4meiOverlay

Reflecties op vrijheid - Deel 3: Natascha van Weezel


Reflecties op vrijheid - Deel 3:Natascha van Weezel

Als kleuter vond ik het niets om steeds weer te horen dat ‘vrijheid niet vanzelfsprekend is’. Mijn vriendjes en vriendinnetjes hielden zich uitsluitend bezig met Sesamstraat en Bassie & Adriaan. Ik keek ook naar die programma’s, maar daarnaast speelde de Tweede Wereldoorlog een onmiskenbare rol in mijn jonge leven. Alle vier mijn grootouders waren Joodse Holocaustoverlevenden. De ouders van mijn vader overleefden de oorlog door onder te duiken op het Nederlandse platteland; de ouders van mijn moeder wisten via Lyon in Vichy-Frankrijk naar Zwitserland te vluchten. Mijn vader sleepte me vanaf mijn vierde mee naar allerlei Holocaustherdenkingen (stonden we weer in de stromende regen bij een of andere kranslegging met huilende ouderen). Mijn oma (mijn vaders moeder) wist elk gesprek om te buigen tot een relaas over haar onderduiktijd. De familiefeestjes waren ook interessant: daar werd de muziek op enig moment altijd even gestopt om stil te staan bij ‘de overgrootouders, ooms, tantes, nichtjes en neefjes die er niet meer waren, maar er wel hadden kúnnen zijn’. Natuurlijk chargeer ik. Toch was die oorlog er voor mijn gevoel áltijd. Ik verlangde naar een ‘normaal’ leven, net als mijn klasgenootjes, waarin ik niet steeds die zware geschiedenis met me mee hoefde te zeulen. 

Jarenlang wilde ik niets over de oorlog weten. Totdat ik op mijn zestiende opeens besloot om deel te nemen aan de Polenreis van het Nederlands Auschwitz Comité. In de gang van mijn middelbare school hing een briefje waarop stond dat ze deelnemers zochten. Ik meldde me diezelfde dag nog aan. Mijn ouders vonden het niet zo’n goed idee om hun tienerdochter op pad te sturen naar Auschwitz, Birkenau, Treblinka, Majdanek en Sobibor. Mijn vader suggereerde zelfs dat ik beter naar Salou of Lloret de Mar kon gaan. Toch overtuigde ik hen snel door te zeggen dat ik meer te weten wilde komen over ‘de schimmen’ in onze familie, dat ik de laatste plek wilde bezoeken waar zij hadden rondgelopen. Daar hadden mijn ouders niet van terug; die schimmen kenden ze maar al te goed. 

Na die reis is de Tweede Wereldoorlog me altijd blijven fascineren. Vorig jaar werd ik gevraagd om de Vrijheidscolleges te geven, een serie lezingen van opiniemakers en denkers met de vier vrijheden van president Franklin D. Roosevelt als uitgangspunt. Ik toerde het hele land door om het verhaal van mijn grootouders te vertellen én een link te leggen met (het gebrek aan) vrijheid in onze huidige samenleving. Ik ontmoette migranten, bibliotheekbezoekers, middelbare scholieren en ROC-studenten. Vooral die laatste twee groepen leken geïntrigeerd door het vluchtverhaal van mijn grootouders, maar begrepen doorgaans niet wat ik bedoelde met ‘het bewaken van onze hedendaagse vrijheden’. “We zijn toch super vrij?” hoorde ik vaak. Of: “Er is toch geen oorlog hier? Als er geen oorlog is ben je vrij.”  

Het rapport De stand van vrijheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Nationaal Comité 4 en 5 mei wijst uit dat Nederlanders over het algemeen een groot belang toekennen aan 4 en 5 mei. Ook jongeren tussen de 13 en 30 jaar doen dat. Uitgedrukt in rapportcijfers geven zij respectievelijk een 7,7 (‘het belang van 4 mei’) en een 7,5 (‘het belang van 5 mei’). Naarmate men ouder wordt lopen deze rapportcijfers op, tot aan een 8,8 (4 mei) en een 8,3 (5 mei) bij mensen van 70 jaar en ouder. Deze cijfers stellen me gerust. Na mijn ontmoetingen met scholieren en studenten had ik dit eerlijk gezegd niet durven dromen.Toch blijf ik erop hameren dat we ook aandacht moeten blijven besteden aan de link tussen het verleden en het heden. Oorlog en alle mechanismes die daarbij horen zijn niet iets oerouds en eenmaligs. Sterker nog: wanneer vrijheid als een vanzelfsprekendheid voelt, loop je het risico dat je het voor lief gaat nemen – het is gek hoezeer je je kunt verzetten tegen je ouders en jaren later beseft dat je net zo denkt en spreekt als zij.  

Dit jaar zou ik weer een aantal Vrijheidscolleges geven, tussen half maart en 5 mei. Uiteraard gingen die niet door vanwege het coronavirus. Kennelijk wen je razendsnel aan ‘het nieuwe normaal’. Het voelt haast ondenkbaar dat ik nog geen jaar geleden voor groepen van ruim tweehonderd mensen stond. Dat ik handen schudde. Dat ik na afloop van zo’n lezing naar een café of een restaurant ging. Na een paar dagen in thuisisolatie werd ik overvallen door een pijnlijk besef: ik sprak in mijn colleges over het belang van vrijheid alsof ik zélf had ervaren hoe het voelt om ‘onvrij’ te zijn, terwijl ik toch echt 41 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog ben geboren. Wat wist ik eigenlijk van vrijheid, behalve abstracte termen als vrijheid van meningsuiting, mensenrechten, het gevaar van polarisatie en het voeren van een open dialoog?  

Nu wil ik de huidige crisis geenszins vergelijken met een oorlog of een periode waarin groepen mensen systematisch worden uitgesloten en vervolgd vanwege hun etnische achtergrond of geloofsovertuiging. En toch kan ik me nu íets beter voorstellen hoe de Tweede Wereldoorlog voor mijn grootouders moet zijn geweest: geen toegang meer hebben tot het park, het zwembad, het theater of de bioscoop. Niet meer naar school mogen en niet meer kunnen werken. Uiteraard weet ik (godzijdank) nog steeds niet hoe het voelt om continu bedreigd te worden en te moeten vrezen voor je leven. Ik weet ook niet hoe het is om bang te zijn voor bombardementen, oproepen, deportaties en SS’ers. Wat dat betreft mag ik me gelukkig prijzen dat ik nog altijd in vrijheid leef – al is het op een wat andere manier dan voorheen. 

In De stand van vrijheid staat beschreven dat Nederland in 75 jaar is opgeschoven van een samenleving waarin plichten centraal stonden naar een samenleving waarin plezier (maken) centraal staat: “Er is een sterk toegenomen consumptief pluk-de-dag-hedonisme. Deze verschuiving van plicht naar plezier valt samen met de toegenomen individualisering en is te verklaren uit de gestegen welvaart”. Dit fenomeen herken ik uit mijn eigen omgeving. Op zich hoeft er niets mis te zijn met individualisering en een bepaalde vorm van hedonisme, maar als we ons daardoor egocentrischer gaan gedragen zie ik dat wel als probleem. Uiteindelijk hebben we elkaar nodig om in vrijheid te kunnen leven. Dat blijkt de laatste weken duidelijker dan ooit. Ik hoop dan ook dat we deze gekke periode aangrijpen om een beetje meer naar elkaar om te kijken. Niet alleen nu, ook in de toekomst. 


 

NataschasiteNatascha van Weezel (1986) debuteerde met Magere jaren. In 2015 verscheen het boek De derde generatie, over kleinkinderen van Holocaustoverlevenden. In 2017 volgde Thuis bij de vijand. Van Weezel is columnist bij Het Parool en werkt als freelancejournalist voor kranten en televisie. In 2018 maakte ze de vierdelige documentaireserie Natascha’s Beloofde Land voor de VPRO en NPO3. Onlangs verscheen haar nieuwste boek Nooit meer Fanta – het jaar dat mijn vader overleed

Foto: Els Zweerink