Nadat Nederlands-Indië in maart 1942 was gecapituleerd, gingen de Japanners er spoedig toe over om de Europese en een
deel van de Indo-Europese bevolking te interneren in kampen. In Nederland wordt de collectieve herinnering aan de oorlog in Azië sterk bepaald door de herinnering aan de internering in de
kampen en de wreedheden en vernederingen die men daar heeft ondergaan.
Het immense eilandenrijk van Nederlands-Indië vormde sinds de negentiende eeuw
een Nederlandse kolonie. Toch was de Nederlandse aanwezigheid in feite zeer
gering: er woonden circa 80.000 ‘totoks’ (volbloed Europeanen) en circa 200.000
mensen van gemengde afkomst (Indische Nederlanders of Indo’s) op een bevolking
van 70 miljoen Indonesische inwoners.
Burgerslachtoffers
Japan had een ernstig tekort aan grondstoffen. Daarom besloot het
Nederlands-Indië, dat rijk was aan olie, te veroveren. De inheemse bevolking
reageerde gemengd op de Japanse bezetting. Ze dachten dat Japan hen zou helpen
hen van het koloniale juk te verlossen. Japan hield de nationalisten echter aan
het lijntje. De inheemse burgerbevolking had zeer te lijden onder de Japanse
bezetters. Ze werden als hulpsoldaten, dwangarbeiders of prostituees gebruikt.
Volgens sommige schattingen verloor een derde van de circa tien miljoen
dwangarbeiders het leven.
Geïnterneerden
De Japanners gingen er spoedig na de capitulatie toe over om de Europese en een
deel van de Indo-Europese bevolking te interneren in kampen, tezamen 100.000
mensen. Nergens in Zuidoost-Azië zijn er zoveel burgers geïnterneerd als hier.
Het was niet de bedoeling van de Japanners om de geïnterneerden te vermoorden,
maar wel om de Europeanen te vernederen en belachelijk te maken.

Aanvankelijk werden ze in ruim 225 interneringsoorden samengebracht,
variërend van schoolgebouwen tot hele stadswijken. De vrouwen, kinderen en
ouderen werden gescheiden van de mannen; de jongens bleven tot hun 12e (later
10e) bij hun moeder en moesten daarna naar het mannenkamp. De vrouwen hadden
aanvankelijk een redelijke bewegingsvrijheid in de kampen: ze konden zelf
voedsel kopen of verbouwen. Naarmate de oorlog voortduurde werd de situatie steeds
erbarmelijker.
In sommige kampen moesten de geïnterneerden harde en zinloze arbeid
verrichten. Een onbekend aantal vrouwen werd gedwongen om als prostitué te
werken voor het Japanse leger (de zogenaamde troostmeisjes). Vooral vanaf 1944
werden de geïnterneerden geconcentreerd in enkele heel grote kampen (bijvoorbeeld
Ambarawa en Tjideng). Er begonnen zich steeds meer tekenen van ondervoeding te
openbaren en de sterfte in de kampen liep snel op. Ruim 13.000 mensen kwamen om
het leven.
In Nederland wordt de collectieve herinnering aan de oorlog in
Nederlands-Indië sterk bepaald door de herinnering aan de internering in de
kampen en de wreedheden en vernederingen die men daar heeft ondergaan. Deze
werden verergerd door het feit dat men totaal onbekend was met de Japanse taal
en cultuur. Het buigen voor de Japanner, een in Japan gebruikelijke vorm van
beleefdheid, kwam model te staan voor de vernedering.
Bersiap
De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki maakten in augustus 1945 een einde
aan de oorlog. Voor veel mensen die de oorlog in Zuidoost-Azië hebben
meegemaakt is 15 augustus daarom hun belangrijkste dag voor herdenking. Maar
twee dagen later riepen de Indonesische nationalisten de Republik Indonesia
uit. In het machtsvacuüm dat op de Japanse capitulatie volgde vielen grote
delen van het land in handen van de nationalisten. Dit wordt wel de bersiap
tijd genoemd (bersiap = weest paraat). Vele Europeanen en zij die met de
Europeanen geassocieerd werden moesten voor hun veiligheid in de kampen
blijven, nu onder Japanse bescherming. Deze periode kostte

3500 Nederlanders en
Indische Nederlanders het leven. Op 27 december 1949 droeg Nederland de
soevereiniteit over aan Indonesië.
Het uitroepen van de eenheidsstaat in 1950 betekende niet voor iedereen een
oplossing. Op de Molukken werd een eigen staat uitgeroepen en veel Molukse militairen,
die gediend hadden in het KNIL (Koninklijk Nederlands Indisch Leger) vetrokken
naar Nederland. In totaal vertrokken tussen 1945 en 1962 (toen ook het laatste
restje Aziatisch Nederland, Nieuw-Guinea moest worden opgegeven) ruim 300.000
mensen vanuit Zuidoost Azië naar Nederland. Zij moesten moeizaam hun weg vinden
in Nederland, waar ze zich niet echt welkom voelden.