor de hulp die het aan de joden had verleend, zoals de Dokwerker stond voor het proletarisch verzet tegen de nazistische terreur.

Het hoogtepunt van deze nationale herinneringscultuur werd bereikt met de 21-delige televisieserie De Bezetting van Loe de Jong, uitgezonden tussen 1960 en 1965, waarin bovenstaande ideeën werden samengevoegd in een meeslepend en overtuigend verhaal.

Ommekeer 1965-1975
Rond 1964-1965 werden de eerste tekenen zichtbaar van een naderende omslag in de manier waarop men over de oorlog sprak en dacht. De oorzaken van deze omslag lagen voor een belangrijk deel in de stormachtige veranderingen in de samenleving. Heel Nederland ging op de schop: provo, de popmuziek en televisie, transistorradio's, auto's en brommers, nieuwe partijen, vernieuwing in de kerken - geen onderdeel van de samenleving kon ontsnappen aan de storm die over het altijd zo rustige en gelovige Nederland nog heviger raasde dan over de meeste andere westerse landen.

Pas in deze woelige, opstandige en optimistische tijd, waarin allerlei traditionele normen en waarden op de tocht kwamen te staan, ontstond er geleidelijk ruimte voor het grote grijze tussengebied van wat men toen - twintig jaar na de oorlog - zag als meeloperij, falend leiderschap, pennenlikkerij en lafheid. De oorlog werd in deze jaren een politiek gevoelig onderwerp. In emotionele debatten werden de passiviteit en meegaandheid van de autoriteiten, de politie, de ambtenaren en gewone burgers aan de kaak gesteld. Hun slaafsheid had het 'succes' van de nazi's mogelijk gemaakt, aldus de critici, die daarbij graag verwezen naar 'schrijftafelmoordenaar' Eichmann, de organisator van de jodenvervolging, die begin jaren zestig uit Argentinië werd ontvoerd en in een geruchtmakend proces in Israël werd berecht.



Een definitief punt in de omslag in Nederland was de publicatie van Ondergang, een kritische studie over de vervolging en vernietiging van het Nederlandse Jodendom van de hand van de historicus Jacques Presser (1965). Voor het eerst werd de vraag gesteld of de Nederlandse samenleving en autoriteiten niet ernstig tekort waren geschoten. Van Ondergang werden in een half jaar tijd meer dan honderdduizend exemplaren verkocht. In het kielzog van deze ommekeer verrezen er op verschillende plaatsen - Groningen, Westerbork, Rotterdam - monumenten die de vernietiging herdachten. De mythe van Nederland als het land dat worstelde maar fier weer bovenkwam, als het land van geestelijke helden, van kleine maar dappere onderduikers en ondergrondse journalisten, werd langzaam maar zeker doorgeprikt.

In de schaduw van Auschwitz 1975-2000
Vanaf de jaren zestig vormde zich zowel in als buiten Nederland langzaam maar zeker een andere herdenkingscultuur. De kern daarvan werd gevormd door de geschiedenis van de nazistische vervolging en vernietiging, aangevuld met individuele ervaringen van allerlei slachtoffers, getuigend van hun leven als kampbewoner, onderduiker, verzetsman of bewoner van een Japans interneringskamp. Het beeld werd steeds fragmentarischer en democratischer, maar tegelijk ook 'universeler' wat betreft haar strekking.

Hoe grondig de verschuiving in de herinnering was, kan men aflezen aan de concrete uitdrukkingen daarvan in de publieke ruimte. Vanaf 1970 werden over heel Europa honderden monumenten opgericht, niet alleen voor de omgebrachte joodse medeburgers, maar ook, zoals in Amsterdam, voor de zigeuners en de homoseksuelen. Vanaf deze tijd werden de plaatsen, die verbonden zijn met de vervolging en vernietiging - in Nederland en daarbuiten - met zorg omgeven en door vele duizenden bezocht.

Nog invloedrijker was de onafzienbare rij speelfilms, documentaires en televisieprogramma's, een wassende stroom die een eerste hoogtepunt bereikte in de wereldwijde vertoning van de serie Holocaust (1978-1979). Het feit dat de - buiten het Engelse taalgebied nauwelijks gebruikte - term 'Holocaust' sindsdien in de hele wereld ingang heeft gevonden, bewijst welke indruk deze beelden achterlieten.

En zo veranderde de boodschap van de monumenten ingrijpend. De teksten verwezen niet langer naar de nationale continuïteit en de offers die daarvoor werden gebracht, maar naar de verschrikkingen die de wereld voorgoed hadden veranderd. Typerend voor deze omkering is het monument 'Nooit meer Auschwitz' van Jan Wolkers in Amsterdam, opgericht in 1977, dat verwijst naar het onherstelbare karakter van de nazistische misdaad, die de hemel voorgoed geschonden heeft.

 
Selectieve bibliografie

MONUMENTEN & HERINNERINGSCULTUUR IN NEDERLAND

  • Bank, Jan, Oorlogsverleden in Nederland, Baarn 1983
  • Barnouw, David, Madelon de Keizer en Gerrold van der Stroom (red.), 1940-1945: onverwerkt verleden?, Amsterdam 1985
  • Blom, J.C.H., Crisis, bezetting en herstel. Tien studies over Nederland 1930-1950, Den Haag 1989
  • Bohemen, B. van & W. Ramaker, Sta een ogenblik stil... Monumentenboek 1940/1945, Kampen 1980
  • Haan, Ido de, Na de ondergang. De herinnering aan de Jodenvervolging in Nederland 1945-1995, Den Haag 1997.
  • Jong, Lou de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 14 dln., Den Haag 1969-1991
  • Keizer, Madelon de, Putten. De razzia en de herinnering, Amsterdam 1998
  • Kristel, Conny, Geschiedschrijving als opdracht. Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong over de jodenvervolging, Amsterdam 1998
  • Oosterbaan, Warna, e.a., Het Nationaal Monument op de Dam, Amsterdam 1998
  • Presser, Jacques, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom, Den Haag 1965
  • Schram, D. & C. Geljon (red.), Overal sporen. De verwerking van de Tweede Wereldoorlog in literatuur en kunst, Amsterdam 1990
  • Vos, Chris, Televisie en bezetting. Een onderzoek naar de documentaire verbeelding van de Tweede Wereldoorlog in Nederland, Hilversum 1995.
  • Vree, Frank van, In de schaduw van Auschwitz. Herinneringen, beelden, geschiedenis, Groningen 1995
  • Withuis, Jolande Het verhaal van de een en het zwijgen van de ander' in Vier wijzen van omzien, Assen 1994
  • Wolfswinkel, R., Tussen landverraad en vaderlandsliefde. De collaboratie in naoorlogs proza, Amsterdam 1994
  • Young, James, The Texture of Memory: Holocaust Memorials and Meaning, New Haven/Londen 1993
Biografie Frank van Vree

Frank van Vree (1954) is historicus en hoogleraar Journalistiek & Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Hij studeerde geschiedenis en filosofie in Groningen en Leiden en promoveerde op het proefschrift 'De Nederlandse pers en Duitsland 1930-1939. Een studie over de vorming van de publieke opinie' (Groningen 1989). Daarna verschenen van zijn hand o.a. In de schaduw van Auschwitz. Herinneringen, beelden, geschiedenis (Groningen 1995), De metamorfose van een dagblad. Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant (Amsterdam 1996), De scherven van de geschiedenis (Amsterdam 1999) en De politiek van de openbaarheid. Journalistiek en Openbaarheid (Groningen 2000). Verder was hij co-editor van Tekens en Teksten (1991), History of Concepts. Comparative Perspectives (Amsterdam 1998), Volkseigen. Ras, cultuur en wetenschap in Nederland 1900-1950 (Zutphen 2000) en Journalistieke Cultuur in Nederland (2002).