Oorlogsmonumenten - Getuigenverhaal-detail

Voor dertien jongens betekende 'mati' echt 'dood'

Getuigenverhaal: Chris van der Ven, Arnhem - Gelderland

Oost-Java, 1944: de Japanse bezetter brengt 350 Indische jongens tussen de 15 en 20 jaar onder in werk- en strafkampen. Het Dampit-kamp is een van die kampen en Chris van der Ven (1928) een van de jongens. Ze vluchten, waarop opsluiting in de gevangenis volgt. Na hevige martelingen bekent het grootste deel voorgenomen misdaden tegen de Japanners, waarna een krijgsraad hen veroordeelt tot zware straffen. Dertien jongens worden onthoofd. Lang blijft dit deel van de oorlogsgeschiedenis onbekend. Chris van der Ven richt in 2001 samen met Philip Everaars het Dampit-monument op, om de herinnering levend te houden.
In Malang
"We woonden in Malang op Oost-Java. Zowel mijn vader als moeder waren Indo-Europeanen, met elk een Nederlandse grootvader. Ik had een zusje, Anneke. Mijn vader was als landstormmilitair, een soort Nationale Reserve, onder de wapens geroepen en hij zat in het zuiden van Java. Meteen na de Japanse inval in 1942, werd hij krijgsgevangen gemaakt en opgesloten in een kantoor in Malang. Later heeft hij op allerlei andere plekken gezeten. Moeder scharrelde de kost bij elkaar met eten bereiden voor anderen en met het maken van kaarsen. Ik verdiende wat met het rondbrengen van rijst en melk."

Bedreiging
"In 1944 begonnen de Japanners het onplezierig te vinden dat er een grote groep Indische jongens anti-Japan was. Wij vormden een bedreiging, want wij zouden bij de landing van de Amerikaanse militairen belangrijke hand- en spandiensten kunnen verlenen. Ze verdachten ons ervan te seinen naar overvliegende geallieerde vliegtuigen. Daarop besloten ze ons op een plek te concentreren. Net als driehonderd andere Indische jongens kreeg ik een oproep om me te melden, met kleding en slaapspullen. We moesten gaan werken in Telogosari, als houthakkers. Met de kampleiding hadden we weinig problemen en als je niet slabakte*, was het er niet onplezierig. In het kamp vroegen ze ons of we anti-Nip** waren. Ik beantwoordde de vragen 'afstand te doen van trouw aan het Nederlands koningshuis en bereid te zijn met de Japanners samen te werken' met nee/nee. Mijn ouders wilden niets met de Jappen te maken hebben. De meeste Indische jongens voelden zich Nederlander. Ondanks haar kwetsbare positie antwoordde mijn moeder ook twee keer nee.***"

Naar Dampit
"Na Telogosari moest ik twee maanden werken in Lawang. Ook daar moesten we ons weer voor of tegen Japan verklaren. Onze anti-Nip houding werd gerespecteerd, zolang we maar werkten. Na Lawang volgde Dampit. Dit kamp was ingericht op de rubber- en koffieonderneming Soember Gesing. Daar werden we gedwongen rubberbomen te kappen. We kregen ruzie met de omwonende bevolking, die ons kwalijk nam dat wij hun bomen omhakten. Een grote groep sloeg vervolgens op de vlucht. Ik lag ziek in een loods, maar een paar mensen namen me mee. Ik ging terug naar huis, maar mijn vrijheid duurde niet lang."

Verraad
"Op 17 oktober 1944 werd er op de deur geklopt, terwijl ik lag te slapen. Een Indonesische rechercheur en een Jap arresteerden me. In slechts een hemd en onderbroek moest ik mee naar het politiebureau. Daar vandaan werd ik overgebracht naar de Lowokwaroe gevangenis, waar ik tot begin juni 1945 zou zitten. In de gevangenis waren de omstandigheden beroerd. Ik zat met een of twee anderen in een cel en sliep op het beton. Een fietslampje hoog aan het plafond bleef de hele nacht aan. In elke cel was er een poepgat met een houten deksel. Het gat kwam uit op de riolering. 's Avonds stak iedereen zijn hoofd daarin en zo konden we met elkaar praten. Bij mij in de buurt zaten geen andere jongens uit Dampit. De Jap hield ons gescheiden. Ik wist lang niet waarom ik in de gevangenis zat. Ja, vanwege die vlucht, maar verder niet. Later zou blijken dat onze arrestaties gestoeld waren op verraad van onze gesprekken in de kampen. We bespraken daar wat we zouden doen als de Amerikanen Java zouden binnenvallen. Ook werd ons enkele sabotageacties in de fabriek van Soember Gesing ten laste gelegd."

Onmenselijk
"Tijdens de verhoren werd ik voortdurend gemarteld. Op een bepaald moment was ik helemaal murw en bekende een aantal onschuldige voorgenomen vergrijpen. Dat ik zou seinen naar de Amerikanen en als gids zou optreden. Hierna volgden nog meer verhoren, waarbij ik werd geëlektrocuteerd met een vliegtuigdynamo, werd gegantoengd - opgehangen aan mijn armen - een waterkuur moest ondergaan en knielen met een stalen staaf tussen mijn knieën. Iedere keer opnieuw dwongen ze je weer van alles te bekennen. Deze Jappen waren onmenselijk."

Militaire krijgsraad
"Begin juni '45 werden wij naar de verhoorcellen overgebracht om het proces-verbaal te ondertekenen. Als je daar voorgenomen misdaden ontkende volgde de koppeling aan een gruwelijk martelapparaat, waarna je heel snel een verklaring ondertekende. Met een groep van zestig man werden we vervolgens voorgeleid voor een militaire krijgsraad. We zeiden dat we alleen bekend hadden onder invloed van de folteringen, maar daar trokken ze zich niets van aan. Met zijn allen op de grond luisterden we naar de Japanse rechtspraak. Er was een Chinese tolk die alles naar het Maleis moest vertalen, maar dit niet goed deed. We verstonden er niets van. Het enige woord dat overkwam was 'mati', Maleis voor 'dood'. We voelden ons erg onplezierig. Eenmaal terug in de verzamelcel werd dat gevoel nog sterker, omdat we speciaal voedsel kregen. Normaliter kreeg een ter dood veroordeelde een galgenmaal met beter eten. Niemand wist voor wie het doodvonnis gold. De volgende dag werden de namen van dertien jongens afgeroepen en zij vertrokken. Later zou blijken dat zij dezelfde dag nog onthoofd werden in de bossen bij Poedjon."

Levenslang
"Met de andere gevangenen werd ik per trein overgebracht naar de Fort Willem I kazerne in Ambarawa. Dit was een gevangenis voor politieke gevangenen, vergelijkbaar met het Oranjehotel in Scheveningen. Daar zat je met veertig jongens in een cel. De uitgesproken straffen varieerden van zeven tot vijftien jaar en enkelen kregen levenslang. Ik hoorde daar van een klerk dat ik was veroordeeld tot 'selama lama hidoep' - levenslange gevangenisstraf. Door de martelingen bij de ondervragingen en de totale slechte behandeling kwamen zeker nog acht jongens en wellicht meer om. Hoeveel precies was later niet te achterhalen, omdat het gemeentehuis van Malang - waar de dossiers lagen - was verbrand. In Fort Willem I moest ik rijstzakken weven, een voorgeschreven aantal per dag. Als je dit niet voor elkaar kreeg werd je geslagen. Op zondag hoefden we niet te werken, maar moesten we naar een Japanse propagandafilm kijken. We kregen nauwelijks te eten, een schep rijst en wat waterige groene soep. Soms gaf een miljonair die de bewakers omkocht mij een klein stukje rode suiker met gember. Daar zat ik dan uren op te zuigen."

Naar het hospitaal
"Ik was de kleinste en magerste. Omdat ik door ernstige verzwakking flauw viel werd ik overgebracht naar het hospitaal. In de gevangenis had ik op de betonnen vloer een abces opgelopen en daardoor kon ik mijn rechterbeen niet meer bewegen. Op 31 augustus '45 - de verjaardag van koningin Wilhelmina - zag ik in het ziekenhuis een bommenwerper overkomen waarop niet geschoten werd, en een Hollands vlaggetje aan een lange bamboestok. Ik kan me het daarop volgende gevoel van onbeschrijflijk geluk nog zo voor de geest halen. De bommenwerpers lieten rantsoenen met eten vallen, met poedermelk, sigaretten en chocolade. Er zijn toen nog veel mensen gestorven aan overvoeding. Ik had het geluk dat ik me niet kon bewegen en van een verpleger mondjesmaat eten kreeg. In december '45 zag ik mijn moeder, zusje en vader terug in Surabaja. Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 vertrokken we naar Nederland."

Tastbare herinnering aan onplezierige tijd
"Met mij was Philip Everaars een van de andere Dampit-jongens en hij maakte min of meer hetzelfde mee als ik. We leerden elkaar pas in Nederland kennen bij een reünie bij Pelita**** en deelden de gruwelijke ervaringen, die zoveel jaar na dato nog regelmatig opspeelden. De groep jongens besloot de Stichting Strafkamp Dampit op te richten, omdat we beiden vonden dat er een tastbare herinnering moest komen aan deze onplezierige tijd. Sindsdien spreken we over de 'Dampit-affaire'. Elk jaar herdenken we bij het Dampit-monument in Bronbeek de slachtoffers, van wie we sommige persoonlijk gekend hebben."

* Slabakken: luieren

** Anti-Nip: anti-Japans

*** De Dampit-affaire: eind 1943 moet het Indo-Europese bevolkingsdeel van de door de Japanners bezette grote steden op Java (Malang, Batavia, Semarang en Bandung) een loyaliteitsverklaring ondertekenen. Men moet schriftelijk antwoord geven op twee vragen:

  1. 1. afstand doen van trouw aan het Nederlandse Koningshuis;
  2. 2. zich bereid verklaren met de bezetter mee te werken aan de vorming van een groot–Aziatische wereldmacht.
De meeste Indische mensen beantwoorden beide vragen - ondanks bedreigingen - met “neen/neen”. Wat de bezetter hen niet in dank af neemt, maar wat hem tegelijkertijd in de kaart speelt omdat hij nu de gelegenheid krijgt op te treden tegen de grote groep nog vrij rondlopende, weerbare Indische jongens, van wie de Japanse bezetter weet dat zij een reëel gevaar vormen, omdat zij ongetwijfeld de zijde van de geallieerden zullen kiezen bij een invasie.

**** Pelita: stichting die hulpverlening biedt aan de getroffenen van de oorlog met Japan en de Bersiaperiode.

Bronnen:

  • De Dampit-affaire, historisch onderzoek in opdracht van de Stichting Strafkamp Dampit door Julika Vermolen; Amsterdam, 1999;
  • Malangse jeugdherinneringen van voor-, tijdens- en na de Japanse bezetting, verzameld en uitgegeven door de Stichting Strafkamp Dampit; 2001;
  • Malangse jeugdherinneringen van voor-, tijdens- en na de Japanse bezetting, verzameld en uitgegeven door de Stichting Strafkamp Dampit; 2001;
  • De Dampit-affaire, historisch onderzoek in opdracht van de Stichting Strafkamp Dampit door Julika Vermolen; Amsterdam, 1999.
Terug