NC Magazine publiceert elk nummer een gesprek tussen twee mensen van verschillende generaties. Een dubbelinterview met zanger en acteur Harry Slinger (1949) en journalist, econoom en auteur Sheila Sitalsing (1968) over de last van een oorlogsgeschiedenis en over achteloos verkeerde keuzes maken.
De zanger van de popband Drukwerk begon ooit als jongerenwerker en trad op voor krakers, punkers en jongeren in buurthuizen. Drukwerk treedt nog altijd op. Volle zalen brullen mee met alle nummers, momenteel is goldie oldie ‘Laat de rijken de crisis betalen weer zeer populair. Slinger, kind van een vader die in Kamp Vught zat en voor het verzet pakketjes rondbracht. Beiden zijn maatschappijkritisch. Sitalsing kan als geen ander de tijd van nu fileren. Neoliberalisme, het Nederlandse asielbeleid of populisme, thema’s die ze met een paar goed gekozen voorbeelden aan de kaak stelt. Rationeel probeert ze te begrijpen waarom haar grootouders – fanatieke NSB’ers– de verkeerde keuzes maakten. In haar boek Waar ik me voor schaam doet ze haar ‘foute’ familiegeschiedenis uit de doeken en poogt het ‘waarom’ te ontrafelen: “Vlak na de ontdekking liep ik een tijdje rond met het gevoel: ik ben een collaborateursnazaat. Zo moet mijn moeder zich hebben gevoeld. ‘Houd je maar een beetje klein, zorg dat je niet opvalt.’ Ik ben daar inmiddels overheen.”
“Het waren dingetjes, gewoon goed om te weten, een beetje familiegeschiedenis ‘en zo’. Ze wees naar haar laptop, waar ze de weken voor haar dood nog op had zitten scharrelen met moeizame vingers, tikkend tegen de tijd.” (Uit: Waar ik me voor schaam)
‘Biografie.doc’ had Sheila’s moeder het genoemd, enkele A4’tjes over haar levensloop, opgeschreven vlak voor ze overleed in 2017. Uit dit document bleek dat Sheila’s grootvader, opa Sjarrel, al in de jaren dertig lid was geworden van de NSB. Al vóór de oorlog was hij penningmeester en adjudant van de districtsleider van Zuid-Holland geworden, en hij behield die functie in de oorlog. In die oorlogsjaren droeg hij een pistool en ontving hij een salaris van 300 gulden per maand. Een begeesterd NSB’er. Sheila’s grootmoeder, oma Tootje, was een ‘felle NSB’ster’, zo stond in haar dossier in het Nationaal Archief. Ze werkte voor een Duits trustkantoor en collecteerde voor de Winterhulp. En Sheila’s moeder, die zat als meisje bij de Jeugdstorm. Sitalsing zegt dat ze in eerste instantie ‘bozig’ was op haar moeder. “Já zeg, waarom heb je me dat nooit verteld?’ Ik vroeg altijd naar de oorlog, hoe het was om een tienermeisje in de oorlog te zijn. Wat ze zei klopte wel, maar ze liet veel weg. Héél zorgvuldig slalomde ze om het NSB-gedeelte heen.” Zelfs Sheila’s vader, meer dan vijftig jaar getrouwd met haar moeder, was buiten het grote NSB-geheim gehouden.
Ook al is het geen lichtvoetig gesprek tussen de twee, het zal desondanks een vrolijke ontmoeting worden. Het helpt dat Slinger en Sitalsing goed kunnen relativeren. Ze kunnen lachen om de rariteiten die het leven een mens kan voorschotelen. Ze kenden elkaar nog niet. Sitalsing: “Maar ik ken Harry natuurlijk van zijn liedjes, van Drukwerk. Je loog tegen mij natuurlijk. Een enorme meezinger, je hoort het één keer en je weet het…”
Slinger: “En ken je ook Marianneke?” Hij zet in: “Er zijn meisjes die doen het met tegenzin. D’r zijn meisjes die vinden het fijn…”
Sitalsing barst in lachen uit.
Slinger tegen Sitalsing: “Voel je je nu aangesproken?” Hij laat even een stilte vallen. “Maar het gaat over koken… ” Geintje.
Slinger: “Ik denk dat Je loog tegen mij zo’n evergeen is omdat het thema zo klassiek is. Er is wat afgelogen. Ook binnen families over hun oorlogsverleden.”
Sitalsing: “Nou en of.”
Midden in de oorlog
Hun achtergrond verschilt. Slinger was het nakomertje in een katholiek gezin van vijf kinderen, enkele jaren na de oorlog. Een rasechte Jordanees, opgegroeid op driehoog achter, Bloemgracht 121. Zijn moeder Corrie moest als dochter van de melkboer met een juk op de schouders melk aan huis bezorgen, steile trappen op, vaak naar drie- of vierhoog. Ze had er een kapotte rug aan overgehouden. Vader Harry was kleermaker en had een kleermakerij aan huis. Midden in de oorlog, 1943, Amsterdam. Harry: “Mijn vader bracht pakjes rond voor de illegaliteit. Hij belde aan bij het opgegeven adres in Amsterdam-Zuid. Hij wilde het pakje afgeven en toen deden de nazi’s open, ik weet niet of het Nederlandse politieagenten of Duitsers waren. Mijn vader werd meteen afgevoerd naar de Euterpestraat voor verhoor. Hij wist niet wat er in het pakje zat en hij kende ook geen namen. Hij werd door de Sicherheitsdienst in een kast gezet met een lamp voor zijn kop. Hardhandig werd hij verhoord. ‘Vertel wat er in dat pakje zat. Voor wie werk je?’ Hij wist alleen dat hij iets van A naar B moest brengen. Dat was ook het beste voor iedereen, niet te veel weten. Toen is hij naar de gevangenis Amstelveenseweg gebracht (daar zaten in de oorlog opgepakte verzetsmensen, LP, LO).” Slinger senior werd vervolgens gedeporteerd naar Kamp Vught. “Mijn vader was na een kinderziekte doof geworden. In het kamp verloor hij door de zenuwen ook nog eens zijn stem.”
Sheila’s moeder was een meisje in de oorlog. Ze woonde met haar ouders in Den Haag. Haar vader, opa Sjarrel in het boek, was arm uit het toenmalige Nederlands-Indië teruggekomen. “Berooid en beter gewend is een linke combinatie”, constateerde Sitalsing raak in haar boek. Vol overtuiging werd hij al halverwege de jaren dertig lid van de NSB. In de jaren vijftig ontmoette Sheila’s moeder een Surinaamse jongeman die naar Nederland kwam om geneeskunde te studeren. Ze werden verliefd, trouwden, kregen een dochter en emigreerden in de jaren zestig naar Suriname. “Dat kwam mijn moeder ook wel goed uit, weg uit Nederland.” Daar, in Paramaribo, werd hun jongste dochter geboren. Het gezin kwam voor vakantie af en toe terug naar Nederland.
Hoe kan het dat zij, als scherpzinnig journalist, niet door had dat haar moeder en haar grootouders dit cruciale deel van hun oorlogsverleden achterhielden?
Ze lacht: “Ja, bizar hè. En nog wel mijn eigen moeder. Nooit had ze me verteld dat ze bij de Jeugdstorm had gezeten of dat haar ouders na de oorlog gestraft waren en in een interneringskamp hadden gezeten.”
Slinger: “Wat ik interessant vind, je had natuurlijk op school geleerd over de NSB. Hoe keek je daarnaar voor je het wist?”
Sitalsing: “Heel schematisch. Zij waren slechte mensen en dan had je goede mensen. Ik zou zéker in het verzet zijn gegaan, dacht ik als kind. Ik had het met mijn moeder over de oorlog, vroeg haar ook: ‘Zaten er dan Joodse kinderen in je klas? En NSB-kinderen?’”
Slinger de entertainer toont zich vaak in het gesprek, zingend, grappend, geïnteresseerd. Soms afgewisseld met Slinger het gevoelige jongetje, enorm begaan met zijn vader. Tranen in zijn ogen als het gaat over Harry Slinger senior, die ’s nachts de vreselijkste nachtmerries kon hebben. “Gillen, gillen. Dacht hij dat hij weer in het kamp zat.” Harry en zijn moeder legden hem dan op een matras op de grond en probeerden hem gerust te stellen. Slinger, zachtjes: “Zoiets blijft je altijd bij. Daar kom je niet meer van af.” Zijn vader zou al jong overlijden, begin zestig. Fysiek versleten door de ontberingen in Kamp Vught en mentaal ook beschadigd geraakt. “De man had vlak na de oorlog drie hersenvliesontstekingen gehad. Ook zijn hart en longen waren niet goed. Hij had het vaak zó benauwd.”
Vrouwe Justitia
We zitten in de kobaltblauw geverfde burgemeesterskamer in het 18e eeuwse Reghthuys in Westzaan. Een bakelieten draaitelefoon staat in een hoek. Waar kan een gesprek over ‘goede’ en ‘foute’ voorouders in de Tweede Wereldoorlog beter plaatsvinden dan in dit historische rechthuis, waar vroeger schout en schepenen zetelden en recht spraken. Een statige Vrouwe Justitia, met weegschaal in de hoek, ziet toe op een ordentelijk verloop. Harry Slinger, Mokummer van geboorte maar al ruim dertig jaar bewoner in de Zaanstreek, is hier kind aan huis. Slinger treedt er weleens op, er vinden vele huwelijken en feesten plaats en morgen, als de markt op het plein wordt opgezet, is het een koffiehuis: dan zullen zijn vrouw Marijke en hij met de koffiekannen rondgaan.
Hoe kijken Slinger en Sitalsing naar elkaars familiegeschiedenis in het jaar waarin de archieven opengingen van collaborateurs? Voorafgaand aan het gesprek laat Slinger weten dat hij vindt dat zijn gesprekspartner net als hij ‘beschadigd’ is geraakt door de oorlog. “Wij zijn allebei slachtoffers van wat onze ouders hebben gedaan in de oorlog.” Hij is op zijn 22e in therapie gegaan om af te komen van het kampsyndroom van zijn vader, dat op hem ook zijn weerslag had. “Ik heb geleerd die rugzak ook eens af te doen. Om te bekijken: wat kan ik eruit halen, wat kan ik weggooien? Ik kan nu beter met mijn moeilijke herinneringen omgaan.” Zijn vader sprak er soms met hem over, de onmenselijke tijd in Kamp Vught, waar hij een jaar zat. Kaalgeschoren en sterk vermagerd kwam hij terug bij zijn gezin. “Mijn vader en zijn maten pikten uien uit de keuken, want uien zetten vocht af. Ze hadden allemaal dikke benen van het vocht. Omdat mijn vader doof was en niet sprak, schreven zijn maten in het zand wat er gezegd werd. Op een dag werd er tijdens het appel een gevangene doodgeslagen door de bewakers voor de ogen van de rest. Mijn vader wist niet waar het om ging. Hij kwam terug in de barak, zijn maten strooiden zand op de grond en ze gingen schrijven. Dat was omdat die man uien had gepikt. Mijn vader had daar ook gestaan, met zijn zakken vol uien. Hij zei: ‘Die angst, die vergeet je je leven niet meer.’”
Sitalsing: “Ach… Hij sprak er dus wel over.”
Harry, geëmotioneerd: “Met mij, met mij. Omdat ik ook Harry ben.”
Tweede generaties
De artiest en de schrijver behoren beiden tot de tweede generatie, ook al schelen ze bijna twintig jaar. Sitalsing: “Die zwijgende ouders, ja die heb ik aan den lijve ondervonden. Mijn moeder heeft zo alleen rondgelopen met haar schuld- en schaamtevoel. Nu begrijp ik beter waarom ze zweeg. Ik denk dat ze haar kinderen niet wilde belasten met haar jeugd.” Slinger: “Toen ik jong was vond ik zijn verleden heel pijnlijk. Net als jij jouw verleden vindt. Wij tweeën hebben een tik van die oorlog meegekregen, ook al hebben we het niet meegemaakt. Het is aan ons hoe we daarmee omgaan.” De zanger kocht voorafgaand aan dit gesprek Sitalsings boek en las het achter elkaar. Het is zeker niet het eerste boek dat hij las over dit thema. Slinger vertelt dat een van de eerste boeken in de jaren tachtig hierover, Niet de schuld, wel de straf van NSB-kind Rinnes Rijke veel indruk op hem maakte. “Ik heb die meneer een brief geschreven waarin ik hem vertelde dat hij me zo heeft geholpen om begrip te krijgen voor de andere kant. Zij leden ook.”
Slinger, wijst naar Sitalsing: “Als er iemand jou iets kwalijk neemt over dat jouw voorouders NSB waren, moet je me acuut bellen, hè.”
Zij, lachend: “Dan deel je een kopstoot uit.”
Slinger: “Zeker, dan komt de oude bokser in me naar boven. Ik kan daar niet tegen, tegen die domme oordelen.”
Familiegeheim
Het is inmiddels acht jaar geleden dat ze haar familiegeheim ontdekte. Sitalsing toog naar het archief, ging uitzoeken hoe het zat, legde contact met lotgenoten, las boeken over besmette familiegeschiedenissen. De ontdekking was naast onaangenaam ook ongemakkelijk. “Ik was bang dat ik mijn werk voor de Volkskrant niet meer kon doen, al die belerende stukjes van mij, kán dat nog wel met zo’n NSB-familiegeschiedenis? Zou het meespelen in hoe mensen over mij denken?” Geen irrationele gedachte. Sitalsing haalt een ARQ-onderzoek aan dat is uitgevoerd bij het opengaan van de Nederlandse strafdossiers uit de Tweede Wereldoorlog. In een steekproef werd gevraagd hoe de Nederlandse bevolking dacht over kinderen of kleinkinderen die afstammen van collaborateurs. “Een meerderheid had er niet veel problemen mee, een minderheid van zo’n 20% stond er wél negatief tegenover. ‘Ik zou niet op zo iemand stemmen in de politiek’, kwam er dan uit. “Eenvijfde, dat vind ik nog best veel. Maatschappelijk leeft er bij sommigen toch het idee dat je als nazaat besmet bent.” Het hielp, zegt Sitalsing, om er thuis veel over te praten. “Ik heb er meteen over gesproken met mijn man, met onze twee tienerdochters, met mijn zus en met haar dochters. En die jonge meiden zeiden ‘Waar maak jij je druk om?!’ Zij voelen zich geen deel van die geschiedenis. ‘Het is jóuw opa’, zeggen ze steeds. ‘Júllie overgrootvader’, antwoord ik dan. ‘Ja ja, dat moesten ze nog maar eens zien.’ Hun laconieke houding hielp Sitalsing. “Zo kun je er dus ook naar kijken.”
Je schrijft in je boek: “ben ik een ‘collaborateursnazaat’?” Voel je dat zo?
“Inmiddels voel ik dat niet meer zo, maar ja, ik stam wel af van een collaborateur. Daar vloeit ook een opdracht uit voort: ik snap hoe dingen verkeerd kunnen gaan. Ik voel een verantwoordelijkheid: je moet dus echt opletten. Er is bij mij het besef gekomen dat je vrij achteloos keuzes kunt maken die heel erg verkeerd kunnen uitpakken.”
Begrijp je dat je opa nooit spijt heeft gehad?
“Nee. Ik vind het onbegrijpelijk. Dat je zo’n oorlog uitkomt – dan moet toch de enormiteit van alles wat er is gebeurd tot hem zijn doorgedrongen. Er zijn 102.000 mensen vermoord en daar heeft hij een aandeel in gehad, hoe afgeleid ook. Toch kon hij het niet opbrengen om spijt te betuigen.” Slinger: “Maar hoe zou hij het goed hebben kunnen maken? Dat kon toch ook niet meer?” Sitalsing: “Maar je kunt je er wel rekenschap van geven. Zelfs dat kon hij niet. Hij vond dat hij te hard was gestraft.” Het verwarrende vindt Sitalsing de twee gezichten van haar opa: de hardcore NSB’er en de geliefde grootvader. “Opa Sjarrel was een geestige, avontuurlijke man met negen vingers. Hij nam cassettebandjes op met verhalen en geluidseffecten en stuurde die naar ons toe in Suriname. Mijn zus en ik vonden dat supertof om te luisteren. Echt een leuke opa….”
De vrouw van Harry Slinger komt binnen, Marijke. Expressief gezicht, een bos grote, witte krullen. Ze komt terug van een oppasdag op hun kleinkind in Rotterdam en zag nog licht branden in het Regthuys. Donkere lucht, een fles wijn gaat rond. Marijke plagerig tegen Harry: “Heb je haar boek nu helemaal uit gekregen?” Harry: “Jaaa.” Marijke: “Hij had het zo druk, was-ie steeds maar jouw boek aan het lezen.”
STEEKWOORDEN
Dodenherdenking
Slinger: “De laatste jaren dacht ik weleens: moeten we Dodenherdenking zo langzamerhand niet afschaffen en aan de levenden gaan denken? Op 4 mei zit ik het liefst alleen thuis en denk ik aan mijn vader. Die massale toestand op de Dam waar dan opeens ook de soldaten die in Bosnië hebben gediend herdacht moeten worden, hoeft voor mij niet.”
Sitalsing: “Van een tante hoorde ik dat mijn opa eigenlijk zijn hele leven antisemiet is gebleven. Hij foeterde altijd op Dodenherdenking, zei dan: ‘4 mei is geen Dodenherdenking maar Jodenherdenking’. Hij deed er niet aan mee. Ik ben Dodenherdenking steeds belangrijker gaan vinden. Ik vind het zo’n mooi moment. Vlak voor achten is iedereen thuis stil. Ik begrijp dat de herdenking wordt geactualiseerd met nieuwe groepen; toch vind ik dat het in de kern gaat over de oorlog in Nederland en wat Nederland is aangedaan. Van mij mag het dan ook gaan over collaboratie in Nederland. Omdat dat er óók was, omdat we dat niet mogen vergeten. De laatste Dodenherdenking dacht ik aan mijn moeder. Hoe zij de oorlog beleefd moet hebben, hoe zij het moet hebben gevonden dat ik een boek over haar NSB-oorlogsgeschiedenis heb geschreven.”
Februaristaking 2025
Sitalsing: “Mijn boek was nog niet uit en toen kreeg ik een verzoek om daar een toespraak te houden. ‘Dat kan ik echt niet doen’, zei ik, ‘ik heb net ontdekt dat ik een foute opa heb gehad en er staan daar allemaal nazaten van verzetsmensen.’ Geen probleem, zei Jaïr Stranders, de organisator. De toespraak hoefde maar een paar minuten te duren. Ik heb het gedaan, maar ik was zó zenuwachtig in de trein ernaar toe. Ik zat echt in de piepzak. Want ik vond dat ik wel moest vertellen over die collaboratie in mijn familie. Het was een worsteling om de speech te maken. Bloedzenuwachtig was ik. Als ik maar niemand voor het hoofd zou stoten. Na afloop zei Dik de Boef, de voorzitter van de verzetsorganisaties, tegen me: ‘Mag ik je zoenen’? Oooh, dan is het goed gegaan, dacht ik opgelucht. Iemand zei ook tegen me: ‘Het voelt ook wel als een full circle, dat jij hier nu kunt spreken.’ Dat vond ik een hoopvolle gedachte.”

Harry Slinger
Geboren in de Jordaan in 1949 als kind van een kleermaker. Zijn vader Harry Slinger senior bracht in de oorlog pakjes rond voor het verzet. Hij werd gepakt en heeft in Kamp Vught gezeten. Slinger is zanger van Drukwerk (vele hits, onder meer Je loog tegen mij) Hij speelde in films en musicals. In 2024 kwam de biografie Je loog tegen mij uit van Edwin Gitsels, die toetsenist was van Drukwerk. Harry is getrouwd en heeft vier kinderen: één dochter uit zijn eerste huwelijk en een zoon en twee dochters uit zijn tweede huwelijk.

Geboren in 1968 in Paramaribo. Sitalsing is journalist, econoom, radiopresentator en ontving in 2024 een eredoctoraat van de Universiteit van Humanistiek voor haar inbreng in het maatschappelijke debat. Veelgelezen columnist van de Volkskrant. Sitalsing hield een toespraak tijdens de afgelopen Februaristaking. Haar laatste boek gaat over het NSB-verleden van haar moeder en grootouders: Waar ik me voor schaam. Sitalsing is getrouwd en heeft twee dochters.
Dit artikel verscheen eerder in NC Magazine nr. 28 (najaar 2025). Het artikel is geschreven door Leonard Ornstein en Larissa Pans, de foto’s zijn van Paul Tolenaar.