4meiOverlay

De vele lagen van het Franse verzet


Essay | door Gabriël van de Brink - leesduur 9 minuten

Frans verzet

Er zijn allerlei manieren om verzet in tijden van oorlog te evalueren, variërend van peilloze bewondering voor vaderlandslievende helden tot een cynische beschrijving van een wereld vol bedrog en verraad. Met zijn in 2015 verschenen boek Fighters in the Shadows. A New History of the French Resistance brengt de Engelse historicus Robert Gildea dat complexe verhaal op een overtuigende manier in kaart. Gabriël van den Brink signaleert de soms bovenmenselijke waarden die mensen tot verzet dreven.

Robert Gildea beoefent in zijn boek over de geschiedenis van het Franse verzet maar liefst drie verschillende niveaus van geschiedschrijving. Allereerst geeft hij weer wat zich op feitelijk niveau heeft voorgedaan. Daarnaast analyseert hij de manier waarop latere generaties die feitelijke gebeurtenissen hebben geduid. Tot slot bespreekt hij de vraag welke betekenis die feiten voor ons mensen, toen en nu, hebben.

Laat ik maar direct erkennen dat het derde niveau mij het meeste intrigeert. In de sociale wetenschappen waar ik zelf werkzaam ben, worden zaken als verzet, geweld en onderdrukking veelal verklaard uit sociale of politieke omstandigheden en overwegingen. Ik mis in die beschouwingen wel eens de uitzonderlijke motieven die individuen hebben om iets wel of niet te doen. Ze worden vaak gedreven door een hogere waarde of een morele kracht en ik zou die krachten graag een plek geven of begrijpen, zonder te beweren dat ze de enige of belangrijkste reden zijn waarom mensen in verzet gaan. Gildea is daar eveneens gevoelig voor.

Maar laat mij voordat ik verder inzoom op dat aspect van zijn betoog, eerst kort bespreken wat de historicus in zijn boek zoal te berde brengt.

Frans verzet

Van links tot rechts


Op het eerste niveau van geschiedschrijving dat Gildea beoefent, is Fighters in the Shadows een gedegen overzichtswerk. In krap zeshonderd bladzijden beschrijft hij de totstandkoming van, en de verwikkelingen binnen, het Franse verzet. Men kan zeker niet zeggen dat Frankrijk zich massaal tegen de bezetter keerde, maar wel wordt duidelijk dat er van meet af aan allerlei vormen van verzet waren.

Aan de linkerzijde waren het vooral arbeiders die sympathiseerden met de Franse Communistische Partij (PCF) die in verzet kwamen, naast progressieve studenten die al voor de oorlog in het Quartier Latin met fascistische groepen vochten, en Joden die de vervolgingen in Oost-Europa waren ontvlucht. Maar ook rechtse of nationaal denkende politici keerden zich tegen de bezetter. Neem bijvoorbeeld De Gaulle, die in Londen bescherming van de Britse regering genoot. Aanvankelijk was zijn aanhang gering, maar later nam zijn gezag toe. Op zeker moment wist hij zelfs te bereiken dat er een Nationale Raad kwam waarin alle verzetsbewegingen samenwerkten.

Dit neemt niet weg dat er tot het einde van de oorlog grote meningsverschillen tussen de diverse richtingen binnen het verzet bleven bestaan. Terwijl links hoopte dat de samenleving na het verdrijven van de Duitsers meer in het teken van sociale gelijkheid zou staan, was men ter rechterzijde vooral uit op het herstel van gezag en orde.

Gildea laat zien dat de meeste strijders een hoge prijs voor hun verzet betaalden – ook als ze het er levend vanaf brachten. Het kostte overlevende verzetsmensen grote moeite om na de oorlog terug te keren naar het gewone leven. Ze hoopten op erkenning, maar kwamen bedrogen uit. Er waren maar weinig verzetslieden die bij hun loopbaan enig profijt van hun oorlogsverleden hadden. Velen bleken bovendien lichamelijk of geestelijk beschadigd geraakt.

Frans verzet

Mythevorming

Naast een boeiende beschrijving van de voornaamste personen, gebeurtenissen en achtergronden biedt Gildea ook zicht op de manier waarop de gebeurtenissen rond het Franse verzet in de naoorlogse periode werden geïnterpreteerd. Hij reconstrueert als het ware de mythologie van het verzet, waarbij hij ‘mythe’ definieert als een verhaal dat de identiteit van groepen of landen verwoordt zonder dat een basis in de historische feiten noodzakelijk is.

De mythologie die zich heeft ontsponnen rondom het Franse verzet blijkt nogal veranderlijk. Gildea laat zien dat ze telkens opnieuw wordt ingekleurd door bepaalde gebeurtenissen, zoals het proces dat in 1987 tegen voormalig Gestapo-chef Klaus Barbie werd gevoerd. Ook verandert ze doordat wetenschappers nieuwe inzichten ontwikkelen én doordat de tijdgeest onze kijk op het verleden stuurt. Om een voorbeeld te geven: het is niet vreemd dat een nationalistisch verhaal met mannelijke hoofdrolspelers ons tegenwoordig minder zegt dan veertig jaar terug en dat men inmiddels ook oog voor de rol van vrouwen of minderheden heeft.

Gildea laat overtuigend zien dat onze blik op de verzetsgeschiedenis nooit ‘objectief’ en vrij van mythevorming is. Ook het huidige verhaal is incompleet en in bepaalde opzichten onevenwichtig. Volgens Gildea zijn bepaalde groepen ten onrechte buiten beeld gebleven. Dat geldt zeker voor de talloze ‘vreemdelingen’ die op Franse bodem strijd tegen het fascisme hebben gevoerd en die Gildea in Fighters in the Shadows royaal aan bod laat komen.

Frans verzet

Een nee tegen onmenselijkheid

Behalve een overzicht van feitelijke gebeurtenissen en een analyse van de duiding die daaraan is gegeven, biedt Fighters in the Shadows ook antwoord op de vraag waarom er überhaupt verzet is geweest. Hier raken we aan het derde niveau van de geschiedenis.

De vraag naar het waarom van het verzet kwam bijvoorbeeld aan de orde toen president Sarkozy in 2007 op de dag van zijn inauguratie naar het Bois de Boulogne ging om de 35 verzetsstrijders te eren die daar vlak voor de bevrijding van Parijs door de Duitsers waren doodgeschoten. Zij belichaamden het vermogen om nee te zeggen tegen onderwerping en onmenselijkheid. Een nee waarin wij de eeuwige roep om vrijheid horen, aldus Sarkozy.

Mij intrigeert bij dit soort verhalen vooral de vraag wat individuele mensen bewoog om in verzet te komen. Helemaal als je bedenkt dat er aan het begin van de oorlog maar een kleine minderheid was die weigerde om met de bezetter mee te werken. Wat was het dat juist deze ‘vroege verzetslieden’ kenmerkte? En welke motieven hadden zij om nee te zeggen?

Frans verzet

Marginale groep

Uit de feiten die Gildea geeft, valt op te maken dat we het antwoord niet moeten zoeken in een gemeenschappelijke achtergrond. Verzetsstrijders verschilden wat betreft sociale of politieke achtergrond namelijk enorm. Zoals eerder geconstateerd, waren sommigen politiek rechts, anderen links. De een was academisch geschoold, de ander had nauwelijks opleiding genoten. Soms bleek het verzet een zaak van gelovigen, maar het werd evengoed door atheïsten gepleegd. Met andere woorden: het verzet rekruteerde uit de meest diverse milieus.

Iets meer overlap zien we in de levensomstandigheden van verzetslieden. Vaak maakten zij al voor hun verzetswerk deel uit van een marginale groep. Velen van hen woonden als lid van een etnische minderheid, als politiek vluchteling of als arbeidsmigrant nog maar kort in Frankrijk en waren nauwelijks geassimileerd. Een andere opvallende overeenkomst is dat veel verzetsstrijders jonger waren dan 30 jaar en geen gezinsverantwoordelijkheid droegen. Verder valt op dat er vaak sprake was van familieleden die zich in het verleden op een of andere wijze tegen de status quo keerden. Denk hierbij aan voorouders die zich in de negentiende eeuw tegen de annexatie van de Elzas verzetten of aan protestantse familieleden die onder het Ancien Régime waren vervolgd.  

Een hoger streven


Toch blijkt de grootste gemeenschappelijke noemer zich op nog weer een ander vlak te bevinden, namelijk op dat van de motieven om in verzet te komen. Gildea toont dat in veel gevallen haast bovenmenselijke waarden of idealen meespeelden. Het Franse verzet kwam voor een deel uit idealisme voort: mensen die ervan droomden om na de oorlog te bouwen aan een betere maatschappij. Zij gingen – ook als ze lid waren van een politieke partij – niet zozeer van haalbare doelen uit, maar van morele waarden. In hun ogen was het bestrijden van de Duitse bezetter onderdeel van een hoger streven. Dit gold onder meer voor heel wat Joodse verzetsstrijders. Sommigen van hen hoopten op een messianistische tijd waarin niet alleen het Joodse volk bevrijd zou zijn, maar de gehele mensheid.

Een verwant motief vinden we bij christelijke verzetsstrijders. Zo opende het eerste nummer van de verzetskrant Témoignage Chrétien met een oproep aan de Fransen om niet hun ziel te verliezen. Naastenliefde was voor protestanten en katholieken een belangrijk verzetsmotief. Deze werd onder meer in praktijk gebracht door hulp te bieden aan mensen of groepen die onder de bezetting werden bedreigd; iets wat vooral vrouwelijke leden van het verzet op zich namen.

Overigens moeten we ons geen al te cerebrale voorstelling maken van zaken als moraal of naastenliefde. Het was minder een zaak van denkbeelden dan van praktisch engagement, meer van morele gevoelens dan van cognitieve inzichten. Die gevoelens werden vaak wakker geroepen door een schokkende ervaring of het zien van een tafereel dat vernederend, onrechtvaardig en onmenselijk was.

Frans verzet

Bovenmenselijke krachten

In mijn eigen onderzoek stuit ik regelmatig op de vraag hoe de gewone geschiedenis zich verhoudt tot idealen die wij hebben. Natuurlijk, we weten dat we onze beschaving serieus moeten nemen en velen doen dat ook, maar wat doen mensen als het moeilijk wordt en die beschaving wordt bedreigd? Dat is de ware test voor diezelfde beschaving. Sommigen nemen op dergelijke cruciale momenten het heft in handen en gaan aan de slag om hun idealen te volgen. En dat is precies wat zich keer op keer bij het Franse verzet heeft voorgedaan.

Doordenkend op Gildea’s werk zou ik het concept van een ‘Historisch Platonisme’ willen voorstellen. De kern daarvan is dat er eeuwige waarden of idealen zijn die alleen onder bepaalde condities en vaak op totaal onverwachte wijze in de geschiedenis worden gerealiseerd. In gewone taal noem je zoiets een wonder, al klinkt dat nogal zweverig. Over de duiding van dit soort wonderen kan lang worden getwist, maar dat ze af en toe voorkomen staat naar mijn overtuiging vast. Het gaat om gebeurtenissen die nauwelijks te voorspellen zijn en die zich alleen voordoen als mensen een groot risico nemen.

Wellicht helpt dit concept om te duiden wat er in het Franse verzet voorviel. Bezien vanuit de sociale en politieke realiteit heeft het aanvallen van een overmachtige vijand dan wel het helpen van vervolgden en slachtoffers zelden zin. Als je strategisch denkt en (groeps)belangen afweegt, zul je tegen een sterkere tegenstander niet snel in verzet komen. Zo beschouwd is verzet irrationeel. Maar bezien vanuit een transcendente orde heeft verzet wel degelijk zin, zij het dat het alleen ontstaat wanneer men echt in morele waarden of idealen gelooft. En precies hierin schuilt het wonderbaarlijke van dit soort verzetsdaden – daden die in realistische termen onverantwoordelijk lijken terwijl ze in morele termen juist geboden zijn.

Frans verzet

Boven de wolken uitstijgen

Het besef daarvan werd puntig verwoord door schrijver en oorlogspiloot Antoine de Saint-Exupéry toen men hem vroeg hoe hij zich staande had gehouden. “Het is heel eenvoudig,” zei hij, “je moet er altijd voor zorgen dat je boven de wolken uitkomt.” Als vlieger en als mens wilde hij boven zichzelf uitstijgen tot het hoogste niveau.

Dat klinkt in eerste instantie esoterisch, maar Gildea laat zien hoe alledaags dit streven in feite was. Hij verwijst naar het boek van een verzetsheld uit 1976 waarin de heroïek van gewone mensen als volgt herinnerd wordt: “Steeds wanneer er dingen mis lopen, als zich arrestaties of zelfs executies voordoen, zijn er lotgenoten, kameraden, vrienden en zelfs burgers die je beschermen, die je familie helpen en soms zelfs je plaats innemen.”

Dat is de wijze waarop de kracht van het Historisch Platonisme zich opeens manifesteert. Door dat te laten zien werpt Gildea met zijn boek nieuw licht op een veelal duistere geschiedenis. 

Frans verzet

Over de auteur

Gabril van den brinkGabriël van den Brink (1950) studeerde filosofie aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij promoveerde in 1995 op een historisch onderzoek naar de modernisering van het bestaan en deed vervolgens sociologisch onderzoek naar het alledaagse leven in Nederland. In 2005 volgde een benoeming als hoogleraar Maatschappelijke Bestuurskunde in Tilburg. Sinds zijn emeritaat in 2015 werkt hij als hoogleraar wijsbegeerte bij Centrum Ethos aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. In 2012 publiceerde hij De Lage Landen en het hogere. De betekenis van geestelijke beginselen in het moderne bestaan.