'Als ik onder ons ben kan ik mijn verdriet beter plaatsen'
Joop Waterman
Joop Waterman werd in 1943 geboren in kamp Westerbork. Hij gaat al jaren mee als begeleider van de herdenkingsreizen van het Auschwitz Comité naar de vernietigingskampen in Polen. Zijn omgang met familie wordt getekend door de oorlog.
“Mijn familiegeschiedenis begint pas in kamp Westerbork. Het leek alsof
de periode ervoor niet bestond. Mijn moeder was zwanger van mij toen
zij samen met mijn vader en broer in Westerbork kwam. Ze vertelde te
pas en te onpas hoe zij mij in leven heeft weten te houden. Daardoor
hadden wij een enorm sterke band.
Ik weet niet of ik het jammer
moet vinden dat ik mij niets van die oorlogsperiode kan herinneren.
Volgens de verhalen moet ik als kind in Bergen Belsen tussen de stapels
lijken hebben gespeeld. Waarschijnlijk heb ik het onbewust van mij
afgezet.
Mijn ouders waren er jarenlang verbitterd over dat de overheid niets
deed om ons na onze terugkomst te helpen. Voor mijn vader behoefde de
oorlog geen speciale herdenkingsdag. Bij elke ademtocht dacht hij aan
zijn verdwenen familie. Mijn moeder ging elk jaar op 4 mei met ons naar
de Hollandsche Schouwburg, de plek vanwaar alle joden uit Amsterdam op
transport gesteld werden. Dan stonden we met een klein groepje
overlevenden buiten op de stoep in spanning te wachten tot de
straatlantaarns aan sprongen en het verkeer tot stilstand kwam. Ik
dacht er dan aan hoe slecht wij waren bedeeld met familie. Wij waren
ook gespeend van elk joods leven.
Voor mij veranderde dat toen ik in 1964 mijn vrouw ontmoette. Haar
vader was een van de oprichters van het Auschwitz Comité en ik ben er
nu al jaren penningmeester van. Hier kon ik iets doen met die oorlog.
Eindelijk hoorde ik ergens bij. Als ik onder ons ben, kan ik mijn
verdriet beter plaatsen. Vroeger herdacht ik als enkeling. Nu zie ik
dat ook anderen moeite hebben hun verdriet een plek te geven en herdenk
ik niet alleen mijn familie, maar het hele joodse volk. Nu de oudere
generatie niet meer meeloopt met de stille tocht naar de Dam, ga ik
liever naar de Hollandsche Schouwburg. Ik kan beter herdenken op de
plek die het punt markeert waarop ik mijn familie kwijtraakte.
De
eerste keer dat ik Auschwitz bezocht, heb ik als een gek huilend
rondgelopen. Na een van de volgende reizen ben ik drie maanden ziek
thuis geweest, om het te verwerken. Ik was erachter gekomen waar
precies mijn familie was vermoord. Elke keer als ik kaddisj zeg op de
plaats waar mijn familieleden zijn vermoord kan ik er weer een tijdje
tegen.
Het verheugt mij dat mijn dochter secretaris is geworden van de
redactie van het Auschwitz Bulletin. Ze is ook mee geweest naar Polen.
Stond ik daar op de plaats van mijn vermoorde familieleden samen met
een van mijn kinderen. Ik heb ook met mijn zoon een herdenkingsreis
naar Auschwitz gemaakt, toen we wisten dat hij ongeneeslijk ziek was.
Jarenlang heb ik geleefd met de gedachte: nu heb ik eindelijk weer
familie voor mijzelf. Toen mijn zoon overleed, kwam dat dan ook
bijzonder hard aan.”
Corinne A.Falch
