Burgerschapsonderwijs moet de komende generaties voorbereiden op hun rol in de samenleving. Terwijl er landelijk wordt gewerkt aan het versterken van dit vak, krijgt burgerschap in de klas nu al op allerlei manieren vorm. Maar hoe ziet dat er in de praktijk uit?
In een lokaal op de derde verdieping van het Nova College in Haarlem volgt een groep haar zevende burgerschapsles van het jaar. Voorin hangt een groot digibord, met ernaast een roze poster van Stagemarkt: ‘Stage? Regel het zelf!’ De achterwand van het lokaal is bedekt met een afbeelding van de Londense skyline. Op een paar lege stoelen na zit de klas vol met 22 eerstejaarsstudenten van de Business-opleiding Sales. De docent leest een uitspraak voor: “Als jij in de spiegel kijkt, breekt die”. Waar de klas bij eerdere, mildere statements nog unaniem vond dat je die wel zou kunnen zeggen, ontstaat er nu een discussie in het klaslokaal. Een derde van de studenten staat op; zij vinden dat deze uitspraak wel kan. “Dit is eerder een grapje, ik zou dit niet serieus nemen.”, zegt een van hen. Vanuit de achterste rij klinkt tegengas: “Je weet niet of iemand dit serieus neemt. Als je iemand niet kent en je zegt dit, vind ik dat toch een beetje raar.”.
Wat zich vandaag in deze klas afspeelt, sluit aan bij de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen. Sinds 2006 is het in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs verplicht om aandacht te besteden aan burgerschap. Scholen bepalen zelf hoe zij hier invulling aan geven, maar voor veel leerlingen en studenten is dit herkenbaar als het vak maatschappijleer of burgerschap. Het onderwijs richt zich onder meer op het bijbrengen van sociale, maatschappelijke en politieke competenties die jongeren helpen om hun weg te vinden in de samenleving en actief bij te dragen aan onze democratische rechtsstaat.
Hoe dat onderwijs er in de praktijk uit kan zien, wordt duidelijk op het Nova College. Op dat mbo-college wordt het burgerschapsonderwijs verzorgd door Young Society, een stichting gespecialiseerd in het geven van burgerschapsonderwijs op scholen. De lessen worden gegeven door studenten die bij de organisatie stage lopen. Met hun ‘voor en door jongeren’-aanpak sluiten ze aan bij de leefwereld van mbo-studenten. “Het belangrijkste is dat ze iets nieuws leren en dat je een zaadje plant.”, legt Fleur de Best uit, die ondertussen aan het bijkomen is van een intensieve les. Ze is tweedejaars student Social Work aan de Hogeschool van Amsterdam. In de groep gebeurt veel: de studenten zijn mondig, reageren sterk op elkaar en het begeleiden van de gesprekken die het thema oproept, kost energie. Bijvoorbeeld de taboeonderwerpen die een speciale benadering vragen. “Ik doe alsof elk onderwerp heel normaal is. Soms vinden studenten het heel raar om ergens over te praten waar ze anders niet over zouden praten, maar dan is het juist goed om dat te doen. Dan horen ze ook andere meningen en kunnen ze die met elkaar vergelijken.”
Tijdens de les gaan de studenten, na een aantal stellingen, dieper in op de betekenis van vrijheid van meningsuiting. De Best bespreekt met hen waar de grenzen liggen: er mag veel gezegd worden, maar haatzaaien en oproepen tot geweld mag niet en is strafbaar. Met die kennis in hun achterhoofd beginnen de studenten aan een nieuwe opdracht. Op het digibord staan voorbeelden uit de praktijk, met uitspraken van bekende Nederlanders, politici en burgers die veel maatschappelijke discussie hebben opgeroepen. De studenten moeten inschatten of deze personen zijn vervolgd voor wat ze hebben gezegd. De meningen daarover lopen uiteen. De Best gebruikt de discussie om uit te leggen dat er een verschil is tussen het uiten van kritiek op ideeën en het beledigen van groepen mensen. Met succes: door deze voorbeelden te bespreken, leren de studenten hoe de wet in de praktijk werkt. De opgedane inzichten veranderen zichtbaar de dynamiek in de klas. De emoties zakken, en de studenten beginnen hun mening te onderbouwen met argumenten uit de wet. Die verschuiving laat zien hoe burgerschapsonderwijs jongeren helpt hun waarden te verwoorden en te verdedigen binnen de grenzen van de rechtsstaat.
Voor het Nationaal Comité 4 en 5 mei sluit dit aan bij een belangrijk accent uit het meerjarenbeleidsplan 2026-2031. Daarin staat beschreven dat vrijheid nooit op zichzelf kan bestaan, maar altijd rust op de democratische rechtsstaat. Individuele vrijheden krijgen pas betekenis in een context van democratie, rechtsstaat en gedeeld burgerschap. Vanuit die gedachte vormt burgerschapsvorming een essentieel onderdeel in het beschermen van onze vrijheid. Dat het nodig blijft om te investeren in burgerschapsvorming blijkt onder andere uit eerder onderzoek van ProDemos in samenwerking met het Nationaal Comité 4 en 5 mei. Hoewel jongeren democratische waarden zoals vrijheid en gelijkheid belangrijk vinden, ontbreekt het hen vaak aan de kennis en vaardigheden om die waarden in de praktijk te brengen.
Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onderschrijft eveneens het belang van burgerschapsonderwijs en kondigde in september 2025 maatregelen aan die het burgerschapsonderwijs zouden moeten versterken. Vanaf 2027 gelden er nieuwe kerndoelen die scholen in het primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs in de curricula moeten verwerken. En in het mbo wordt burgerschap vanaf schooljaar 2027-2028 een verplicht vak met kwalificatie-eisen en een vast onderdeel van het examen.
Dit artikel verscheen eerder in NC Magazine nr. 29 (voorjaar 2026). Het artikel is geschreven door Roos van der Molen, de illustraties zijn van Pam Werlotte.