'Ik heb de haat van me af gezet'
Lex Meijer
Als beroepsmilitair kwam Lex Meijer (1922-2001) in de oorlog in een krijgsgevangenkamp in Japan terecht. Sinds hij in 1998 naar Japan is teruggegaan, is er een last van hem afgevallen.
“Toen de Duitsers hier binnenvielen moesten we in Indië in dienst. Ik
was achttien en heb als beroeps getekend. Bij de eerste gevechten werd
ik in mijn buik geschoten en daarna gevangengenomen. Ik ben vervolgens
naar Japan overgebracht. Daar werden we ingedeeld in barakken en
werkten we op de scheepswerf.
Daar heb ik de atoombom zien vallen,
in Nagasaki. Ik was aan het lassen onder een boom en we zagen een bol.
Toen kwam er opeens een flits en gelijk was alles tegen de vlakte,
weggebrand, reukloos. Een collega op anderhalve meter afstand was
helemaal verbrand. Later bleek het mijn geluk te zijn dat ik in de
schaduw stond en aangekleed was. Onze commandant had een balk op zijn
hoofd gekregen en was dood. De stad brandde.
Na de oorlog begonnen de Politionele Acties. Ik zat bij het KNIL en we
vochten tegen de Indonesiërs. Ik werkte bij de Militaire Politie in
Makassar, de stad waar ik ben opgegroeid. Op een keer kreeg ik bevel
mensen op te pakken. Maar op de namenlijst stonden allemaal
Indonesische jongens met wie ik voor de oorlog was opgegroeid. Ik kende
hun hele familie, van de vader tot het jongste kind. Ik moest die
mensen oppakken, want als ik zou weigeren, hadden ze mij verdacht. Erg
moeilijk.
Na mijn terugkeer was ik erg stil geworden en in mezelf gekeerd. Tot
verdriet van mijn vrouw wilde ik nergens heen, bemoeide me met heel
weinig mensen en maakte ik weinig vrienden. Zo was ik vroeger niet. Als
er over de oorlog gepraat werd en ze me vroegen waar ik gezeten had,
zonderde ik me af. Het had geen nut, je kreeg het alleen maar te kwaad.
Pas na mijn zesenzestigste kwamen de verhalen los. Toen ging ik naar de
Indische reünies van ex-krijgsgevangenen in Japan en hun nakomelingen.
Met die oude kameraden heb ik herinneringen opgehaald.
Als ik terugdenk, vind ik dat ik veel geluk heb gehad. Ik ben steeds op
het nippertje ontsnapt. Ik heb klappen gehad, maar ben niet
kapotgeslagen. Als ik in Nagasaki niet toevallig in de schaduw had
gestaan, was ook ik verbrand.
Vorig jaar ben ik naar Japan geweest op uitnodiging van de Japanse
regering. In een museum zag ik foto's van verbrande Japanners en toen
zag ik het weer voor me: mijn collega's die zo verbrand waren dat alles
erbij hing.
De Japanners ontvingen ons heel anders dan ik gedacht had. We waren
ondergebracht bij een Japanse familie, die de hele dag met ons optrok,
ons overal heenbracht en eten voor ons klaarmaakte. Toen besefte ik dat
deze Japanners niet mijn vijanden waren. Dit zijn jonge jongens die er
niet bij waren destijds. Dus waarom zou ik het hen aanrekenen en de
haat vasthouden?
Volgens mijn vrouw kwam ik heel vrolijk terug, als een andere vent.
Op 15 augustus denk ik terug en ook op 5 mei. Er zijn beelden die
steeds weer terugkomen. Mijn verbrande collega's , een collega die
onder een hijskraan lag en nog leefde en het volgende moment dood was.
Eigenlijk pieker ik er ieder jaar tussen mei en augustus over.
Maar sinds ik terug ben uit Japan is er een grote last van mij
afgevallen. Ik heb geen wraakgevoelens meer en ik ben rustig geworden.”
Pamela Pattynama
