Oorlogsmonumenten - Spoor details

Amsterdam, Hollandsche Schouwburg (foto: Egbert Sepp)
Hollandsche Schouwburg
type spoor
lokatie
Plantage Middenlaan 24 1018 DE
Amsterdam

Hollandsche Schouwburg

De Hollandsche Schouwburg is vóór de oorlog een theaterzaal in Amsterdam. Tijdens de oorlog is het de plaats van waaruit duizenden joden uit Amsterdam en de provincie worden gedeporteerd. Ze gaan hier vandaan onder slechte omstandigheden hun dood tegemoet. Tegenwoordig is het een museum en een gedenkplaats.

Bron
Hollandsche Schouwburg.

De Hollandsche Schouwburg
De Hollandsche Schouwburg opent in 1892 aan de Plantage Middenlaan 24 haar deuren. In 1941 mogen joden van de bezetter niet meer in openbare gelegenheden komen. En dus ook niet in theaters. De Duitsers veranderen dan de naam van het theater in ‘Joodsche Schouwburg’. Joodse artiesten mogen daar nog wel optreden voor joods publiek. De voorstellingen zijn vaak uitverkocht. In de schouwburg trouwen joden ook omdat dat niet meer in het stadhuis mag.

Verzamelplaats voor deportatie
Vanaf begin augustus 1942 maken de Duitsers van de schouwburg een verzamelplaats voor deportatie en een gevangenkamp voor langer verblijf. Ze vinden de schouwburg daar heel geschikt voor. Er zitten namelijk geen ramen in de schouwburg en bovendien ligt de schouwburg aan de rand van de jodenbuurt. Joden krijgen een oproep voor deportatie, maar volgens de Duitsers reageren de joden daar niet snel genoeg op. Daarom houden de bezetters vanaf september 1942 razzia’s. Ook joden uit de provincie worden nu naar de Hollandsche Schouwburg gebracht. De Duitsers registreren de mensen bij binnenkomst. Daarna moeten ze wachten op verder nieuws. Soms duurt dat een aantal uren, maar soms ook weken.

Niet geschikt
Al gauw blijkt dat de zaal van de schouwburg niet geschikt is voor het doel. Mensen zitten in de zaal, op de balkons, de loges en op de trappen. Er zijn maar twee heren- en drie damestoiletten en hooguit twee wastafels. Slaapplekken zijn er niet of nauwelijks en van privacy is geen sprake. Om aan beweging te komen, lopen sommigen rondjes door het gebouw. Al gauw stinkt het er en wordt het er warm en benauwd. De Duitsers vorderen in oktober 1942 de crèche aan de overkant van de straat. Het wordt een dependance van de Hollandsche Schouwburg. Kinderen jonger dan dertien jaar moeten hier wachten op transport. Dan worden ze weer met hun ouders herenigd. De ouders vinden het over het algemeen fijn dat de kinderen in relatief goede omstandigheden kunnen wachten.

Ontsnappen
Walter Süskind, Joop Woortman en Henriëtte Pimentel zorgen voor ontsnappingsroutes vanuit de crèche. Vanaf januari 1943 smokkelen ze kinderen naar buiten. Ze beginnen met baby’s. Die worden uit de crèche gesmokkeld in bijvoorbeeld tassen. Op het Centraal Station worden ze overgegeven aan verzetsmensen. En die zorgen er weer voor dat de baby’s kunnen onderduiken. Later ontsnappen ook andere kinderen. Via aangrenzende panden of tuinen. Ze mogen alleen vertrekken met toestemming van de ouders.
Op 26 juli 1943 wordt de crèche bijna helemaal ontruimd. Er keren maar twee verzorgsters terug. De anderen worden naar Westerbork en verder gedeporteerd. Daarna raakt de crèche door alle razzia’s weer erg vol. Ook dan nog gaat het smokkelen van kinderen door. Op 29 september 1943 ontruimen de Duitsers de crèche definitief.

Deportatie
Soms vertrekt er wel drie keer per week een transport uit de schouwburg. Te voet of met trams, vrachtwagens of bussen brengen de Duitsers de slachtoffers naar Centraal Station of station Muiderpoort. Daar vandaan vertrekken ze naar Westerbork en verder. Vanaf 16 januari 1943 vertrekken jonge joodse gevangenen ook naar Kamp Vught.

Op 29 september 1943 zijn er volgens de Duitsers officieel geen joden meer in Nederland. De joden die er nog wel zijn, zijn illegaal. Als ze worden opgepakt, worden ze in de Hollandsche Schouwburg opgevangen. Pas op vrijdag 19 november 1943 sluiten de Duitsers de schouwburg definitief. Dan vertrekt daar vandaan ook het laatste transport. De transporten vertrekken later vanuit het Huis van Bewaring.

Na de oorlog
Na de oorlog pacht het Piccadilly Theater de Hollandsche Schouwburg. Hij wordt dan weer gebruikt voor besloten voorstellingen. In 1946 vraagt het Piccadilly Theater een vergunning aan voor openbare voorstellingen. Ondanks het feit dat het verhaal van de Hollandsche Schouwburg na de oorlog niet algemeen bekend is, zorgt dat voor veel protest. Een actiecomité haalt binnen een jaar 300.000 gulden op en wil het pand kopen. Maar dat lukt pas na twee jaar. Het Comité Hollandsche Schouwburg geeft het pand dan met voorwaarden aan de gemeente Amsterdam. Er mogen 25 jaar geen ‘vermakelijkheden’ plaatsvinden en er moet een Chapelle Ardente (rouwkapel) worden ingericht.

In 1958 is het gebouw door leegstand ernstig vervallen. De gemeente breekt de schouwburgzaal en het toneel dan af en er komt een binnenhof voor in de plaats. Op de binnenhof wordt een obelisk geplaatst op een voetstuk in de vorm van een liggende davidster. Op de achterwand staat de tekst: ‘Ter herinnering aan hen, die van hier werden weggevoerd. 1940-1945’. De rouwkapel komt naast de voorhal. Hier brandt een eeuwige vlam.

In 1992 gaat het beheer van de Hollandsche Schouwburg over op het Joods Historisch Museum. Het monument wordt in dat jaar uitgebreid met een tentoonstelling voor de jeugd over de jodenvervolging. Ook komt er een toegangsdeur die de Hollandsche Schouwburg afsluit van de straat. De eeuwige vlam wordt naar het midden van de Chapelle Ardente verplaatst. In de gedenkruimte komt een namenwand met 6700 familienamen. De namen symboliseren alle Nederlandse slachtoffers van de jodenvervolging.

Zoek een spoor