4meiOverlay

‘Zeg nooit je echte naam!’


‘Zeg nooit je echte naam!’

Hadassah (12) zit aan tafel met haar opa Jack Eljon (80) en haar vader Raoul (46) . Ze heeft een boekje voor zich met daarin het verhaal van opa Jack. Voor school moesten alle kinderen herinneringen van een familielid aan de oorlog opschrijven. Het verhaal van opa Jack is het langste in het hele boekje. Dat komt omdat hij zoveel heeft meegemaakt.

'Zeg nooit je echte naam'

Opa Jack
“In 1940, toen de oorlog uitbrak, was ik bijna drie jaar oud. Ons gezin was Joods en we woonden in Amsterdam. Ik weet nog dat mijn vader tegen mijn moeder zei: ‘Nu is het menens.’ Hij las de krant van de nazi’s en hij wist hoe ze over Joden dachten. Mijn vader en moeder besloten onder te duiken (lees meer over onderduiken onderaan deze pagina). We gingen eerst naar tante Trien en oom Willem aan zee. Daar gingen mijn vader en moeder altijd op vakantie.

Al gauw werd het te gevaarlijk om bij elkaar te blijven. Ik was duidelijk een Joods kind. Mijn ouders besloten dat ik weg moest. Ik ging in mijn eentje naar het gezin van mijn tante Greta in Haarlem. Daar had ik het goed, het was alsof ik uit logeren was. De buren van tante Greta zaten bij de NSB. Ze wisten dat er een huiszoeking zou komen en ze hadden medelijden met me. Ze waarschuwden mijn tante. Midden in de nacht werd ik over de schutting getild. ‘Heb je hem?’ vroegen ze. ‘Ja, geef hem maar een zetje’, zeiden de buren. Omdat de soldaten niet bij NSB’ers zouden zoeken, zat ik daar veilig. Maar toch moest ik weer weg. Het leek mijn oom en tante veiliger als ik ergens anders verstopt zou zitten.”

Jack werd door het Utrechts studentenverzet naar een familie in Zeist gebracht. Vanaf toen kreeg hij een schuilnaam. Hij heette voortaan Henkie Mulder. Zijn tante zei voor hij vertrok tegen hem: ‘Denk eraan, zeg nooit je echte naam, tegen niemand!’ Dat knoopte Jack goed in zijn oren.

In Zeist werd er slecht voor Jack gezorgd. “Ik was een rotkind, al zeg ik het zelf. Ik was boos en opstandig. Ik wilde niet eten. Ze sloegen me daar met kleerhangers. Ook dwongen ze me te eten. Het was heel erg. Na de oorlog moest ik van mijn vader nog bij ze op visite, omdat ze me hadden geholpen. Kun je nagaan hoe dat voor me was!

In Zeist heeft iemand mij verraden. Een van de buren, ik weet niet wie, had de Duitsers verteld dat er een Joods kind ondergedoken zat. Er kwamen waarschijnlijk NSB’ers  op de fiets om huiszoeking te doen. Op dat moment zat ik op de kleuterschool. Ik werd uit de klas gehaald en ik moest me verstoppen in de bakfiets van de bakkersknecht. In het donker zat ik daar, ik weet het nog heel goed. Ik deed het luikje van de bak een stukje open en vroeg: mag ik er al uit? Maar de bakkersknecht klapte het luik hard dicht en zei: ‘Als ik zeg dat je mag kijken, dan doe ik de klep omhoog’. Achteraf bleek dat Duitse soldaten op de fiets naar mijn kleuterschool waren gereden. De bakkersknecht passeerde ze onderweg, terwijl ik verstopt in die bak zat!

De vrouw bij wie ik daar zat ondergedoken moest naar de gevangenis omdat ze een onderduiker had. Ze werd ondervraagd door de Duitsers. Toen heeft ze een naam genoemd: mevrouw Wasch. Deze vrouw in Utrecht hielp onderduikers. Op dat moment zat bij die vrouw ook een meisje van 10 jaar ondergedoken: Floortje Hamburger. Mevrouw Wasch en Floortje zijn opgepakt en ze hebben allebei de oorlog niet overleefd. Mij hadden ze niet, maar dat doet me nog steeds zeer.”

Jack werd naar weer andere adressen gestuurd. In totaal heeft hij tijdens de oorlog in wel 10 tot 14 gezinnen gezeten, hij weet het niet precies meer. In 1943 ging hij naar Deventer. Daar werd hij opgevangen door het verzet. “Ik werd daar zo warm opgevangen, ik voelde me er heel veilig. Daar heb ik mijn hart verloren aan Deventer. Ik ga er nu nog heel vaak heen, ik vind het er fijn. Het voelt als een soort thuiskomen. En als ik er met de auto langsrijd, dan zwaai ik altijd even als ik de stad zie.”

Uiteindelijk kwam Jack op zijn laatste onderduikadres terecht, een boerderij in Friesland van de familie Langeraap. Daar gebeurde weer iets heel engs. “Op een dag was er weer een huiszoeking. Ik moest me snel op zolder verstoppen. Daar was een hele smalle ruimte tussen het dak en de muur, waar ik als broodmager jongetje net tussen paste. De soldaten kwamen de zolder op, ik zag hun laarzen door de kieren van de muur op maar twee centimeter van mij vandaan. Ik was ontzettend bang dat ik ontdekt zou worden. Maar dat is gelukkig niet gebeurd. Nog steeds droom ik van dat moment, het is een nachtmerrie die niet overgaat.”

Toen Nederland bevrijd was, wilde de familie Langeraap weten hoe ‘Henkie Mulder’ echt heette, zodat ze zijn ouders konden zoeken. Maar Jack wilde zijn naam niet zeggen. “Ik had het mijn tante beloofd. De mensen smeekten me, ze sloegen me, ze hebben van alles geprobeerd om mij mijn naam te laten zeggen, maar ik hield mijn mond. Alleen in mezelf zei ik: ‘Ik heet Jacky Eljon, dat weet ik best’.”

Op een dag moest Jack met een verpleegster mee. In een lokaal in Sneek zat een rij kaalgeknipte vrouwen. Die kwamen uit kamp Westerbork, ze waren kaalgeschoren tegen de luizen. De vrouwen zochten allemaal hun kind. Ze mochten niets zeggen en Jack moest kijken of zijn moeder erbij zat. Hij moest de rij af. Bij de zeventiende vrouw herkende hij zijn moeder en kroop bij haar op schoot. “Ik heb me daarna nooit meer zo gelukkig gevoeld met mijn moeder als toen.” 

Ook de vader van Jack heeft de oorlog overleefd en het gezin gaat terug naar het huis in Amsterdam. Maar iedereen heeft nare herinneringen aan de oorlog. “Ik kon het mijn vader en moeder niet vergeven dat ze mij tijdens de oorlog in de steek hadden gelaten. Ik ben mijn leven lang boos op ze gebleven. Mijn vader zei altijd tegen mij dat de mensen die me hadden laten onderduiken mijn leven hebben gered. En dan zei ik er achteraan: En mijn leven verpest!”

Raoul
De zoon van Jack heet Raoul. Hij is 46 jaar en hij heeft een tweelingzus. Wat zijn vader Jack heeft meegemaakt, heeft op Raoul een diepe indruk gemaakt. “Ik heb twee kinderen. Toen zij drie jaar oud waren dacht ik: Op deze leeftijd moest mijn vader in zijn eentje onderduiken. Het verhaal zit diep in me. Ik ben erg geïnteresseerd in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Mijn moeder heeft ook ondergedoken gezeten en er zijn vreselijke dingen gebeurd met de Joden. Ik vind het een soort plicht om er zoveel mogelijk over te weten. En om de Joodse tradities in stand te houden.

Van mijn vader vind ik het moeilijk te begrijpen waarom hij zijn ouders nooit heeft kunnen vergeven. Ik was dol op mijn opa en oma, ik had een goede band met ze. Met zijn verstand kan mijn vader wel snappen waarom ze hem hebben laten onderduiken. Maar zijn emotie dat hij door hen alleen is gelaten zit zo diep, dat hij dat niet opzij kan zetten. Ik vind dat best wreed voor mijn opa en oma.

We hebben eens een rondje door het land gereden met mijn vader en mijn zus. Toen gingen we langs alle onderduikadressen waar hij heeft gezeten. Hij wist zoveel details, dat was ongelofelijk. Hij was nog zo klein in de oorlog, maar hij wist nog precies hoe die huizen eruit zagen en hoe hij naar het kleuterschooltje in Zeist liep. Hij heeft het als kind heel scherp gezien.

Ik probeer ondanks deze vreselijke verhalen positief te blijven. Ik haal kracht uit de generatie van mijn vader en van mijn grootouders. Mijn opa, de vader van mijn vader, had zoveel levenskracht, dat is echt inspirerend. Toen hij vlak na de bevrijding met mijn oma en mijn vader in kamp Westerbork zat, wachtend op vervoer naar Amsterdam, had hij al werk bij de Amsterdamsche bank in Groningen geregeld. Die eerste weken na de bevrijding fietste hij elke dag van Westerbork naar zijn tijdelijke werk in Groningen. 32 kilometer heen en terug! Wel denk ik dat beschaving een dun laagje is. Het kan zo weer fout gaan. Mensen hebben goede en slechte kanten.”

Hadassah
“In groep 8 hebben we met de klas een boekje gemaakt over herinneringen aan de oorlog. Ik heb toen mijn opa geïnterviewd. Ik vind zijn verhaal heel schokkend. Ik heb het zo leuk gehad, maar voor mijn opa is zijn kindertijd echt verpest. Als ik een paar generaties terug had geleefd, had ik het ook mee kunnen maken.

Op 4 mei gaan we met de hele familie naar het huis van opa. Op die dag is hij verdrietig, omdat hij denkt aan alle mensen die vermoord zijn. Bij je familie zijn vind ik dan het belangrijkste. We doen ieder jaar ook mee aan Jom Hasjoa. (Dat is de dag dat Joden over de hele wereld de slachtoffers van de nazi’s herdenken.) Ik zat op een Joodse lagere school, dus ik weet er best veel van. Nu zit ik op de middelbare en ben ik met mijn vriendin samen de enige Joodse meisjes in de klas. Als ze het me vragen, wil ik graag met ze praten over de oorlog. En misschien wil mijn opa wel langskomen om zijn verhaal te vertellen!”



Onderduiken

Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten veel mensen onderduiken. Onderduiken betekende dat mensen zich, vaak voor langere tijd, moesten verbergen om niet door de politie of Duitse bezetter te worden opgepakt. Op het hoogtepunt waren er alleen al in Nederland ruim 350.000 mensen ondergedoken!

Wie waren de onderduikers? Veel mannen doken onder omdat ze dwangarbeid in Duitsland wilden voorkomen. Ook doken mensen onder die zich tegen de Duitse bezetting hadden verzet en nu zelf gevaar liepen. Maar er waren ook mensen die moesten onderduiken omdat ze waren wie ze waren. Joodse Nederlanders werden tijdens de bezetting, net als in nazi-Duitsland, vervolgd. Ze werden uitgesloten en vanaf 1942 opgepakt en naar concentratiekampen gebracht. Om te ontsnappen lukte het sommige Joden om een onderduikplaats te vinden. Om te kunnen onderduiken moest je geluk hebben: je had andere mensen nodig die jou wilden helpen. De meeste mensen lukte dat niet. Misschien ken je het verhaal van Anne Frank, een van de bekendste Joodse onderduikers. Maar er zaten nog meer Joodse kinderen ondergedoken. Soms met hun ouders samen, maar veel vaker helemaal alleen. Joodse kinderen werden meestal bij gezinnen ondergebracht, waar ze moesten doen alsof ze een ‘neefje’ of ‘nichtje’ waren. Meestal kregen deze kinderen een schuilnaam. Mensen die onderduikers in huis hadden, namen een groot risico. Als ze verraden of ontdekt werden, konden ze gevangen worden gezet of vermoord. Ook voor de onderduikers liep dat vrijwel altijd slecht af.