Tegengeschiedenis: de vergeten verhalen van verzetsvrouwen tot leven gebracht

Het was niet dat ze er niet wáren, maar hun volle betekenis werd lang niet gezien: de gemêleerde groep verzetsvrouwen in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de geest van wijlen Selma Leydesdorffs ‘tegengeschiedenis’ brachten deze schrijvers door hun boeken verzetsvrouwen in alle glorie weer tot leven. 

 


 

“Na de oorlog terug in het keurslijf na alles wat ze hadden meegemaakt viel hen niet mee”

Historici Mark Bergsma en Agnes Cremers van Bureau Van Gisteren schreven Verzetsvrouwen: Een onderbelichte geschiedenis en reconstrueerden hierin de levens van tien vrouwen. 

Bergsma: “Agnes en ik vullen elkaars zinnen heel gemakkelijk aan. Het is net een soort huwelijk dat we hebben…”

Cremers: “Inderdaad. En bij het schrijven ‘morfen’ we tot één persoon. We zaten al aardig in de vrouwengeschiedenis met ons educatieplatform F-site en het maken van verschillende tentoonstellingen over historische vrouwen. Dit boek startte rommelig en stormachtig. Mark en ik zijn begonnen met het lezen van vroege studies uit de jaren tachtig over verzetsvrouwen. We lazen veel biografieën van hen. Het was heel moeilijk om tot een selectie van tien te komen.”  

Bergsma: “We zaten erg op de oorlog tot we mooie bronnen vonden van ná de oorlog. Het was zo interessant om te lezen over hoe het naoorlogse leven van veel verzetsvrouwen eruit zag. Hoe moeilijk zij het vonden om het gewone leven weer op te pakken.”

Cremers: “’Vrouwen zijn zo bescheiden, die laten weinig bronnen na’, is het cliché over vrouwen in de geschiedenis. Nou, ik werd overweldigd door alle bronnen die we vonden. Er waren vrouwen die in eigen beheer een boek hadden uitgegeven over hun verzetsjaren, Marie Blommaart had in de gevangenis een borduurwerk gemaakt, we stuitten op vele verslagen van koeriersters van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen.”

Bergsma: “Die verslagen, die bij het NIOD lagen, bevatte alleen schuilnamen van koeriersters en andere vrouwen in het verzet. Omdat we al zo de diepte in waren gegaan met ons vooronderzoek konden we achterhalen wie er achter schuilgingen.”

Cremers: “In het Nationaal Archief lagen de brieven waarin verzetsvrouwen hun nabestaandenpensioen aanvroegen. Een prachtige bron, ze schreven zélf over hun verzetsactiviteiten, hun netwerken, hun gezondheid.”

Bergsma: “Na de oorlog terug in het keurslijf na alles wat ze hadden meegemaakt viel hen niet mee. Verzetsmannen konden zich nog wentelen in hun heldendom, zij moesten terug naar het aanrecht.”

Cremers: “Terwijl niemand meer dezelfde was. Al verbaas ik me ook over de ongelooflijke veerkracht van Anna De Bussy, Hebe Kohlbrugge en Mies Boissevain.”

Bergsma: “We kwamen bij de families over de vloer. Kinderen, neven en nichten, iedereen werkte mee en stelde hun privéarchieven beschikbaar. Het was toenmalig NIOD-directeur Marjan Schwegman die al veel eerder het stereotiepe beeld van verzetsvrouwen deed kantelen. Vrouwen zaten óók in het gewapend verzet; van liquideren tot het vervoeren van wapens. Risicovol, we hoorden over een verzetsvrouw die was uitgegleden op het station met veel te zware pistolen in haar tas. Het mooie is dat Marjan bij dit boek ons klankbord was.” 

 




“Wie schrijven de geschiedenisboeken? De overwinnaars en het patriarchaat.”

Jurist Sophie Poldermans schreef Desnoods met wapens over Hannie Schaft en Truus en Freddie Oversteegen.

“Mijn geschiedenisscriptie ging over Hannie Schaft. Het was 1998, ik zat in de vijfde van het gymnasium en had net De aanslag gelezen van Harry Mulisch. Dat boek is losjes gebaseerd op het verhaal van Hannie en ik raakte gefascineerd door haar. Ik kom uit Haarlem, mijn vader was daar stadsarcheoloog. Via hem kwam ik erachter dat Truus Oversteegen nog leefde; zij zat in de Raad van Verzet en was de verzetsvriendin van Hannie. Ik zocht contact en mocht langskomen. Ze vertelde me haar levensverhaal, hoe zij en haar zus bij het gewapend verzet betrokken raakten. Voor die scriptie kreeg ik een 10, de lerares schreef erbij: ‘Het leest als een oorlogsroman’. Ik bouwde een band op met de zussen. Truus en Freddie heb ik ruim twintig jaar gekend. 

Wie schrijven de geschiedenisboeken? De overwinnaars en het patriarchaat. Mannen dus. Hannie kende iedereen, van Truus en Freddie had niemand gehoord. Desnoods met wapens over Hannie, Truus en Freddie móest er komen. Juist omdat ik de zussen goed kende, durfde ik door te vragen. Wat hebben die verzetsjaren nu echt met je gedaan? Als tiener zag ik Truus en Freddie als superheldinnen, toen ik ouder werd merkte ik hoe enorm getraumatiseerd ze ook waren geraakt door de oorlog. Het was hardcore PTSS waar ze later mee dealden. Toen Freddie overleed was er vanuit de Verenigde Staten opeens veel aandacht voor haar. Haar necrologie stond in de Washington Post. Dat was het moment om mijn boek Seducing and Killing Nazis uit te brengen. Het werd een Washington Post-bestseller. 

‘Illegaliteit’ stond lange tijd gelijk aan ‘verzet’: gewapende (mannelijke) verzetsgroepen. Terwijl het regelen van onderdak en voedsel, wat vele levens redde van onderduikers, vooral werd uitgevoerd door vrouwen. Hannie, Freddie en Truus kozen voor het gewapende verzet. Truus zei een keer grappend: ‘Mijn moeder dacht ook niet toen ik in de wieg lag: die gaat later schieten’. Zij hadden hun eigen moreel kompas. Zo weigerden ze om aanslagen te plegen waar kinderen bij betrokken waren.”

 


 

“Het is onvoorstelbaar en hoopvol hoeveel er toch nog terug te vinden is over vrouwen in het verzet”

Trouw-journalist Rianne van Oosterom werkt aan een boek over de verzetsvrouwen van Trouw 

“Soms blijf ik logeren bij een nabestaande als ik nog druk bezig ben met een archief dat op zolder ligt. In een lege stofzuigerdoos bleken allemaal documenten te zitten. Bij dit onderwerp merk ik dat je heel erg met families moet samenwerken. Kinderen, kleinkinderen, neven en nichten helpen mee om brieven te ontcijferen. Met sommige handschriften ben ik ook heel vertrouwd geraakt. Brieven zijn iets heel intiems. 

De afgelopen twee jaar stortte ik me op het uit de anonimiteit halen van vrouwen die in de archieven namen hadden als ‘het meisje van Kees’ of ‘Joke Den Haag’. Veel namen uit de Trouw-groep zijn daardoor pas net bekend geworden. Er kwamen wel driehonderd namen naar voren. 

Ik had het geluk dat bij iemand die in de jaren tachtig een doctoraalscriptie over verzetsvrouwen had geschreven nog ordners lagen met ingevulde enquêteformulieren door verzetsvrouwen. Het was een megapuzzel, maar deels door die enquêtes kon ik achterhalen wie wie was. Vrouwen bleven lang anoniem. Als de man werd opgepakt of werd vermoord, nam vaak hun vrouw zijn werk over en kwam zij dus een stap hoger in de organisatie. Daar werd na de oorlog niet over geschreven, het ging om de mannen.  

Bij de Trouw-verzetsvrouwen was de motivatie vaak religieus van aard. Ze wilden het goede doen. Het is voor nabestaanden niet niks als het leven van hun moeder wordt uitgeplozen. Ze leren haar beter kennen en ook, postuum, beter begrijpen. 

Het schrijven van een collectieve biografie betekent enorm veel uitzoekwerk. Over het verzet werd weinig vastgelegd. Veel vrouwen hebben wel hun verhalen en ervaringen overgedragen aan hun kinderen. Dus speelt ook oral history een grote rol, maar herinneringen kunnen onbetrouwbaar zijn. Een Trouw-journalist kreeg in de jaren zeventig van een verzetsvrouw uit de Trouw-groep een doos mee met haar verzetsarchief er in. Daar is niks mee gebeurd en die heb ik nu. Een geweldige nieuwe bron. Het is onvoorstelbaar en hoopvol hoeveel er toch nog terug te vinden is over vrouwen in het verzet. 

Met Mark Bergsma, Agnes Cremers en Anna Eva Boogaard vormen we een clubje dat elkaar steunt. De geschiedenissen die we opschrijven vormen een verser beeld van het veelvormige verzet. Ik zit nog midden in het onderzoeks- en schrijfproces en ga er ook op promoveren aan de Theologische Universiteit Utrecht. De enige manier om recht te doen aan deze vrouwen is door grondig te werk te gaan en hun hele verhaal te achterhalen.”

 


 

“Truus van Lier was vergeten geraakt, nu is ze een beetje ‘teruggegeven’ aan de stad.”

Historicus en journalist Jessica van Geel schreef boek Truus van Lier.

“De toenemende aandacht voor de rol van verzetsvrouwen is al een tijd aan de gang. Er verschijnen veel biografieën over vrouwen in het verzet, daar komt een gelaagd beeld uit naar voren. Ze waren zoveel meer dan ‘hulpjes’ van verzetsmannen. 

Marjan Schwegman heeft in 1980 pionierswerk verricht met haar afstudeerscriptie Het stille verzet over verzetsvrouwen. In de jaren zeventig en tachtig kwamen er nieuwe geschiedenissen tevoorschijn door gebruik te maken van oral history, door het ooggetuigen-interview. Daarna zakte de aandacht voor de verzetsstrijdsters in en nu is het er weer. 

Ik was bezig met de biografie van Truus Schröder en bezocht het beroemde Rietveld Schröderhuis in Utrecht. Truus Schröder schreef veel brieven naar overzeese familieleden en regelmatig ging het over haar buurmeisje, Truusje. Over dat haar dochters met Truusje hadden gespeeld. In de oorlog schreef ze: ‘Heb je het gehoord over Truus?’ Na de oorlog stond in een brief dat Willem, de vader van Truus, in 1946 nog steeds naar zijn dochter op zoek was. Wie was toch die Truus die naast het Rietveld Schröderhuis woonde?, dacht ik. En zo stuitte ik op Truus van Lier, een rechtenstudente die betrokken raakte bij het verzet.

Ze kwam uit een welgestelde familie met een Joodse vader. Haar moeder had ariërverklaringen geregeld, haar vader zat ondergedoken, haar ouders waren zelfs gescheiden om veiliger te kunnen zijn. Ze had niet in het verzet gehoeven. De familie had contacten in Duitsland, ze waren al snel op de hoogte van de verschrikkingen van Hitler. 

Al in 1942 sloot Truus zich aan bij het gewapende verzet. Vaak wordt gezegd over jonge mensen dat het onbezonnenheid was, jeugdige overmoed. Dat is niet waar; de gewapende verzetsgroep CS-6 waar ze bij zat, had contacten op het hoogste niveau in Londen. Er werd steeds zorgvuldig afgewogen: wie is gevaarlijk, wie moeten we omleggen? Er werd geloot wie de aanslag moest doen, zodat niet iemand direct hoefde te worden aangewezen. Het was je lot. Heel doordacht eigenlijk. 

Truus was erg moedig, ze spioneerde op vliegbasis Soesterberg en infiltreerde bij de Wehrmacht. Ze doodde de Utrechtse hoofdcommissaris van politie Gerard Kerlen. Truus is verraden en opgepakt. Eén nacht bracht ze door in het huis van SS’er Willy Lages. Wat daar is gebeurd, weten we niet. Ze is op 22-jarige leeftijd geëxecuteerd in Sachsenhausen.

Truus verdiende op zijn minst een boekje voor naast de kassa van het Rietveld Schröderhuis, dacht ik aanvankelijk. Het werd een dikke biografie. Ik heb me hard gemaakt voor een standbeeld. Dat is er gekomen aan de Singel. Truus van Lier was vergeten geraakt, nu is ze een beetje ‘teruggegeven’ aan de stad.”

 


Dit artikel verscheen eerder in NC Magazine nr.29 (voorjaar 2026). Het artikel is geschreven door Larissa Pans, de foto’s zijn van Rogier Veldman.

Tooltip contents