De verloren oorlog

4 mei-voordracht van Dido Michielsen. Uitgesproken tijdens de Nationale Herdenking 2024.

Gesproken woord geldt

Mijn vader, van Nederlandse en Indonesische afkomst, was erbij. In het stinkende ruim vol krijgsgevangenen, aan boord van een helleschip, wekenlang op weg naar kamp Tokyo 7B in Japan. Onderweg werd hij 25 jaar.

Vijf maanden eerder was hij zelf bewaker geweest op een schip. Gewapend met handgranaten had hij toezicht gehouden op honderden Duitse burgers in het ruim van de Ophir, van Java naar India. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger voerde toen alle Duitse mannen af, de vijanden immers van het vaderland.

Mijn vader heeft me niets over zijn hellship verteld, maar ik weet zeker dat hij zijn obsessie met brandschone overhemden en een schoongewassen lichaam eraan heeft overgehouden, zo mensonterend smerig was het daar.

Na de Japanse capitulatie zat hij overigens nog steeds niet riant: in de krappe bestuurderscabine van zijn vechtwagen. Dat was gewoon een tank – een Engels woord dat gek genoeg langer nodig had om in te burgeren dan de toch wat merkwaardige term politionele acties.

Ja, mijn vader was erbij. Officieel heeft hij één oorlog gewonnen, één verloren. De gewonnen Tweede Wereldoorlog maakte van hem een slachtoffer. Maar hoe beoordeel ik de eretekens die hij kreeg na de verloren Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog?

Was mijn vader een held, een slachtoffer of een dader?

Hem herdenken is niet simpel. Zijn oorlogen waren ver weg en maken deel uit van een lange, complexe geschiedenis. Achteraf zwegen alle betrokken partijen. Iedereen had daar z’n eigen argumenten voor, de Nederlanders, de Indonesiërs en de Japanners.

Pas recentelijk blijkt de ‘schone’ koloniale oorlog van 1945 tot 1949 een luchtspiegeling, een met opzet aangebrachte trompe-l’oeil die volop ruimte heeft geboden aan onverwerkte pijn en boosheid, fantasie, hardnekkige vetes en zelfbeklag.

Ik herdenk mijn vader op 4 mei én op 15 augustus, de dag dat Japan capituleerde. Ik denk niet aan hem op zijn sterfdag – maar wel weer op 17 augustus, de datum waarop Indonesië in 1945 zijn onafhankelijkheid uitriep. Wat ging er toen door hem heen?

Twee minuten lang kan ik hem gemakkelijk als slachtoffer van de Japanse bezetter beschouwen. Maar hoe zit het met de jaren daarna, gezien het structurele geweld van de Nederlandse militairen tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog?

Mijn vader was erbij, twee keer, en is er – afgaand op zijn gedrag na thuiskomst in 1950 – nooit overheen gekomen. Hij is niet de enige.

Als kind leerde ik over zijn oorlogen via exotische woorden als harakiri, kamikaze, romusha’s, Gurkha’sen het afschuwelijke troostmeisjes. Kettingberen!

Heroïsche strijdtaferelen speelden zich af in mijn hoofd. ’s Nachts voelde ik aan mijn buik en vroeg me af of ik ook harakiri zou kunnen plegen. Nu vraag ik mij ’s nachts weleens af of mijn vader, de lieveling van zijn moeder, onnodig andermans kinderen heeft gedood.

Onlangs sprak ik vier leden van het koor Lagu Jiwa, wier Indische moeders de twee oorlogen ook hadden meegemaakt. In de Tweede Wereldoorlog waren ze zogenoemde buitenkampers, omdat ze te veel Aziatische genen bezaten om in een Japans burgerkamp te worden opgesloten. Tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog waren ze juist te weinig Aziatisch om veilig te zijn.

Buiten het prikkeldraad ondergingen zij de angst, soms martelingen en verkrachtingen, ze moesten onthoofdingen aanschouwen. Zij hoorden en zagen wat voor gruwelijkheden jongemannen in razernij kunnen begaan met een gepunte bamboespeer.

Deze buitenkampvrouwen sleepten zonder inkomen of bescherming hun kinderen door twee oorlogen heen. Vervolgens lieten ze noodgedwongen alles achter en bouwden in Nederland een nieuw bestaan op voor hun gezin. Soms met, soms zonder man.

Zij hadden bij wijze van spreken geen tijd om zichzelf slachtoffer te noemen. Dat wilden ze ook niet, al kan ik ze makkelijker zo beschouwen dan mijn eigen vader.

Hun leefregels ontstonden vanzelf. Een baby knuffel je pas na het vierde levensjaar, als je inmiddels zeker weet dat het kind in leven blijft. De littekens op je rug verberg je, je kapotte nieren verzwijg je. O, zij wisten wel hoe het kwam dat de buurvrouw nooit kinderen heeft gekregen. Vooruitkijken. Laat maar. Sudah. Niet janken.

Over hun niet-gehuilde tranen zingen hun dochters in het koor, over de vele vragen die resteren, het verdriet dat blijft. En als hun kinderen naar het waarom van dat verdriet vragen, hebben zij daar vaak geen antwoord op. Je kunt niet delen wat je niet weet.

Intussen bladdert de oude trompe-l’oeil af en worden er alweer nieuwe vragen gesteld. Want
ja, misschien heeft mijn vader onnodig geweld gebruikt – maar dan nog: was hij niet eerder een pion in een fout politiek spel? Dus toch weer slachtoffer? Deden de Indische moeders van de koorleden, hoe moedig ook, mee met het koloniale systeem of waren zij er een onbedoeld product van? Zo worstel ik met mijn vragen en spookbeelden.

Zou het niet veel beter zijn als wij ophielden het lijden van onze ouders op onze schouders mee te dragen en door te geven aan ons nageslacht? Dat is nu vaak wel gebeurd, helaas. Maar elke oorlog is verloren wanneer we de spoken te lang in leven laten.

Nu recente conflicten nieuwe generaties vol haat en vijandschap kweken, lijkt het vierentachtig jaar na mei 1940 tijd om oude oorlogen te beëindigen en de trauma’s niet langer door te geven. Dat vergt bereidwilligheid en misschien nog meer: erbarmen.

Barmhartigheid is een mooi, menselijk vermogen. In de Bijbel staan zeven lichamelijke werken van barmhartigheid en zeven geestelijke. De Koran noemt Allah ook wel ar-Rahman, de Barmhartige. Het Hebreeuws kent het woord rachamim. Dat betekent letterlijk ‘ingewanden’, of ‘baarmoeder’, daar is het woord barmhartig weer eenvoudig toe te herleiden. Erbarmen begint dus niet per se in het hoofd. Barmhartigheid kan onze pantsers verzachten zonder dat ieder detail bekend hoeft te zijn. Soms kan kennis, het weten, even worden gemist.

Tegen de generatie die erbij was, onze Indische ouders, zou ik dan ook willen zeggen: ik kan barmhartig zijn zonder jullie leed op mijn schouders te nemen en door te geven. Ik eis zelfreflectie noch een aanklacht van jullie als dat te zwaar valt. Misschien had ik jullie wel kunnen troosten, als je je had uitgesproken. Maar ik ben nu niet op zoek naar gerechtigheid of harde bewijzen.

De Indische vrouwen die hier een toekomst opbouwden, wilden geen slachtoffer zijn. Ze vonden dat ze geluk hadden gehad in hun leven. Dat klopt natuurlijk, gezien de dodelijke slachtoffers van de opeenvolgende oorlogen: de Europese, Indische en Molukse, maar ook de – letterlijk – ontelbare Indonesische en Chinese. Zij verdienen na al die jaren net zo goed ons erbarmen als de Japanse zonen die de oorlog in waren gestuurd, en de doden in Hiroshima en Nagasaki.

Aan mijn vader, aan hen allen schenk ik barmhartigheid. Mijn kinderen geef ik de geschiedenis. Voor hen is de geschiedenis die steeds wordt bijgewerkt onmisbaar om spoken voorgoed te ontmaskeren en te verjagen.

Op 4 mei herleeft de oorlog in ons hoofd en in ons hart. We kunnen dan een poging doen om barmhartig te zijn. Ik buig mijn hoofd voor mijn ader, maar probeer niet gebukt te gaan onder zijn pijn van toen of onder zijn daden. Ik herdenk iedereen die verloren ging, iedereen die groot verlies heeft gekend.

Herdenkingen zijn de ogenblikken waarop oorlogen kunnen stoppen. Twee minuten barmhartigheid als begin, een zachte oefening voor dagelijks gebruik.

Met dank aan: Brenda Beretty, Beryl Purvis, Jill Evers en Vera de Vries van Lagu Jiwa.

Tooltip contents