Herdachte groepen: Militairen in dienst van het Ned. Kon. 1940-1945
Onthulling: 20 juni 1947
Adopteer dit monument.

File:Monument Gevallenen van de onderzeedienst.JPG (Foto afkomstig van Wikipedia)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: www.dutchsubmarines.com)
Onthullingsplechtigheid te Rotterdam, 1947
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)
Den Helder, 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' (foto: M van der Hoeden)

Het monument

Vorm en materiaal
Het 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' in Den Helder is een uit rode bakstenen opgetrokken muur met zeven ingemetselde zwarte plaquettes. Aan de achterzijde van de muur zijn twee bronzen plaquettes aangebracht. Hierop zijn een tekst en een afbeelding van een zinkende onderzeeër in silhouet aangebracht.

Teksten
De tekst op de muur luidt:

'AAN ONZE GEVALLENEN'.

De tekst op de plaquette aan de achterzijde van de muur luidt:

'JA HET MOEST'.

Op de plaquettes op de voorzijde van het gedenkteken staan alle namen van de militairen van de Nederlandse Onderzeedienst die tijdens de Tweede Wereldoorlog op zee zijn omgekomen.

Wijzigingen
Oorspronkelijk stond de gedenkmuur in Rotterdam.

Enige jaren geleden zijn aan het monument twee bronzen plaquettes toegevoegd met daarop onder andere de namen van de mensen die op de SS Abosso om het leven kwamen. Op 12 oktober 2011 werden 82 extra namen toegevoegd aan het monument. Deze medewerkers van de onderzeedienst kwamen om terwijl ze zich niet in een duikboot bevonden. Ze kwamen om tijdens bombardementen op weg naar de duikboot of op transportschepen. De namen waren nog niet toegevoegd aan het monument. Na een initiatief van Fred Gommers uit Beverwijk konden deze namen alsnog worden toegevoegd.

Locatie niet correct? Geef een verbeterde locatie door.

De geschiedenis

Het 'Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst' is opgericht ter nagedachtenis aan alle tijdens de Tweede Wereldoorlog op zee omgekomen Nederlandse militairen.

Onthulling
Het monument is onthuld in 1947 door Hare Majesteit Koningin Wilhelmina.

Locatie
Het monument staat op de marinehaven te Den Helder.

Bronnen

Herdenking

Op 4 mei vindt de Nationale Herdenking plaats en wordt er in heel Nederland herdacht. Daarnaast zijn er door het jaar heen herdenkingen waar specifieke groepen slachtoffers of bijzondere gebeurtenissen worden herdacht, zoals de Indiëherdenking op 15 augustus en de Nationale Holocaust Herdenking (laatste zondag van januari).
Wij brengen al deze herdenkingen onder in de herdenkingskalender. Alle herdenkingen van de Tweede Wereldoorlog en oorlogssituaties en vredesoperaties daarna in Nederland kunt u aanmelden.
Er is nog geen herdenking bij dit monument aangemeld. Dat kunt u hier doen.

In een onderzeeboot kwam je de oorlog meestal niet levend door

Piet de Jong (1915-2016), Den Helder - Noord-Holland

In de meidagen van 1940 ontsnapt marineofficier Piet de Jong (1915-2016) aan de bombardementen op Rotterdam: met een niet afgebouwde onderzeeboot, de O-24, gaat hij als Oudste officier richting Engeland. Onder Brits bevel neemt hij zes jaar lang deel aan de oorlog op zee. De bemanning van de O-24 arriveert in 1946 heelhuids in Rotterdam. Dit in tegenstelling tot de vele andere bemanningsleden van Nederlandse onderzeeboten. Uitsluitend bij het Monument voor de Gevallenen van de Onderzeedienst woont De Jong jaarlijks de 4-meiherdenking bij. Piet de Jong was tussen 1959 en 1971 achtereenvolgens staatssecretaris van Defensie, minister van Defensie en minister-president.

Productie: Interakt; tekst: Anita van Stel

Onderzeebootman
Piet de Jong: “Kort na de Eerste Wereldoorlog was ik met mijn familie op vakantie op Ameland. Daar kwam ik tot de conclusie naar zee te gaan. Na de HBS ging ik naar de marine, waar ik in 1931 adelborst werd. In ’34 mocht ik als zeeofficier gaan varen. In voormalig Nederlands Oost-Indië volgde de opleiding bij de onderzeedienst. Eigenlijk vond ik de artillerie interessanter; met mijn mathematische inslag wilde ik liever kogelbanen berekenen.”

Niet al te veel bezwaar
“Ik werd ingedeeld bij de onderzeedienst. Daartegen had ik niet al te veel bezwaar, want bij de onderzeedienst werd je sneller commandant van een eigen schip dan bij de gewone marine. Bovendien kreeg je voor elk uur onder water een rijksdaalder extra, wat toen veel geld was. Ik voer 3,5 jaar met allerlei onderzeeboten in Nederlands-Indië. Met de mailboot Johan de Witt reisde ik in 1938 terug naar Nederland, waar ik bij de onderzeedienst in Den Helder geplaatst werd.”

10 mei 1940
“Bij de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij in Rotterdam werden eind jaren dertig de onderzeeboten O-23 en O-24 afgebouwd, bestemd voor de marine in Nederlands-Indië. Mijn taak was toezicht houden op de bouw. Ik had een kamer in Rotterdam. Op de 10e mei 1940 werd ik gebeld dat de oorlog was uitgebroken. Ik spoedde me naar de O-24. Uit voorzorg nam ik een tandenborstel en een scheermes mee. De instructie was dat er in geval van oorlog een geheime brief met orders in de brandkast geopend moest worden. De betreffende orders luidden: klaarmaken voor de oversteek naar Engeland, daar het schip afbouwen en terugkomen om deel te nemen in de oorlog. De O-24 was nog niet klaar. Het Duitse kompas was in die eerste week van mei razend snel geïnstalleerd, door een Duitse technicus die de oorlogsdreiging voelde en terug naar vrouw en kinderen wilde. De machines hadden slechts een kwartier proefgedraaid.”

Zo snel mogelijk
“We zagen de parachutisten neerdalen bij de Waalhaven, op een kilometer afstand. Mijn commandant besloot dat we zo snel mogelijk moesten vertrekken, en met zoveel mogelijk bemanning en in de haast uit de omliggende loodsen gehaalde spullen, voeren we weg. We konden elektrisch varen. In de Tweede Lekhaven zouden we veilig zijn, veronderstelden we, en daar konden we ons klaarmaken voor de oversteek naar Engeland. Eerst moesten de magnetische mijnen geveegd worden, die door de Duitsers gestrooid waren.”

Langs de kust weg
“Het hoofd van de machinekamer constateerde dat we - zonder complete bemanning en goederen - te licht waren om onder water te kunnen varen. In een loods lagen koperen staven, die we vervolgens onder in de boot legden. Ik tekende een briefje dat ze de betaling konden ophalen bij de marine in Den Haag. Ondanks dat de mijnen niet geveegd waren, besloten we ’s avonds te vertrekken. We werden beschoten door ons eigen leger. Die kogelgaten zijn nooit meer hersteld. Met de diesels op volle kracht voeren we door de versperring heen. We zetten koers naar Zuid–Engeland.”

Naar boven
“In de ochtend bleek dat het luchtruim boven de Noordzee vol met vliegtuigen zat. We besloten daarom onder water te gaan. De O-24 was nog nooit onder water geweest; we hadden nog geen proeftocht gehouden. We namen wat onderdruk met lucht en keken of er lucht weg lekte. Met een bons belandden we 30 meter onder water. Daar lagen we eigenlijk wel goed en gingen slapen. Ik lag nog maar nauwelijks in ‘mijn etui’ toen ik wakker gemaakt werd. Er was een pomp vastgelopen en er kwam water binnen. De luchtdruk lekte weg en we moesten snel naar boven. Aan de oppervlakte deed ik het torenluik open en keek recht tegen een Duitse Messerschmitt*aan. Hij had geen bommen meer bij zich, dus schoot alleen met een mitrailleur.”

Onder Engels bewind
“De boot werd bij de Thornycroft werf in de buurt van Southampton afgebouwd. De regering in ballingschap stelde de Nederlandse marine voor operationele doeleinden ter beschikking aan de Engelse marine. Je kreeg opdrachten van de Engelsen. Wat je wel en niet moest doen was natuurlijk ook afhankelijk van je positie. We mochten alleen op koopvaardijschepen schieten, als zeker was dat het Duitse of Italiaanse schepen waren. Op zeker moment waren er bij de Noorse kust Duitse bootjes op zoek naar ons. We waren gedwongen 21 uur onder water te blijven; dat werd op zeker moment door een gebrek aan zuurstof erg benauwd. Soms maakten we deel uit van een zogenaamde ‘iron ring’. Vreselijk saai, zoals toen we met acht miles per uur een konvooi moesten begeleiden naar Gibraltar en een ander weer terug naar Schotland. We voeren boven water, maar als er een vliegtuig kwam, moest je duiken. Dat lukte in 40 seconden, tot 30 meter diep.”

Een hospitaalschip
“Een keer hebben we door puur geluk een schip gered, dat vanaf Genua naar het zuiden ging. De torpedo’s werden klaar gemaakt. De laatste handeling was het verwijderen van de borgpen, voordat ze eruit geblazen werden. We zagen het schip ’s morgens vroeg in de mist naderen. Ik stond bij het rekenapparaat. De commandant vertrouwde het niet en hij vroeg mij ook even te kijken. Met de telescoop zag ik door een toevallige zonnestraal tussen de wolken ineens een rood kruis op dat schip. Het was dus een hospitaalschip, dat uit zuinigheid zijn licht had uitgedaan. Gelukkig konden we de aanval nog net op tijd afblazen.”

In Japanse ogen laf
“Tijdens een volgende reis voeren we naar Colombo op Ceylon (het huidige Sri Lanka). We moesten rondom de Kaap de Goede Hoop, want de Duitse generaal Rommel was te dicht bij het Suezkanaal, zodat die route geblokkeerd was. Daar heb ik een van de droevigste gebeurtenissen ooit meegemaakt. Een Japans schip was op weg naar Rangoon. Wij beschoten het en brachten het tot zinken. Ongeveer vijftien man overleefden dit. Een oorlog op zee is vreemd: drenkelingen red je, je geeft ze droge kleren en een kop koffie en dan pas kijk je welk vlees je in de kuip hebt. We stonden klaar om de vijftien Japanners aan boord te halen, maar ze zwommen weg en lieten zich in de zee zakken. Een samoerai kon alleen winnen of sneuvelen. Een krijgsgevangene was laf.”

Lijken
“In 1944 werd ik commandant van de O-24. Aan het eind van de oorlog moest ik mensen die aan de Birma-Siam-spoorlijn hadden gewerkt repatriëren. Midden op de Golf van Siam zagen we een bootje drijven met ogenschijnlijk vier lijken. Ik vond dat ze een fatsoenlijk zeemansgraf verdienden. Op zeker moment bewoog een van de lichamen. Ze leefden nog, waren helemaal uitgedroogd. Voordat we in Singapore waren, liepen ze weer monter rond. Niemand van onze mensen, ook de repatrianten niet, sprak hun taal.”

Geen plaats
“Tijdens diezelfde tocht terug naar Nederland, in 1946, wilden de passagiers, die de ontberingen in Indië overleefd hadden, spullen kopen. In Gibraltar schaften ze zoveel aan dat het schip bijna naar de bodem zonk. Toen ik dichtbij Hoek van Holland was, belde ik voor een ligplaats. Er was geen plaats, zei men mij. Ik vond dat gek na een verblijf van zes jaar op zee. Vervolgens mocht ik op de plek van de veerboot naar Harwich liggen, die net vertrokken was. Ik moest om 9 uur in Rotterdam binnenvaren, voor de ontvangst door koningin Wilhelmina.”

75% kwam om
“In april 1946 waren we dus weer terug in Nederland, met de gehele bemanning. In Nederland zijn verschillende oorlogen gevoerd. Allereerst de oorlog van de bevolking en het verzet, naast die van het leger, van de marine, de luchtmacht, de koopvaardij en de visserij. Over het verzet en het leger is redelijk veel bekend, van de andere weinig of niets. Dit gaat zeker op voor de marine: weinig mensen weten dat van de onderzeedienst 75% van de vechtende bemanningen gesneuveld is. Van de luchtmacht 72%. De koopvaardij werd in de oorlog direct gemilitariseerd en kreeg vaarplicht opgelegd. Weigering aan te monsteren was ’desertie’ en werd bestraft met gevangenisstraf. De reders verzorgden de achtergebleven gezinnen. De visserij kreeg helemaal geen aandacht, noch financiële compensatie van de regering.

Zeven miljoen leiders van het verzet
“De regering gaf uitsluitend aandacht aan het verzet. Dat ontgoochelde menig veteraan. Ik vroeg onze bootsman die in 1945 met vakantie naar huis was geweest hoe hij alles had aangetroffen. Hij zei: ’Ach commandant, ze zijn helemaal niet geïnteresseerd in ons. Er wonen in Nederland zeven miljoen leiders van het verzet.’ Men was bang van de veteranen. Admiraal Helfrich, Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië, had de hele oorlog in het toenmalige Indië gevochten. Hij zou de veteranen uit Indië toespreken in Den Haag. Dat werd verboden door minister Drees van Sociale Zaken.”

*Messerschmitt - Duitse jachtvliegtuig

In een onderzeeboot kwam je de oorlog meestal niet levend door

Persoonlijke bijdragen

Heeft u een persoonlijk verhaal met betrekking tot dit monument en/of de geschiedenis waarnaar deze verwijst? Deel uw verhaal hier en help ons de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog levend te houden.