'De tijd gaat door en wij zijn met steeds minder'
Ida Veldhuyzen van Zanten
Ida Veldhuyzen van Zanten (1911) was bezeten van vliegen. Om de Duitse vernedering te wreken trok ze naar Engeland, waar ze vliegtuigen bestuurde voor een hulpafdeling van de Royal Air Force. Herinneringen deelt ze met andere engelandvaarders..
'Aan het begin van de oorlog was ik stewardess bij de KLM, maar al snel
werd er niet meer gevlogen. Ik kon niet tegen de vernedering van de
Duitse bezetting. Toen hoorde ik een radio-uitzending over een Engelse
pilote, Amy Johnson, die een korps van vrouwelijke vrijwilligers had en
ik dacht: daar moet ik bij zijn. Ik kreeg clandestien theorielessen van
een piloot van de KLM.
Op allerlei manieren probeerde ik naar Engeland te komen, maar dat ging
niet zo makkelijk. Uiteindelijk heb ik het via Zwitserland geprobeerd,
samen met een beroepsmilitair, die met mij was ondergedoken. 's Nachts
hebben we twaalf uur door hoge sneeuw gelopen en toen we eindelijk bij
de Zwitserse grens waren hebben we hoog in de bergen het Wilhelmus en
de Marseillaise gezongen, een prachtig moment.
Eenmaal in Londen aangekomen vroegen ze wat ik wilde. 'Piloot', zei ik,
maar ik kwam er niet voor in aanmerking. Het was 1943, ik wist dat bij
de ATA, de Air Transport Auxiliary, ook vrouwen in dienst waren; daar
wilde ik als pilote bij komen. Om een vliegtest te mogen doen zei ik
dat ik honderd vlieguren had. Maar ik verbruide die test jammerlijk.
Toen heb ik audiëntie bij prins Bernhard aangevraagd en hem opgebiecht
dat ik maar tien vlieguren had. Hij regelde een nieuwe vliegtest voor
me en zo ben ik toch bij de ATA aangenomen.
Wij van de ATA, een hulpafdeling van de RAF, vlogen de vliegtuigen van
de fabrieken naar de squadrons, zodat ze voor de piloten van de RAF
gereedstonden. Vaak heel slechte toestellen. Je vloog altijd alleen,
zonder radio, dat was te gevaarlijk vanwege het afluisteren door de
Duitsers. Je moest zelf beslissen of je zou vliegen of niet.
Ik ben samen met vier anderen opgeleid, twee daarvan zijn omgekomen en
mijn vriendin, een Amerikaanse, heeft een heel zwaar ongeluk gehad. Het
heeft nog tot 1946 geduurd voor ik weer terug in Nederland was. Er was
toen eigenlijk geen aandacht voor mijn verhaal. Ik hoorde alleen maar
hoe erg het in Nederland was geweest, met die tulpenbollen.
Later heb ik het vliegerkruis gekregen. Jaarlijks ga ik naar de reünie
van de Engelandvaarders en daar ontmoet ik de oude kameraden. Dat is
leuk, altijd sterke verhalen, maar ja, de tijd gaat door en wij zijn
helaas met steeds minder.'
Judith Schuyf
