'We praten expres niet over wat we hebben meegemaakt'
Nel Pooters
Nel Pooters (1915-2000) nam deel aan de verzetsgroep CS-6, genoemd naar de Corellistraat 6 in Amsterdam, van waaruit verzetsactiviteiten werden georganiseerd. Opdracht: landverraders uit de weg ruimen. "Ik heb nooit spijt gehad van mijn deelname aan het verzet."
“De eerste keer dat ik de Duitsers in colonne zag marcheren dacht ik:
Dit laat ik niet in mijn land gebeuren. Ik wist dat ik moest vechten.
Het was geen keus, het was een plicht te vechten tegen misstanden.
Het eerste jaar verspreidde ik pamfletten en plakte 's avonds
zelfgemaakte stencils op muren: 'Weg met het fascisme' en in 1941 nam
ik deel aan de Februaristaking. Op een gegeven moment vond mijn broer,
die in communistische kringen verkeerde, dat ik ingedeeld moest worden
bij zijn groep. Zo ben ik bij CS-6 gekomen. Onze taak was landverraders
uit de weg ruimen. Na aanmelding was het meestal mijn job om hun
dagelijkse routine na te gaan. Daarna werden ze neergeschoten. Zelf was
ik net begonnen met schiettraining, maar voordat ik die in praktijk kon
brengen werd ik opgepakt.
Voor één persoon heb ik het draaiboek gemaakt. Ik kende hem goed via de
Jeugdbond. Hij was een jood die zichzelf wilde redden door anderen aan
te geven. Dat is hem niet gelukt. Na de schietpartij brachten de
Duitsers hem zwaargewond naar het joodse ziekenhuis. Nadat wij het
ziekenhuis hadden ingelicht over zijn activiteiten, hebben zij ons werk
afgemaakt.
De hele CS-6 groep is door één vrouw verraden. Ook ik werd gepakt en
kwam uiteindelijk met tweeëndertig vrouwen uit de groep in kamp Vught
terecht. Daar hoorden we dat de mannen gefusilleerd waren. Mijn broer,
mijn jongens. Maar de Duitsers hebben mij niet zien huilen.
Tijdens de herdenking in Overveen, waar de jongens op de
erebegraafplaats liggen, denk ik aan de hele groep. Ik had een goede
band met mijn broer. Ik denk aan hem en al die anderen. Maar nooit heb
ik spijt gehad van mijn deelname aan het verzet. We wisten wat we deden.
In Vught hadden wij vrouwen steun aan elkaar. Dat hebben wij nu nog.
Een keer in de zes of zeven weken komen we bij elkaar. We praten expres
niet over wat we hebben meegemaakt. Na transport ben ik in totaal in
negen kampen geweest. Er waren zelden Nederlanders en ik sprak geen
andere talen, een heel geïsoleerd bestaan.
Als ik terugdenk aan die nare tijd word ik nerveus. Daarom loop ik bij
een psycholoog, waar ik voor het eerst alles boven mag laten komen.
Vijftig jaar na de bevrijding zijn wij vrouwen uitgenodigd voor een
bezoek aan Ravensbrück. Daar is een meertje waar alle dode vrouwen in
gingen. Te erg om voor te stellen. Als eerbetoon wierp iedereen een
roos in het meertje.
Ik herdenk altijd op de Apollolaan, hier in Amsterdam. Daar staat een
prachtig monument voor de elf mensen die gefusilleerd werden nadat
Oelschlägel van de Sicherheitsdienst was vermoord. Op die plek kom ik
oude bekenden tegen. Je weet dat je allemaal voor hetzelfde vocht. Wat
is herdenken anders dan samenzijn? Anders ben je maar alleen met je
gedachten.
Mijn herinneringen zijn veel heviger dan vroeger. Nu heb ik soms
nachtmerries over de sjoa. 4 Mei is net zo beladen als mijn hele leven.
Je kan niet leven zonder dat alles beheerst wordt door wat je geweest
bent en gedaan hebt. Ik kijk terug met het idee dat ik niet voor niks
heb geleefd.”
Corinne A. Falch
