'Na de oorlog wist vrijwel niemand iets van de zigeunervervolging'
Lily Franz
Lily Franz (1924) is geboren in Duitsland en werd met een van de eerste transporten naar het Zigeunerlager van Auschwitz-Birkenau gebracht. Achttien maanden later ging ze er als een van de laatsten weg. Zij overleefde als medewerkster van de Schreibstube, waar ze de levenden en doden van het kamp registreerde.
“Ik kom uit een gezin met zeven kinderen. Mijn vader was muzikant. In
de winter stonden we met de wagen in Hildesheim in Duitsland waar we
naar school gingen en 's zomers reisden we. Dat werd in de loop van de
jaren dertig steeds moeilijker. In 1938 is mijn vader opgepakt, samen
met de andere muzikanten.
Begin 1943 werden ook wij gearresteerd en
via Auschwitrz naar Birkenau vervoerd, het vernietigingskamp. Het
Zigeunerlager bestond toen eigenlijk nog niet. Het was één grote
modderige vlakte met oude paardenstallen. In elk Block werden
vijfhonderd mensen geperst, precies uitgeteld. Man, vrouw, oud, jong,
alles door elkaar. De mannen moesten straten en appèlplaatsen maken en
de vrouwen stenen sjouwen. Wie niet meer meekon werd doodgeschoten. Ik
heb het zes weken volgehouden. Op een avond liep ik naar het hek rond
het kamp dat onder stroom stond. Ik heb wel een half uur wezenloos
tegen dat hek gepraat. Maar toen dacht ik ineens: zelfmoord kan altijd
nog.
Er kwam een Schreibstube, een registratiekamer, waar ik kon komen
werken en dat was mijn redding. Ik werkte er samen met vier andere
Sinti-vrouwen. In het ene boek schreven we alle levenden en in het
andere boek de overledenen. We kregen dagelijks tientallen
overlijdensmeldingen binnen. Door mijn baantje kon ik af en toe extra
eten voor ons gezin krijgen. Een nadeel van mijn werk was dat ik veel
meer van het kamp te zien kreeg dan een doorsnee gevangene. Van achter
de ziekenbarak keek je zo op het crematorium uit. Alle mensen die vanaf
de trein naar de gaskamers liepen, kwamen pal langs ons kamp.
Toen de geallieerden naderden ben ik samen met Liesbeth en Rosa, die
ook bij de Schreibstube werkten, op transport gezet naar Ravensbrück.
Ik heb geen afscheid meer kunnen nemen van mijn moeder, mijn broertjes
en mijn jongste zusje. Ik zou hen geen van allen teruggezien. Samen met
de laatste 3000 gevangenen die in het Zigeunerlager achterbleven, zijn
ze in de nacht van 31 juli vergast.
Pas jaren later kreeg ik vanuit Duitsland bericht dat mijn vader en zusje Waltraud nog leefden.
Het heeft lang geduurd voor ik iets over Auschwitz durfde te vertellen.
Vlak na de oorlog wist vrijwel niemand iets van de zigeunervervolging
en had iedereen zijn eigen portie ellende, dus begon ik er ook niet
over. Bovendien was ik enorm bang dat mijn eigen kinderen hetzelfde zou
overkomen als algemeen bekend zou worden dat ik zigeunerin ben. Als
mensen vroegen waarom ik zo donker was, zei ik dat ik uit Hongarije
kwam. Pas veel later ben ik over de oorlog gaan praten. Op uitnodiging
van de Duitse Sinti-organisatie ben ik twee keer teruggeweest naar
Auschwitz. En sinds het schrijven van mijn autobiografie heb ik veel
minder nachtmerries dan vroeger.
Een paar jaar terug heb ik bij de dodenherdenking op de Dam een krans
gelegd namens de Nederlandse Sinti-vereniging. Ik vond het een grote
eer dat ik op de Dam mocht staan voor al die mensen die gestorven zijn.”
Hein Cuppen
