'Gevallen geloofsgenoten herdenken we door met elkaar over hen te praten'
Jo wildschut
Langs de deuren getuigend van Jehova werd Jo Wildschut (1919) in 1943 gearresteerd. Ze overleefde de concentratiekampen van Vught en Ravensbrück. Vijftig jaar later keerde ze er met geloofsgenoten terug.
“Van huis uit ben ik geen getuige van Jehova. Mijn moeder was
Nederlands-hervormd, mijn vader sociaal-democraat. Op een dag kwam mijn
jongste broer thuis met een grammofoonplaat met een religieuze lezing.
Daarna zijn hij, een andere broer en ik getuigen van Jehova geworden.
Het was 1941 en ik was 21 jaar.
Ik wist heel goed hoe gevaarlijk
mijn stap was. In het boek De Veensoldaten had ik al gelezen hoe
gruwelijk Jehova's getuigen onder Hitler behandeld werden. Onze
geloofsgenoten in Duitsland hadden Hitler al aan de kaak gesteld als
een dienaar van de duivel en een vriend van de Paus. Kun je je
voorstellen dat hij razend was. Voor ons was die haat van de nazi's
juist een aanmoediging.
Het was te gevaarlijk om thuis te blijven wonen, want de SS zocht
actief naar getuigen van Jehova. Vanuit onze schuiladressen werkten we
gewoon door langs de deuren. Overal kwamen we, in rijke wijken en in
achterbuurten. Steeds haalden we Psalm 46:9 aan waarin God zegt: IK zal
de oorlogen doen ophouden. De oorlog zagen wij als een teken des tijds
omdat de mensen verkeerd leefden. Om de mensen te waarschuwen stuurde
God ons om zijn woord te prediken. Zo predikend langs de deuren hadden
we een wonderbaarlijk mooie tijd. In 1943 zijn mijn geloofsgenote en ik
verraden terwijl we langs de deuren werkten. We werden opgepakt en een
paar weken later op transport naar Vught gezet.
In het kamp zaten veel andere jonge mensen ook om hun overtuiging;
communisten enzo. Overdag hield de SS je constant in de gaten, dus kon
je geen gesprek aangaan. Maar ’s avonds, als om een uur of negen de
meesten gingen slapen, werkten we van bed tot bed, waarbij de
gesprekken wel eens hoog opliepen.
Het kampleven was natuurlijk moeilijk, maar voor onszelf hebben we het
goed gevonden. Samen met de geloofsgenoten in het kamp voelden we ons
eigenlijk net de apostelen; die mochten ook niet prediken.
Op Dolle Dinsdag werd kamp Vught ontruimd. De mannen gingen op
transport naar Sachsenhausen, de vrouwen naar Ravensbrück. Twee dagen
op en over elkaar in beestenwagons. Toch kregen velen van ons het in
Ravensbrück nog relatief goed omdat Himmler had geadviseerd om Jehova's
getuigen in de huishouding bij SS'ers te laten werken. Ze hadden een
hoge dunk van onze eerlijkheid en hoefden niet te vrezen dat wij vergif
door het eten zouden doen.
Vijftig jaar na de bevrijding hebben de geloofsgenoten met een
kampverleden een reis aangeboden gekregen van ons
Wachttorengenootschap. Met de bus naar Ravensbrück, Sachsenhausen,
Natzweiler en de gevangenis in Brandenburg. Als je daar weer komt, gaan
er wel emoties door je heen. Ik denk aan de velen die nooit
teruggekomen zijn.
Het is heel begrijpelijk dat ze jongere generaties willen waarschuwen
via het herdenken, maar dat is niet hoe wij het zien. Wij geloven niet
dat mensen ooit ophouden met oorlogvoeren. Alleen God kan oorlogen
stoppen. Wij hebben in het kamp ook nooit om bevrijding gebeden. Wij
baden of we trouw aan Hem mochten blijven.”
Mieke de Waal
