Poldermodel: vrijheid als exportartikel
29-04-2008
René Paas, voorzitter CNV.
De vrijheid van meningsuiting en godsdienst en vrijwaring
van angst en armoede. Het zijn de vier fundamentele vrijheden die de toenmalige
Amerikaanse president Roosevelt in 1941 formuleerde in zijn beroemde Four Freedoms-speech.
Deze vier vrijheden zijn zo nauw met elkaar verbonden, dat zij samen zorgen
voor stabiliteit en vrede. Valt één van de schakels uit, dan leidt dit tot
onrust en conflicten.
Nederlanders vinden sociale mensenrechten belangrijk. Uit het Nationaal Veiligheidsonderzoek 2007 blijkt dat we het recht op woon- en werkgelegenheid en sociale zekerheid de belangrijkste rechten vinden, na de vrijheid van meningsuiting. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat Nederlanders het belangrijk vinden dat meer mensen meegenieten van de welvaart. Ze willen de welvaartskloof verkleinen en streven naar een meer gelijke verdeling van geld en goederen op de wereld, omdat dat een belangrijke voorwaarde is voor vrede.
De markt als Haarlemmerolie
Er zijn mensen die de vrije handel en globalisering zien als Haarlemmerolie. Via handel kunnen ontwikkelingslanden zichzelf uit het slop trekken, luidt hun redenering. Bewijzen liggen voor het oprapen: ontegenzeggelijk heeft globalisering er voor gezorgd dat voormalige ontwikkelingslanden zich ontwikkelen tot economische grootmachten. Maar de werkelijkheid voor de allerarmsten is beduidend minder zonnig. Een treffend voorbeeld is de catastrofe die dreigt met voedselprijzen. De onontkoombare logica van de markt grijpt ons naar de keel. Deskundigen voorspellen dat in de komende periode miljoenen mensen zullen sterven door gebrek aan eten. Wrang genoeg komt dat vooral door de groeiende welvaart in de wereld. Inwoners van China en India kunnen meer en duurder eten betalen. Meer vlees. En de productie van vlees kost ongeveer tien keer zo veel plantaardig voedsel. De rest van het probleem is een kwestie van vraag en aanbod. Maar er loeren meer gevaren. De wereldbevolking groeit gestaag door, de hoeveelheid landbouwgrond neemt af en door droogte zijn in het afgelopen jaar veel oogsten mislukt. Tenslotte wordt het met deze prijzen op de wereldmarkt ook heel interessant om met voedsel te speculeren. De gevolgen laten zich raden. Er is wereldwijde handel. De welvaart neemt toe. De honger rukt op. In verschillende landen waren de afgelopen maand voedselrellen. En het ergste moet nog komen. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ is van een beklemmende actualiteit. De markt is onmisbaar. Maar de markt lost het niet op.
Poldermodel: hot or not?
De conclusie dat de markt correctie behoeft, is in Nederland al lang geleden getrokken. In de sociale markteconomie die zich in Nederland heeft ontwikkeld, bestaat vrijheid in gebondenheid aan andere dan louter economische doelen. Dus we diskwalificeren de vrije markt niet. Maar we temmen haar wel. Als de vrije markt onze grondwaarden aantast, moet iemand ingrijpen. Niet per se de overheid. Het liefst werkgevers en werknemers onderling. Zo laten wij de arbeidsmarkt niet regeren door het vrije spel der maatschappelijke krachten, maar sluiten wij collectieve arbeidsovereenkomsten af. Ik denk dat er belangrijke lessen zijn te trekken uit het Nederlandse poldermodel. Als je hoort wat er de laatste jaren over onze overlegeconomie wordt gezegd, lijkt ze op sterven na dood. ‘De polder staat op springen', 'exit poldermodel', het is 'een ongezond paringsritueel' of 'een model dat is uitgewerkt'. Krantenkoppen schreeuwen duidelijke taal. Politici en columnisten genoeg die bereid zijn de polder dood te verklaren, met name in het licht van de internationale concurrentie. Is er nog toekomst voor het poldermodel?
Ik denk van wel. Ik denk zelfs in alle bescheidenheid dat het poldermodel wat kan betekenen voor de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog heerste in ons land het gezamenlijke besef dat de wederopbouw alleen kon slagen als iedereen de armen uit de mouwen zou steken. Er was overleg nodig om de grote problemen van de wederopbouwperiode aan te pakken. Het legde de basis voor wat later ‘het poldermodel’ is gaan heten. In die jaren kwam de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie tot stand. Die gaf werknemers meer invloed op de gang van zaken in bedrijven. Geleidelijk ontstond ook een stelsel van sociale zekerheid. Het beleid van de overheid richt zich op het economisch herstel en door de geleide loonpolitiek blijven de lonen laag en kan met succes op de wereldmarkt worden geopereerd.
De polder maakt maatschappelijk draagvlak. Bij polderen hoort compromissen sluiten. Het slaagt niet als er geen vertrouwen is tussen de hoofdrolspelers. Het lukt evenmin als we niet bereid zijn om rekening te houden met elkaars belangen. Als we niet bereid zijn om concessies op de korte termijn te doen in verband met de toekomst. Een toekomst waarin we elkaar weer nodig hebben. In de manier waarop wij onze sociale dialoog tussen overheid, werkgevers en werknemers hebben vormgegeven, speelt daardoor sociaal economische solidariteit een belangrijke rol. We kunnen niet zonder elkaar en we laten elkaar dus uiteindelijk niet zakken.
Exportartikel
Misleide zielen houden het poldermodel voor achterhaald. Ze zitten er naast. De overlegeconomie zoals wij die kennen, heeft ons echter een grote mate van sociaal-economische vrijheid gegeven. De landen om ons heen, zoals Groot-Brittannië en Duitsland, missen de traditie van de overlegeconomie. Gevolg: overheid, werkgevers en werknemers leven voortdurend op gespannen voet en dat leidt weer tot economische en maatschappelijke spanningen. In Nederland zijn de overheid, werkgevers en werknemers er gezamenlijk in geslaagd om via de sociale dialoog de grootste excessen van het keiharde kapitalisme weg te filteren.
Ook buiten Europa zouden landen gebaat zijn bij een dergelijk poldermodel. Uit de intensieve contacten die het CNV onderhoudt met vakbonden in ontwikkelingslanden, blijkt dat vakbonden wereldwijd behoefte hebben aan een ‘sociale dialoog’ zoals wij die in Nederland kennen: het overleg tussen overheid, werknemers en werkgevers. Ook zij zien dat via sociale dialoog veel problemen kunnen worden opgelost. Wij dringen er bij zowel overheden als onze partner-vakbonden op aan om steeds het contact met elkaar te zoeken om op die wijze tot betere arbeidsomstandigheden te komen voor werknemers.
Solidariteit, vrijheid en een kritische dialoog.
De twee begrippen die dit jaar door het Nationaal Comité 4 en 5 mei centraal zijn gesteld, zijn nauw met elkaar verbonden. Wij zien dat in landen die door dictatoriale regimes worden geregeerd. Een voorbeeld is Cuba waar vrije vakbonden op geen enkele wijze hun werk kunnen uitoefenen. Werknemers zijn verplicht lid van de staatsvakbond. Andere vakbonden, zoals de partnervakbond die wij als CNV steunen, zijn verboden. In zo’n land kan solidariteit alleen maar bestaan als er ook de vrijheid heerst om die solidariteit te tonen.
Een paar weken geleden ontmoette ik de Cubaanse vakbondsman Pedro Pablo Alvarez. Net vrijgelaten na vijf jaar gevangenschap vanwege zijn vakbondswerk. Ik kende zijn gezicht alleen van foto’s: ik had hem ‘geadopteerd’ en het CNV voerde actie voor zijn vrijlating. Een dag voor het Cuba-kamerdebat met minister Verhagen sprak Alvarez met leden van de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. Alvarez praatte al de hele dag. ’s Morgens nog had hij een inspirerend verhaal gehouden voor medewerkers van het CNV. In de Tweede Kamer drong hij aan op een ‘kritische dialoog’ met Cuba. Zijn eigen land, waar hij niet meer naar terug mag keren. Op ons doet hij een klemmend beroep om die sociale dialoog voor hem te voeren: ‘Als de Cubaanse overheid wil dat Europa flink handel gaat drijven, dan mag daar ook wel wat tegenover staan’, vindt Alvarez.
Alvarez dringt aan op wat Nederland al sinds jaar en dag in huis heeft. Een traditie waarin zaken nooit domweg zaken zijn. Waarin je elkaar aanspreekt op verantwoordelijkheid. En waarin betrokkenheid blijkt uit een kritische sociale dialoog. De vier fundamentele vrijheden van Roosevelt vormen ook hiervoor een belangrijke basis. De vrijheid van meningsuiting: alleen als wederzijds respect voor elkaars mening heerst, kan op gelijkwaardige voet elke dialoog worden aangegaan. Daarvoor is ook een klimaat noodzakelijk waarin allen zich vrij voelen om hun mening te geven. Niet louter om het geven van de mening zelf, maar wel om die te kunnen toetsen bij de ander. Daarnaast zijn het respect en waardering voor elkaars religieuze- of levensovertuiging een belangrijk uitgangspunt voor elke vorm van dialoog. Uiteindelijk moet de sociale dialoog resulteren in de laatste twee vrijheden van Roosevelt: vrijwaring van angst en armoede. Landen die deze vier fundamentele vrijheden niet kunnen bieden, hebben een groot probleem. En dan heb ik het niet alleen over de door dictators geleide naties, maar ook over landen die over een fragiel democratisch stelsel beschikken. Zoals Nederland, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk wist niemand die tijd goed te duiden: sommigen beschouwden die als een volledig nieuwe start, terwijl anderen naarstig zochten naar de zekerheden van vóór 1940. Toch wisten wij elkaar te vinden door de dialoog aan te gaan. Te zoeken naar elkaars waarden en te vinden waar we gezamenlijk voor staan. Het polderen vond daar zijn oorsprong.
Het is eigenlijk zo gek nog niet om de grote maatschappelijke problemen te bespreken. Veel landen proberen hun eigen sociale dialoog vorm te geven. Soms met onze ondersteuning. Problemen worden beter, duurzamer opgelost als de grootste tegenstanders elkaar aan onderhandelingstafels spreken. Laten we de machine van de solidariteit, de sociaal-economische polder, maar eens als exportartikel voor vrijheid gebruiken.
Nederlanders vinden sociale mensenrechten belangrijk. Uit het Nationaal Veiligheidsonderzoek 2007 blijkt dat we het recht op woon- en werkgelegenheid en sociale zekerheid de belangrijkste rechten vinden, na de vrijheid van meningsuiting. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat Nederlanders het belangrijk vinden dat meer mensen meegenieten van de welvaart. Ze willen de welvaartskloof verkleinen en streven naar een meer gelijke verdeling van geld en goederen op de wereld, omdat dat een belangrijke voorwaarde is voor vrede.
De markt als Haarlemmerolie
Er zijn mensen die de vrije handel en globalisering zien als Haarlemmerolie. Via handel kunnen ontwikkelingslanden zichzelf uit het slop trekken, luidt hun redenering. Bewijzen liggen voor het oprapen: ontegenzeggelijk heeft globalisering er voor gezorgd dat voormalige ontwikkelingslanden zich ontwikkelen tot economische grootmachten. Maar de werkelijkheid voor de allerarmsten is beduidend minder zonnig. Een treffend voorbeeld is de catastrofe die dreigt met voedselprijzen. De onontkoombare logica van de markt grijpt ons naar de keel. Deskundigen voorspellen dat in de komende periode miljoenen mensen zullen sterven door gebrek aan eten. Wrang genoeg komt dat vooral door de groeiende welvaart in de wereld. Inwoners van China en India kunnen meer en duurder eten betalen. Meer vlees. En de productie van vlees kost ongeveer tien keer zo veel plantaardig voedsel. De rest van het probleem is een kwestie van vraag en aanbod. Maar er loeren meer gevaren. De wereldbevolking groeit gestaag door, de hoeveelheid landbouwgrond neemt af en door droogte zijn in het afgelopen jaar veel oogsten mislukt. Tenslotte wordt het met deze prijzen op de wereldmarkt ook heel interessant om met voedsel te speculeren. De gevolgen laten zich raden. Er is wereldwijde handel. De welvaart neemt toe. De honger rukt op. In verschillende landen waren de afgelopen maand voedselrellen. En het ergste moet nog komen. ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ is van een beklemmende actualiteit. De markt is onmisbaar. Maar de markt lost het niet op.
Poldermodel: hot or not?
De conclusie dat de markt correctie behoeft, is in Nederland al lang geleden getrokken. In de sociale markteconomie die zich in Nederland heeft ontwikkeld, bestaat vrijheid in gebondenheid aan andere dan louter economische doelen. Dus we diskwalificeren de vrije markt niet. Maar we temmen haar wel. Als de vrije markt onze grondwaarden aantast, moet iemand ingrijpen. Niet per se de overheid. Het liefst werkgevers en werknemers onderling. Zo laten wij de arbeidsmarkt niet regeren door het vrije spel der maatschappelijke krachten, maar sluiten wij collectieve arbeidsovereenkomsten af. Ik denk dat er belangrijke lessen zijn te trekken uit het Nederlandse poldermodel. Als je hoort wat er de laatste jaren over onze overlegeconomie wordt gezegd, lijkt ze op sterven na dood. ‘De polder staat op springen', 'exit poldermodel', het is 'een ongezond paringsritueel' of 'een model dat is uitgewerkt'. Krantenkoppen schreeuwen duidelijke taal. Politici en columnisten genoeg die bereid zijn de polder dood te verklaren, met name in het licht van de internationale concurrentie. Is er nog toekomst voor het poldermodel?
Ik denk van wel. Ik denk zelfs in alle bescheidenheid dat het poldermodel wat kan betekenen voor de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog heerste in ons land het gezamenlijke besef dat de wederopbouw alleen kon slagen als iedereen de armen uit de mouwen zou steken. Er was overleg nodig om de grote problemen van de wederopbouwperiode aan te pakken. Het legde de basis voor wat later ‘het poldermodel’ is gaan heten. In die jaren kwam de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie tot stand. Die gaf werknemers meer invloed op de gang van zaken in bedrijven. Geleidelijk ontstond ook een stelsel van sociale zekerheid. Het beleid van de overheid richt zich op het economisch herstel en door de geleide loonpolitiek blijven de lonen laag en kan met succes op de wereldmarkt worden geopereerd.
De polder maakt maatschappelijk draagvlak. Bij polderen hoort compromissen sluiten. Het slaagt niet als er geen vertrouwen is tussen de hoofdrolspelers. Het lukt evenmin als we niet bereid zijn om rekening te houden met elkaars belangen. Als we niet bereid zijn om concessies op de korte termijn te doen in verband met de toekomst. Een toekomst waarin we elkaar weer nodig hebben. In de manier waarop wij onze sociale dialoog tussen overheid, werkgevers en werknemers hebben vormgegeven, speelt daardoor sociaal economische solidariteit een belangrijke rol. We kunnen niet zonder elkaar en we laten elkaar dus uiteindelijk niet zakken.
Exportartikel
Misleide zielen houden het poldermodel voor achterhaald. Ze zitten er naast. De overlegeconomie zoals wij die kennen, heeft ons echter een grote mate van sociaal-economische vrijheid gegeven. De landen om ons heen, zoals Groot-Brittannië en Duitsland, missen de traditie van de overlegeconomie. Gevolg: overheid, werkgevers en werknemers leven voortdurend op gespannen voet en dat leidt weer tot economische en maatschappelijke spanningen. In Nederland zijn de overheid, werkgevers en werknemers er gezamenlijk in geslaagd om via de sociale dialoog de grootste excessen van het keiharde kapitalisme weg te filteren.
Ook buiten Europa zouden landen gebaat zijn bij een dergelijk poldermodel. Uit de intensieve contacten die het CNV onderhoudt met vakbonden in ontwikkelingslanden, blijkt dat vakbonden wereldwijd behoefte hebben aan een ‘sociale dialoog’ zoals wij die in Nederland kennen: het overleg tussen overheid, werknemers en werkgevers. Ook zij zien dat via sociale dialoog veel problemen kunnen worden opgelost. Wij dringen er bij zowel overheden als onze partner-vakbonden op aan om steeds het contact met elkaar te zoeken om op die wijze tot betere arbeidsomstandigheden te komen voor werknemers.
Solidariteit, vrijheid en een kritische dialoog.
De twee begrippen die dit jaar door het Nationaal Comité 4 en 5 mei centraal zijn gesteld, zijn nauw met elkaar verbonden. Wij zien dat in landen die door dictatoriale regimes worden geregeerd. Een voorbeeld is Cuba waar vrije vakbonden op geen enkele wijze hun werk kunnen uitoefenen. Werknemers zijn verplicht lid van de staatsvakbond. Andere vakbonden, zoals de partnervakbond die wij als CNV steunen, zijn verboden. In zo’n land kan solidariteit alleen maar bestaan als er ook de vrijheid heerst om die solidariteit te tonen.
Een paar weken geleden ontmoette ik de Cubaanse vakbondsman Pedro Pablo Alvarez. Net vrijgelaten na vijf jaar gevangenschap vanwege zijn vakbondswerk. Ik kende zijn gezicht alleen van foto’s: ik had hem ‘geadopteerd’ en het CNV voerde actie voor zijn vrijlating. Een dag voor het Cuba-kamerdebat met minister Verhagen sprak Alvarez met leden van de Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken. Alvarez praatte al de hele dag. ’s Morgens nog had hij een inspirerend verhaal gehouden voor medewerkers van het CNV. In de Tweede Kamer drong hij aan op een ‘kritische dialoog’ met Cuba. Zijn eigen land, waar hij niet meer naar terug mag keren. Op ons doet hij een klemmend beroep om die sociale dialoog voor hem te voeren: ‘Als de Cubaanse overheid wil dat Europa flink handel gaat drijven, dan mag daar ook wel wat tegenover staan’, vindt Alvarez.
Alvarez dringt aan op wat Nederland al sinds jaar en dag in huis heeft. Een traditie waarin zaken nooit domweg zaken zijn. Waarin je elkaar aanspreekt op verantwoordelijkheid. En waarin betrokkenheid blijkt uit een kritische sociale dialoog. De vier fundamentele vrijheden van Roosevelt vormen ook hiervoor een belangrijke basis. De vrijheid van meningsuiting: alleen als wederzijds respect voor elkaars mening heerst, kan op gelijkwaardige voet elke dialoog worden aangegaan. Daarvoor is ook een klimaat noodzakelijk waarin allen zich vrij voelen om hun mening te geven. Niet louter om het geven van de mening zelf, maar wel om die te kunnen toetsen bij de ander. Daarnaast zijn het respect en waardering voor elkaars religieuze- of levensovertuiging een belangrijk uitgangspunt voor elke vorm van dialoog. Uiteindelijk moet de sociale dialoog resulteren in de laatste twee vrijheden van Roosevelt: vrijwaring van angst en armoede. Landen die deze vier fundamentele vrijheden niet kunnen bieden, hebben een groot probleem. En dan heb ik het niet alleen over de door dictators geleide naties, maar ook over landen die over een fragiel democratisch stelsel beschikken. Zoals Nederland, vlak na de Tweede Wereldoorlog. Aanvankelijk wist niemand die tijd goed te duiden: sommigen beschouwden die als een volledig nieuwe start, terwijl anderen naarstig zochten naar de zekerheden van vóór 1940. Toch wisten wij elkaar te vinden door de dialoog aan te gaan. Te zoeken naar elkaars waarden en te vinden waar we gezamenlijk voor staan. Het polderen vond daar zijn oorsprong.
Het is eigenlijk zo gek nog niet om de grote maatschappelijke problemen te bespreken. Veel landen proberen hun eigen sociale dialoog vorm te geven. Soms met onze ondersteuning. Problemen worden beter, duurzamer opgelost als de grootste tegenstanders elkaar aan onderhandelingstafels spreken. Laten we de machine van de solidariteit, de sociaal-economische polder, maar eens als exportartikel voor vrijheid gebruiken.
