'Er zijn vrouwen die het nooit aan hun kinderen hebben verteld'
Ellen van der Ploeg
Ellen van der Ploeg (1923) werd door de Japanse bezetters gedwongen tot prostitutie in een legerbordeel. Uit lijfsbehoud leerde zij haar gevoel uit te schakelen. Als een van de weinigen heeft ze haar schaamte overwonnen en is ze in de openbaarheid getreden.
“Ik was negentien toen ik in kamp Halmaheira in Semarang kwam, samen
met mijn jongere zusje, mijn broertje en mijn moeder. Op een dag kwamen
er Japanners die alle jonge vrouwen bekeken. Met veertien anderen ben
ik er toen uitgehaald. Ze beloofden ons werk buiten het kamp, maar we
werden naar een legerbordeel in een chique wijk in Semarang gebracht.
In het bordeel droeg ik een witte jurk met varens, die ik nooit heb
uitgetrokken. Zo deed ik mijn plicht. De jurk werd elke dag gewassen.
Ook zelf wilde ik steeds baden, zo vies voelde ik me. Ik hield het vol
door buiten mezelf te treden en mijn gevoel uit te schakelen. Na drie
maanden zijn we van de ene op de andere dag vrijgelaten en
teruggebracht naar Halmaheira. In de bus heb ik dat jurkje uit het raam
gegooid, als een besmette huid. Later bleek dat ik een geslachtsziekte
had opgelopen.
We mochten absoluut niks vertellen, aan niemand. Ik kon er eerst ook
niet over praten. Later heb ik het wel aan mijn moeder verteld. Maar
ook toen heb ik veel verdoezeld en ingeslikt. 'Mam, het is voorbij, we
praten er niet meer over,' zei ik. Ook onderling spraken de meisjes er
niet over. Wat had je eraan?
Toen we in Holland aankwamen waren we berooid en moesten we een bestaan
zien op te bouwen in een vreemd land. Het werd hard werken: Indische
mensen moesten zich bewijzen en dubbel hard hun best doen. Ik vergeet
nooit meer het nasale geluid van minister Klompé, die voor ons maar
twee woorden had: aanpassen en assimileren. Praten over mijn ervaringen
kwam er dus niet van. Toch liet het me niet los. We waren ongeveer tien
jaar in Holland toen ik probeerde lotgenoten over te halen onze
ervaringen openbaar te maken, maar zij wilden niets zeggen over wat hen
was aangedaan. Er zijn vrouwen die het nooit aan hun kinderen hebben
verteld.
Het waren de zwijgzame jaren vijftig en toen ik niemand meekreeg, ging
ik zelf ook zwijgen. Pas in 1991 zijn de Koreaanse vrouwen naar voren
getreden en hebben ze de Japanse regering aangeklaagd. Voor hen neem ik
mijn petje af! Er volgde een tribunaal. Janny O'Herne die in hetzelfde
bordeel zat als ik, heeft toen als eerste westerse vrouw haar mond
opengedaan. Zij maakte bekend dat ook geïnterneerde vrouwen in Indië
tot prostitutie zijn gedwongen. Ik dacht: Janny kan die strijd niet
alleen aan, nu is mijn kans.
Ik was getuige voor de Verenigde Naties, en voor
mensenrechtenorganisaties. In mijn boek Gevoelloos op bevel heb ik de
emoties erbuiten willen houden; mensen moeten zelf kunnen oordelen. Ik
ben naar voren gekomen om te laten zien wat je kan overkomen. En ook om
de dingen te veranderen, want het lijkt wel of men er de ogen voor wil
sluiten: bij elke oorlog weer worden de vrouwen verkracht. Bovendien
wil ik de Japanse bevolking hun wandaden tonen. Zonder woede, ik ben
niet uit op wraak; ik wil rechtvaardigheid.
Bij mijn eerste getuigenis in Genève zat ik tegenover Japanners. Soms
moest mijn advocaat het van me overnemen, dan kon ik niet verder. Nu
ben ik zover dat ik frank en vrij kan zeggen: dit is wat mij als vrouw
is overkomen en wat jullie van mij denken interesseert me geen donder!
Nu kan ik praten zonder tranen. Hoe meer je vertelt, hoe meer afstand
je kunt nemen, maar de pijn zwakt niet af, alles blijft.”
Pamela Pattynama
