'Zo'n officiële kranslegging maakt het makkelijker'
Riwka Cohen
Door het verlies van haar vader in Mauthausen, had Riwka Cohen (1936) het gevoel dat ze nooit meer kind kon zijn. Nu zij bij twee herdenkingen een krans legt, is er voor haar een officieel tintje aan het herdenken gekomen.
'Toen ik nog thuis woonde was mijn verdriet altijd ondergeschikt aan
dat van mijn moeder - zij had haar man verloren. Pas toen zij niet meer
de kracht had om mij te domineren, kwam ik aan mijn eigen verdriet toe.
Toen ging ik ook voor het eerst in mijn eentje naar het Mauthausen-monument.
Het was vreemd om daar alleen te zijn. Maar toen het stil was, kwam ik
eindelijk toe aan mijn eigen herdenken. Even had ik het gevoel dat mijn
vader er was en ik hem met niemand hoefde te delen.
Het was de dag voor mijn moeders verjaardag dat mijn vader werd opgepakt
door de Gestapo. Mijn vader had tegen mij gezegd: "Ik heb een
cadeautje voor je moeder verstopt, geef jij het haar morgen maar. Wees
maar niet bang, want ik kom terug." Ik heb hem nooit meer gezien.
De deportatie van mijn vader en 100 andere joodse mannen was een represaillemaatregel
voor een sabotageactie.
Een maand na de razzia kregen we het bericht dat hij aan longontsteking
was overleden in Mauthausen, maar er zijn sterke aanwijzingen dat hij
gemarteld en daarna vermoord is. Een jaar later ging ik zogenaamd 'uit
logeren'. Anderhalf jaar heb ik op de hooizolder van een Hellendoornse
boerderij gezeten, onder de naam Marietje van der Velde. De onderduiktijd
herinner ik me als koud, nat en donker.
In juni 1945 stonden er een vrouw en een meisje voor de deur. De vrouw
zei: "Ik ben je moeder, dit is je zusje en we gaan naar huis."
Ik herinnerde me hen helemaal niet meer, maar vond het wel spannend. Ik
klemde mijn pop onder mijn arm en ging mee. De hereniging was vreselijk.
Opeens moest ik mama zeggen tegen iemand die ik niet kende. Door die oorlog
heb ik nooit meer kind kunnen zijn. Ik moest op mijn veertiende gaan werken
omdat we het geld nodig hadden.
Ik denk vaak: als mijn vader er nog was geweest, had ik het niet zo moeilijk
gehad met mijn moeder. Wie weet wat er dan van me had kunnen worden.
De conferentie 'Het Ondergedoken Kind' in 1992 gaf me pas het gevoel dat
ik er mocht zijn. Sinds een paar jaar vertel ik ook af en toe aan schoolklassen
over de onderduiktijd.
Tegenwoordig leg ik leg namens de vereniging van Joodse OorlogsKinderen
tijdens twee herdenkingen een krans. Die officiële dimensie maakt
het makkelijker. Ik hoef daardoor niet meer alleen aan mijn familie te
denken, het wordt een algemener gevoel van: dit mag nooit meer gebeuren.'
Shoshanna de Goede
