'Ik vertel geen gruwelverhalen, maar juist goede dingen'
Joke Folmer
Joke Folmer (1923) smokkelde in de oorlog meer dan driehonderd mensen over de grens, onder wie geallieerde piloten. Voor haar verzetswerk kreeg zij onder andere de Bronzen Leeuw. Zij vindt het belangrijk om lotgenoten de helpende hand te bieden.
“Voor mij is de oorlog begonnen met het onderduiken van mijn
hartsvriendin Rosette Bannet, van wie ik nauwelijks besefte dat ze
joods was. Van de ene op de andere dag was de hele familie verdwenen.
Ik begreep er niets van totdat een leraar op school vroeg of ik Rosette
huiswerk wilde brengen op haar schuiladres. Dat was het moment waarop
ik ben gaan nadenken over wat er allemaal gebeurde. Toen ik vlak daarna
in Amsterdam ging studeren, rolde ik in het verzetswerk.
Eerst
bracht ik onderduikers weg naar de grens en toen piloten. In april 1944
hebben ze onze hele groep opgerold en werd ik samen met twee anderen in
Utrecht ter dood veroordeeld.
Op 'Dolle Dinsdag', 5 september 1944, werd onze hele groep van
gevangenen overhaast naar Duitsland gebracht. Zonder de juiste papieren
wilden de Duitse gevangenisdirecteuren ons niet houden, dus werden we
steeds weer van de hand gedaan. Van oost naar west, van noord naar zuid.
Vanaf mijn gevangenschap in een isoleercel in het Scheveningse Oranje
Hotel, hield ik bij waar en hoe lang ik ergens was. Op een grote
zakdoek van mijn vader borduurde ik de namen van de gevangenissen met
een symbooltje erbij: de paperclip waarmee ik in Scheveningen teksten
op de muur kraste, een wandluis, fragmenten uit liedjes die we vaak
zongen. Die zakdoek hield ik bij controle vast, alsof ik vreselijk
verkouden was en mijn naald bewaarde ik onder het eelt op mijn hand.
Van de groep van driehonderd gevangenen met wie we door Duitsland reisden hebben tweeëndertig het overleefd.
Als ik op scholen over de oorlog vertel, vind ik het belangrijk
jongeren erbij te betrekken, anders is het zo afstandelijk. Ik wil
altijd weten welk monument er in de buurt van de school is en ik vraag
of hun grootouders hen iets over de oorlog hebben verteld. Dan komen de
verhalen meestal vanzelf. Ik vertel geen gruwelverhalen, maar juist ook
de goede dingen, over de vriendschappen en de solidariteit onder
elkaar. Ik vraag ze wat zij zouden doen om de verveling in een cel te
verdrijven en vertel dan hoe belangrijk zingen voor ons was in de
gevangenis. Ik laat hen zien dat ik een paperclip in mijn portemonnee
heb en dat ik daarmee in de gevangenis gedichten op de muur kraste.
Dat ik zo veel contact heb met de mensen die ik geholpen heb, verzacht
een heleboel. Na twintig jaar begonnen de piloten uit Engeland, Canada
en Amerika langs te komen. Ze wilden precies weten waar ze neergekomen
zijn. Samen gingen we dan op zoek naar de boerderijen waar zij zich
hebben schuilgehouden en de mensen die hen geholpen hebben. Als ze met
hun vrouwen komen, begrijpen die vaak voor het eerst waar hun man het
al die jaren over heeft gehad. Nu komen ze vaak met hun kleinkinderen.
Ik heb met ruim zeventig van hen of hun weduwen nog altijd contact. Er
zijn zoveel mensen niet door de oorlog gekomen. Daarom ben ik zo voor
herdenken, want daardoor zijn ze er nog een beetje.”
Karen Polak
