4meiOverlay
Ook de zwarte bladzijden s.v.p.

Wat moeten we met dadererfgoed? Veel plekken en voorwerpen die herinneren aan de daders van oorlogsgeweld worden niet langer bewust genegeerd of verwaarloosd, maar krijgen een plaats in musea en zijn nu cultureel erfgoed. Het Rijksmuseum kocht in 2007 het schilderij De Nieuwe Mensch van NSB’er Henri van de Velde. Herinneringscentrum Kamp Westerbork plaatste in 2015 een glazen kap over de voormalige villa van de kampcommandant. Deze aandacht is zeer omstreden. Dat illustreert de discussie rondom de zogenaamde ‘Muur van Mussert’. Ad van Liempt pleit voor behoud van dit erfgoed. “Het helpt het verhaal van oorlog en bezetting te vertellen, het héle verhaal.”

Ook de zwarte bladzijden svp

Er zijn maar weinig foto’s bekend waarop Anton Mussert, de leider van de NSB, zo intens gelukkig lacht als hier: het is dinsdag 19 mei 1942 en Mussert is in Lunteren, op de Goudsberg, op het Hagespraakterrein. Hij heeft een bijzondere gast, de hoogste die hij ooit op bezoek heeft gehad. Heinrich Himmler, de Reichsführer SS, een paar dagen op tournee in Nederland, heeft op deze dinsdag een NSB-dag gepland. In het programma staat dat het merendeel van het gezelschap vanmiddag zal worden rondgeleid door Musserts tweede man Kees van Geelkerken, maar dat Mussert zelf een-op-een Himmler over het terrein zal leiden. Hij glundert ervan.

Het is toch al een dag geweest om niet gauw te vergeten. Die ochtend reed een glanzende limousine de ventweg van de Utrechtse Maliebaan op, in een voor normale mensen verboden richting trouwens. Daar stapte Himmler uit, met opvallend kwieke pas. Na inspectie van de erewacht van SS’ers betrad hij het NSB-hoofdkwartier op Maliebaan 35 voor overleg met de leider der Nederlandse nationaalsocialisten. De cameraman van Polygoon filmde de aankomst – een week later was een verslag te zien in de bioscopen. Na dit overleg nog een hoogtepunt: Mussert en Himmler in dezelfde auto op weg naar de Kromme Nieuwegracht, een paar honderd meter in de richting van het stadscentrum. Daar gebruikten de hoge nazi’s gezamenlijk de lunch, destijds plechtig het noenmaal genoemd. Mussert kon voor dat soort gelegenheden gebruikmaken van het decorum en de voortreffelijke catering van Paushuize, het provinciehuis, hem ter beschikking gesteld door de Commissaris der Provincie Willem Engelbracht, vooraanstaand NSB’er. Mussert had een half jaar tevoren diens benoeming erdoor gekregen – voor wat hoort wat.

Mussert had zelf achter het stuur gezeten toen hij daarna Himmler naar Lunteren reed. Zo hadden ze eindelijk eens wat uitvoeriger kunnen praten. Mussert hoopte door een persoonlijk contact met de oppermachtige SS-leider zijn positie te versterken en de hinderlijke concurrentie van de voorman van de Nederlandse SS, Henk Feldmeijer, in te dammen.  Veel heeft dat niet geholpen. Toen Himmler weer naar huis was, ging het zagen aan Musserts stoelpoten in volle hevigheid verder.

Massabijeenkomsten


Maar dat weet de NSB-leider nog niet als hij Himmler die middag rondleidt. Hij vertelt trots over het Hagespraakterrein, ontworpen naar Duits model. Of eigenlijk naar het voorbeeld van oude Germaanse Thingstätten: gewijde plaatsen in de open lucht waar de oude Germanen bij elkaar kwamen om te vergaderen en recht te spreken.¹ De nazi’s hadden op allerlei plaatsen in de natuur zulke accommodaties aangelegd om er Thingspiele te laten opvoeren, voorstellingen waarin het nationaalsocialistische gedachtegoed werd verheerlijkt en het massaal toegestroomde publiek een actieve rol kreeg. Na veel interne discussie en gedoe met de gemeentelijke autoriteiten had de NSB zo’n plek in Lunteren gerealiseerd, voorzien van een enorme muur en een buitenmodel podium waar massabijeenkomsten konden worden gehouden. De bekendste is die van 22 juni 1940, waar Mussert, zes weken na de Duitse inval, de bronzen klok van de beweging schonk aan Goering, chef van de Duitse luchtmacht, om er munitie van te maken.

Het is moeilijk te zeggen of Himmler een onvergetelijke middag heeft gehad, daar in Lunteren. Vermoedelijk niet. De dag zat vol met overleg. Hij had ook nog een speciale SS-dag gehouden, met gesprekken met zijn hoogste man in Nederland Hanns Albin Rauter en de Nederlandse SS-voorman Feldmeijer. Allemaal hoogst interessant en nuttig, maar het ging Himmler in mei 1942 maar om één ding, namelijk controleren of Nederland klaar was voor de grote operatie die kort erna van start moest gaan: de deportatie van meer dan 100.000 Joden. Himmler kwam tot de conclusie dat alle posten in de gewenste staat van paraatheid waren. Minder dan twee maanden later zou de eerste trein van Westerbork naar Auschwitz rijden.

Collaboratiekruispunt Maliebaan


Het is vandaag de dag hoogst interessant om vast te stellen dat Himmler op die 19e mei van 1942 op twee plekken was waarvan veel Nederlanders nu vinden dat ze als ‘dadererfgoed’ kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van de bouwsels op het Hagespraakterrein duurt de discussie of ze behouden moeten blijven al enkele jaren. Het gaat dan vooral om de Muur van Mussert, het enorme bouwwerk op de Lunterse Goudsberg, dat in slechte staat verkeert en waarvan sommigen, vooralsnog tevergeefs, vinden dat het tot rijksmonument moet worden verklaard. Historicus en NIOD-medewerker René van Heijningen wijdde er in 2015 een studie aan waarin hij concludeert: “Het is opmerkelijk dat er onder de duizenden plaatsen die in Nederland aan de oorlog herinneren – aan de militaire strijd, aan onderdrukking, vervolging en verzet – niet één is die herinnert aan collaboratie.”² Van Heijningen vindt dan ook dat de muur behouden moet worden, zodat ook een “verhaal over het andere Nederland van voor en tijdens de bezetting zichtbaar blijft”.

Hetzelfde geldt in feite voor die andere plek waar Heinrich Himmler zich die 19e mei 1942 ophield: de Maliebaan in Utrecht. Hij bracht de ochtend door op nummer 35, het hoofdkwartier van de NSB en het belangrijkste van een lange rij panden die de schatrijke organisatie tijdens de bezetting had verworven. Ook nummer 66 (waar de Nederlandse – later Germaanse – SS haar intrek had genomen) en nummer 76-78 (waar de WA – Weer Afdeling – zat en het blad De Zwarte Soldaat vervaardigde) kun je moeiteloos als plaatsen van herinneringen aan collaboratie bestempelen.

Alleen: aan niets kun je op de statige Maliebaan zien wat er in de oorlog allemaal gebeurd is. O ja, er is een plaquette op de muur van nummer 72, die herinnert aan het werk van de daar wonende Marie-Anne Tellegen, die als ‘Dr. Max’ een vitale rol speelde in het verzet. Maar al die panden waar collaborateurs werkten of oorlogsmisdadigers (zoals op nummer 74, het bureau van de Sicherheitspolizei), zijn aan niets te herkennen. Utrecht heeft zich altijd voor z’n verleden geschaamd, heeft het proberen te verdringen. Er zijn inmiddels tientallen verhalen bekend over wat zich op die Maliebaan allemaal heeft afgespeeld³, maar een plek om die verhalen te verzamelen en om stil te staan bij dit verleden, die heeft de vierde stad van het land nog niet kunnen realiseren.

Machtshongerige meelopers


Een argument tegen het in stand houden van dadererfgoed is altijd de vrees geweest dat die plekken als bedevaartsoorden voor neonazi’s zouden kunnen gaan dienen. Het realiteitsgehalte van die vrees laat zich uiteraard lastig meten. Veel ervaring is er in Nederland niet mee. Er loopt hier en daar weleens een verdwaasde geest met een nazisymbool rond op een demonstratie, maar nostalgie naar de NSB valt in ons land zelden te noteren. Dat heeft alles te maken met het hoge loser-gehalte dat de reputatie van de nationaalsocialisten aankleeft. Een treurig, weinig inspirerend stelletje, met Mussert als de burgerlijke leider, parmantig rondstappend in een zwart uniform, omringd door machtshongerige meelopers, voortdurend marcherend of parades afnemend.

Maar of dat vaak wat sullige, slome imago van de Nederlandse collaborateurs terecht is, valt te betwijfelen. Moderne studies naar de NSB brengen vooral elementen van sterke radicalisering aan het licht. Deze blijkt zowel uit close reading van de nazi-pers als uit de bestudering van strafdossiers van veroordeelde handlangers van de bezetter. Steeds duidelijker wordt dat de NSB in feite fungeerde als ‘uitzendbureau’ voor de Duitsers: een reservoir van arbeidskrachten die op allerhande niveaus (van burgemeester tot Jodenjager tot bestrijder van het verzet) bereid waren vuil werk te verrichten. Maar ook dat vernieuwde beeld maakt de NSB niet tot een organisatie die de neofascist van vandaag als inspiratiebron dient. Er is dus weinig reden om het Nederlandse collaboratieverleden te blijven verstoppen.

Geroofd bestek

De belangrijkste reden om het dadererfgoed te bewaren en voor nieuwe generaties beschikbaar te stellen, is dat er zo veel verhalen mee verbonden zijn die het waard zijn om verteld te blijven worden. Mij schiet een voorbeeld te binnen van een heel bijzonder stukje dadererfgoed dat in 2012 in het bezit kwam van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Het is een twaalfdelige cassette van zwaar verzilverd bestek. Het werd afgestaan door een vrouw die er thuis haar hele jeugd van had gegeten, maar pas op latere leeftijd had gehoord dat het kostbare bestek door haar vader geroofd was van een gedeporteerde Joodse familie. Mevrouw B. wist dat haar vader tot het beruchte gezelschap van Amsterdamse Jodenjagers had behoord, maar pas nadat haar moeder was overleden en het bestek haar werd toebedeeld, hoorde ze wat de herkomst was. Mevrouw B. vond het geen goed idee om het op de vuilstort te gooien. Ze besloot het aan Herinneringscentrum Kamp Westerbork af te staan, waar het al meermalen tentoongesteld is als een unieke herinnering aan de roofzucht van deze groep Nederlanders die zich in de oorlog aan het allerergste schuldig heeft gemaakt gemaakt.⁴ 

En zo zijn er tal van voorwerpen die de herinnering aan de zwarte bladzijden uit de bezettingsgeschiedenis levend kunnen houden. Op de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen in 2014 in de Kunsthal in Rotterdam hadden we er flink wat verzameld. Mij is uit die tijd bijgebleven hoeveel indruk dat soort voorwerpen en de ermee verbonden verhalen maakten op de bezoekers, vooral op de jongere generatie. De laarzen van de meedogenloze commandant Karl Berg van kamp Amersfoort bijvoorbeeld. Of de SS-vlag die ooit wapperde aan de gevel van het beruchte Scholtenhuis in Groningen. Of een kwitantie waarop je kunt lezen hoe een Jodenjager vijf keer “7,50 gulden” incasseerde voor het arresteren van vijf onschuldige landgenoten. Het zijn objecten waarvan je de aanblik niet gauw meer vergeet.

Nota’s aan Hitler


Langzamerhand beginnen oorlogs- en verzetsmusea oog te krijgen voor de zwarte bladzijden uit de bezettingsgeschiedenis en de verhalen erover door te vertellen. Maar met de gebouwen die ons aan die bladzijden herinneren, wil het nog niet opschieten. Een uitzondering vormt natuurlijk de woning van de commandant van doorgangskamp Westerbork. Daar is een spectaculaire glazen overkapping overheen gezet, zodat het bijna ingestorte houten huis kan worden geconserveerd en er een échte lieu de mémoire is ontstaan. Wat nog meer? Er hoeft van mij geen Mussertmuseum te komen. Maar als je in het boek van René van Heijningen leest dat de NSB-leider zijn nota’s aan Hitler het liefst schreef in het kamertje dat bij het podium op de Goudsberg was gebouwd (“Wat was hij er graag te vinden, de Leider”, schrijft Van Heijningen), dan zou je dat plekje toch wel graag ooit, na restauratie, willen bezoeken. De bureaustoel waarop hij in zijn werkkamer op Maliebaan 35 placht te zitten, is ook bewaard – te zien in Oorlogsmuseum Overloon. En het 15 kilo (!) zware boek dat hij op zijn 48e verjaardag van Seyss-Inquart kreeg – in leer gebonden, met documenten over vier eeuwen Nederlandse-Duitse verhoudingen – hebben ze bij het NIOD in de kelder. Ze helpen het verhaal van oorlog en bezetting te vertellen, het héle verhaal.

Over de schrijver

7.advanliemptcAd van Liempt (1949) werkte bijna veertien jaar in de regionale dagbladjournalistiek voor hij overstapte naar de televisie, waar hij onder meer medeoprichter en eerste eindredacteur van het geschiedenisprogramma Andere Tijden was. Van Liempt schreef diverse boeken, waaronder Kopgeld, over de betaalde Jodenjacht in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In 2009 schreef hij een begeleidend boek bij de tv-serie De Oorlog en in 2013 een boek bij de serie Na de Bevrijding. In 2015 verscheen van zijn hand Aan de Maliebaan. In 2014 was hij curator van de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen in de Kunsthal in Rotterdam.

Noten


¹ Van Heijningen, De Muur van Mussert, p. 64.
² Van Heijningen, De Muur van Mussert, p. 163.
³ Zie daarvoor www.aandemaliebaan.nl.
⁴ Het bestek was ook te zien op de tentoonstelling De Tweede Wereldoorlog in 100 voorwerpen (Kunsthal Rotterdam, 2014). link