4meiOverlay

Bonnen smokkelen in je fietstas


Bonnen smokkelen in je fietstas

IJsze (8) is aan het spelen bij ‘omarie’. Oma Marie is zijn overgroot-oma. Ze is al 96 jaar. En ze heeft een bijzonder verhaal over de Tweede Wereldoorlog. Als omarie vertelt, luistert IJsze goed. Hij wil alles weten over wat ze heeft meegemaakt. Ook oma Ineke en zijn oom Camiel luisteren naar het verhaal van oma Marie (lees meer over het verzet onderaan deze pagina).

Bonnen smokkelen in je fietstas

Oma Marie
Oma Marie Verbraeken is geboren in 1921 in Zeeuws-Vlaanderen. Ze was 19 toen de oorlog uitbrak. De gevechten tussen de Duitse en Nederlandse soldaten in 1940 vonden ver weg van Zeeuws-Vlaanderen plaats, maar ook daar was te merken dat Nederland bezet was door de Duitsers. In het kleine dorpje van oma Marie werden Duitse soldaten ingekwartierd. Dat betekent dat ze bij mensen in huis werden geplaatst.

“Bij mijn moeder thuis was het altijd een zoete inval. Iedereen was er welkom. We hadden een bakkerij en een kruidenierswinkel. Ons huis was heel klein, maar er konden nog altijd mensen bij. In het huis naast ons werd een Duitse commandant ingekwartierd. Op een avond zaten mijn moeder, mijn broers en zussen en ik achter in de tuin een kopje warme chocolademelk te drinken. De Duitse commandant zat in de tuin van de buren. Hij zat heel droevig naar de weilanden te staren. Mijn moeder zag dat en ze bood hem een kopje chocolademelk aan. Hij stapte over het tuinhek en kwam bij ons zitten. Toen bleek dat hij zich zorgen maakte over zijn vrouw, die thuis in Duitsland de slagerij open moest houden met alleen een knechtje van 16 jaar. De buurvrouw kwam de volgende dag langs en zei: ‘Jullie halen de vijand in huis!’ Toen zei mijn moeder: ‘Ja, maar hij is wel een mens.’ 

Kopje water
Op een avond liep een Duitse soldaat de wacht in de straat. Hij stopte bij ons huis onder het raam. Dan bleef hij even staan en liep weer door. Mijn zus en ik wilden een geintje uithalen en we gooiden een kopje water uit het raam. Het was donker, maar het kwam precies op zijn hoofd! Toen werd hij vreselijk kwaad. Hij begon met zijn geweer op de luiken te slaan en riep dat we naar buiten moesten komen. Ik ging op mijn blote voeten en in mijn nachtjapon naar de deur. Toen schrok hij even. Hij zei tegen me dat hij de volgende dag terug zou komen. Het bleek dat hij dacht dat we de po (de plaspot) hadden geleegd op zijn hoofd. Het liep gelukkig met een sisser af. Maar mijn moeder was vreselijk kwaad op mijn zus en mij. ‘Het is verdomme oorlog!’ riep ze tegen ons. We hadden het gevaar niet gezien.

Op een dag kwam meneer Klaaijsen, een vertegenwoordiger (iemand die spullen van een fabriek verkoopt aan winkels) uit Goes, bij ons langs en die vroeg aan mijn moeder of ze een adres wist. Hij moest een onderduiker kwijt. Mijn moeder vond een adres, en later heeft ze nog meer onderduikers geholpen. Maar er was een probleem. Want als je ondergedoken was, dan was je niemand. Je bestond niet. Maar die mensen moesten natuurlijk ook eten. Meneer Klaaijsen vroeg of er iemand voedselbonnen bij hem kon komen halen. ‘Oh’, zei mijn moeder, ‘dat doet onze Marie wel’. En zo ging ik op de fiets naar Goes om die bonnen te halen. Mijn broers konden het niet doen, want die liepen sneller gevaar om opgepakt te worden door de Duitsers. Meisjes waren minder verdacht. Ik ging met de veerpont over de Schelde. Op de terugweg verstopte ik de bonnen onder het karton in mijn fietstas. Zo heb ik ook pakketjes gehaald en een keer een stapel verboden kranten. Ik zag het gevaar er niet zo van in, ik deed het gewoon.

In paniek
Het ging een hele tijd goed. Maar op een dag moest meneer Klaaijsen gewaarschuwd worden. Er was iemand uit het verzet opgepakt en Klaaijsen moest onderduiken. Ik werd er op uit gestuurd. Toen ik aan de overkant kwam, werd ik opgewacht door twee mannen. Ze vroegen me wat ik ging doen. ‘Ik ga naar huis’, zei ik. Ik was in paniek en fietste heel hard weg, het was al donker. Ik deed het licht van mijn fiets uit en ik schoot opeens een zijweggetje in. Zo ben ik ontsnapt. De volgende dag ben ik alsnog naar Goes gefietst, om Klaaijsen te waarschuwen. Toen fietste ik weer naar huis. Maar een paar dagen later ben ik alsnog opgepakt.

Ik werd eerst gevangen gezet in het politiebureau in Axel. Op een dag werd ik overgebracht naar de gevangenis in Haaren, in Brabant. Ik kwam op een cel met drie andere vrouwen. Mijn familie wist niet waar ik was. Op een dag zat mijn celgenote Hetty te borduren. ‘Wat doe je?’ vroeg ik. ‘Ik ben naar huis aan het schrijven’, zei ze. Wat bleek, ze borduurde letters in de zoom van een handdoek. Het was een brief voor haar familie. Als je de zoom weer vastzette, dan zag niemand dat er letters in stonden. De handdoeken gingen met de was mee naar de familie van Hetty buiten de gevangenis. Ik heb ook een handdoek geborduurd en zo kon ik bericht naar mijn familie sturen waar ik was. Ik ben eens een uur lang verhoord in die gevangenis. Op een hele harde manier, het was erg eng. Van tevoren hadden mijn celgenoten tegen me gezegd: ‘Doe alsof je een beetje dom bent.’ Dat lukte me goed, want ik zat op een toneelclub waar ik had leren acteren. Zo lukte het mij om niemand te verraden. Maar ik zat daarna wel drie maanden helemaal alleen in een cel met strenge bewaking.

Later moest ik naar de gevangenis in Vught. Ik kreeg kampkleding met een nummer erop. Die kleding heb ik nog bewaard, een stukje ervan zie je op de foto. In het kamp werkte ik in de Bekleidungskammer, dat betekent dat ik de kleding voor de gevangen regelde. Ik heb in Vught vreselijke dingen gezien. Een transport van Joden naar Duitsland. En mensen die op een rij gezet werden om doodgeschoten te worden. Daar ben ik echt ziek van geworden. In die gevangenis heb ik ook briefjes naar buiten gestuurd, in de kleding van de mensen die naar de wasserij ging. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor anderen.

Na twee maanden kwam ik vrij. Ik ben naar Amsterdam gegaan, omdat ik thuis in het dorp niet veilig was. Ik heb in Amsterdam de Hongerwinter overleefd. Na de oorlog ging ik weer naar huis. Daar werd niet over de oorlog gepraat. ‘Het is voorbij’, zeiden ze. Later leerde ik mijn man kennen en kreeg ik vijf kinderen. Nu vertel ik mijn verhaal op basisscholen aan kinderen. Het belangrijkste dat ik hen wil leren is dat haat niets oplost.”

Oma Ineke
Ineke is de oudste dochter van oma Marie. Ze is na de oorlog geboren, in 1949. Ze vertelt over haar jeugd. “Tien jaar na de oorlog is mijn moeder geestelijk ingestort. Ze had al die tijd niet over de oorlog gesproken, en alles wat ze had meegemaakt werd haar teveel. Ze is drie maanden in een psychiatrisch ziekenhuis geweest. Ik was zes jaar oud en ben samen met mijn broertje uit huis geplaatst, in een klooster bij de nonnetjes. Mijn broer zat bij de paters, maar we zagen elkaar nooit. Ik had het daar wel goed, ik heb er niet zoveel herinneringen meer aan. Maar ik word nog steeds erg verdrietig als ik er aan denk. Ik was zo klein, ik wist niet wat er met me gebeurde.

Mijn moeder heeft daarna nog heel lang niet met ons gesproken over wat ze had meegemaakt. We hadden geen idee van wat haar is overkomen. Pas toen wij, haar kinderen, ouder waren, heeft ze ons het hele verhaal één keer verteld. Ik ben trots op mijn moeder, op wat ze allemaal durfde. Ik heb van mijn moeder hele mooie dingen geleerd. Dat je niemand moet haten, dat iedereen gelijk is. Als ik nu wel eens naar het nieuws kijk, valt me op dat zoveel mensen maar achter iedereen aanlopen, dat ze niet zelf nadenken. Dat heeft mijn moeder in ieder geval niet gedaan!” 

Oom Camiel
De oom van IJsze heet Camiel. Hij is 44 jaar. Hij kent de verhalen van oma Marie ook. “Het is een spannend verhaal. Maar ik merk ook dat ze niet over haar emoties praat. Het is ook moeilijk voor haar geweest, ze is niet voor niets opgenomen geweest in het ziekenhuis. Van mijn vader en mijn opa heb ik ook verhalen over de oorlog gehoord, en ik zie veel overeenkomsten met de tijd waar we nu in leven. Ik vertel mijn kinderen dat mensen verschillend zijn en ik leer ze hoe ze met elkaar om kunnen gaan. Ik hoop dat dat helpt. Op 4 mei kijken we altijd met de kinderen naar de televisie, naar de Nationale Herdenking. Dan zijn we allemaal stil.”

IJsze
IJsze is 8 jaar oud. Hij stelt altijd veel vragen aan omarie. Hij is nieuwsgierig naar wat ze allemaal meegemaakt heeft. “Omarie heeft een keer in de gevangenis een pakje sigaretten gekregen met Kerst. Dat vind ik zo gek, want dat is toch helemaal niet gezond!” Omarie lacht en zegt: “Dat wisten ze toen nog niet hoor, dat roken niet goed voor je was.” IJsze is nog niet op bezoek geweest in de gevangenis in Vught waar zijn oma gevangen zat. “Ik durf dat niet, straks gaat de deur dicht en kan ik er niet meer uit!” Op 4 mei moet IJsze soms wel aan omarie denken. “Maar ik vind het moeilijk om 2 minuten stil te zijn.”


 

Verzet in Nederland

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Nederland bezet door nazi-Duitsland. De democratische rechtsstaat die de Nederlanders beschermde tegen onvrijheid werd afgeschaft. De Duitse bezetter voerde nieuwe wetten en regels in, en wie zich daar niet aan hield, werd streng gestraft. Joodse Nederlanders werden stapsgewijs uitgesloten uit de Nederlandse samenleving, vervolgd en tenslotte vermoord.

De meeste Nederlanders probeerden tijdens de bezetting hun leven zo normaal mogelijk voort te zetten. Een kleine groep Nederlanders koos de kant van de Duitse bezetter. Ongeveer een even grote groep kwam tegen ze in verzet. Soms waren het kleine daden van verzet, zoals het schilderen van anti-Duitse leuzen op muren of het zingen van spotliedjes. Andere mensen deden gevaarlijker werk, zoals het smokkelen van voedselbonnen en illegale kranten, of het helpen van onderduikers. Er waren ook verzetsmensen die geweld gebruikten.

Wie gepakt werd door de bezetter, kreeg een zware straf. Veel verzetsmensen stierven als gevolg van hun acties. Om hen te herdenken zijn er na de oorlog veel monumenten opgericht. In Overveen (Noord-Holland) is er een erebegraafplaats waar veel verzetsmensen begraven liggen.