4meiOverlay
Inleiding

“Eén dode is een tragedie, een paar duizend doden zijn een onderdeel van de statistiek,” zou George Clemenceau, Frans staatsman, tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben gezegd. Het lijkt soms dat hoe groter het aantal slachtoffers, hoe moeilijker het is je daar de mensen bij voor te stellen. Zeker voor nabestaanden ligt dat anders. Zij hechten, net als overlevenden en veteranen, belang aan zo juist mogelijke cijfers. Want cijfers en statistieken zeggen iets over al die individuele mannen, vrouwen en kinderen die door oorlog hun leven verloren. ‘Een paar duizend doden’ is de som van evenzoveel verloren levens; ‘een paar duizend’ maal één dode.

Zowel aan ‘professionele’ zijde als bij nabestaanden en veteranen bestaat de behoefte te weten hoeveel Nederlandse slachtoffers in de Tweede Wereldoorlog zijn gevallen. Historici hebben in de loop der jaren aantallen en schattingen gepubliceerd over verschillende categorieën slachtoffers, soms zonder te preciseren hoe ze aan die aantallen kwamen. Ze verschilden soms aanmerkelijk terwijl ze op dezelfde bronnen, bijvoorbeeld het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis, waren gebaseerd. De vraag hoe het precies zat met het totale aantal slachtoffers bleef moeilijk te beantwoorden. Ook toen de ‘Werkgroep Tellen’, bestaande uit deskundigen van het NIOD, het Nederlandse Rode Kruis, het Herinneringscentrum Westerbork en de Oorlogsgravenstichting, zich in 2007 over die vraag boog was de conclusie dat een exact cijfer niet is te geven. Voor sommige groepen slachtoffers zijn (vrij) exacte tellingen beschikbaar, maar in veel gevallen moeten we uitgaan van schattingen die goed of minder goed beargumenteerd kunnen worden. Hoe meer mensen slachtoffer van oorlog worden, en hoe gevarieerder de categorieën slachtoffers, hoe moeilijker het is om vast te stellen om hoeveel het in totaal gaat. Dat geldt in mindere mate voor de slachtoffers van de vredesmissies na 1945, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het exacte dodental van de inzet van het Nederlandse VN Detachement in Korea: 123 doden en drie vermisten.

Voor veel nabestaanden, overlevenden en veteranen is de onduidelijkheid zeer onbevredigend. Zij hebben bij de herdenking van de oorlogsslachtoffers een emotionele behoefte aan zo compleet mogelijke sterftecijfers. Bij een te lage schatting van de slachtofferaantallen hebben sommige nabestaanden het gevoel dat er te weinig erkenning is voor het geleden verlies. Dergelijke gevoelens spelen onder meer bij nabestaanden van slachtoffers uit Nederlands-Indië en de gesneuvelde militairen van de dekolonisatieoorlog tussen 1945 en 1949. Ook is er onvrede over andere categorieën slachtoffers, zoals de leden van de Koopvaardij aan wie bij het begin van de oorlog een ‘vaarplicht’ werd opgelegd omdat hun schepen voor militaire doeleinden werden ingezet. Voor de slachtoffers kwam erkenning pas in de jaren vijftig. En ook een etnische component is bij de herinnering en erkenning van belang: voor Nederlandse KNIL-militairen die sneuvelden of in Japanse krijgsgevangenschap omkwamen is een betrouwbaar sterftecijfer vastgesteld aan de hand van de latere schadeloosstelling aan overlevende krijgsgevangenen of nabestaanden. Wat wel ontbreekt is informatie over de doden onder de Indonesische KNIL-militairen, Indonesische dwangarbeiders en twee groepen militairen die aan het eind van de oorlog ter versterking van het KNIL naar Australië werden gestuurd: 350 Surinamers en 50 Antilianen. En Papoea’s die aan Nederlandse zijde sneuvelden maken geen deel uit van de formele telling van slachtoffers in Nieuw-Guinea. Daarnaast blijkt dat ook politieke aspecten een rol kunnen spelen bij herdenking en erkenning: een antimilitaristische stemming in naoorlogs Nederland, het feit dat Nederland de dekolonisatieoorlog met Indonesië verloor, en de verschillende ervaringen van de veteranen hebben het vormen van een collectieve herinnering - en erkenning - bemoeilijkt. 

Boekhouding

Het doel van deze publicatie is meer inzicht te geven in de achtergronden van de slachtoffertellingen en –schattingen en de vele complicerende aspecten die hierbij komen kijken. Belangrijk is in de eerste plaats het besef dat 75 jaar geleden administraties vaak met de hand werden bijgehouden op kaarten die in kaartenbakken werden opgeslagen. Lijsten werden uitgetypt en voor duplicaten gebruikte men carbonbladen of een stencilmachine. Dit geldt voor een ‘ideale bureaucratische’ situatie, zoals die in bezet Nederland gold en waar de bezetter gebruik maakte van het perfecte systeem van de bevolkingsboekhouding. Ook de krijgsmacht hield administraties bij en volgde procedures bij overlijden of vermissing van militairen. Waar strijd was werden de procedures echter niet altijd gevolgd of gingen gegevens over gewonden en gesneuvelden verloren. Zo is gebleken dat sommige militairen in de meidagen van 1940 geen identiteitsplaatje bij zich hadden en dat de oorlogszakboekjes soms ook ontbraken. Dat gaf problemen bij de registratie en de communicatie over de gewonden en de gesneuvelden. Wat burgerslachtoffers betreft: de burgerlijke stand administreerde dan wel het vertrek van de mannen die naar Duitsland vertrokken voor de Arbeitseinsatz; ook dat Joden, Roma en Sinti uit Westerbork ‘naar het buitenland’ vertrokken. Maar het lot dat hen daarna trof was hiermee nog niet bekend. Dat geldt ook voor andere categorieën burgers (zoals politiek gevangenen en Jehova’s Getuigen) die de bezetter arresteerde en wegvoerde naar concentratiekampen, tuchthuizen en gevangenissen in het Duitse Rijk. Van velen was het precieze lot onbekend, en pas toen hun overlijden officieel was vastgesteld konden zij tot de slachtoffers worden gerekend. Van mensen die in Nederland waren geëxecuteerd was het overlijden wel in de bevolkingsboekhouding opgenomen, maar was het niet altijd duidelijk dat zij tot de oorlogsslachtoffers gerekend moesten worden.

Het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis kreeg de taak vermisten op te sporen of uit te zoeken wat er met hen was gebeurd. Het maakte gebruik van allerlei soorten bronnen, zowel uit eigen land als uit het voormalige Duitse Rijk, en uit Nederlands-Indië. Het kon gaan om (delen van) kampadministraties en transportlijsten, maar ook om de verklaringen van teruggekeerde lotgenoten. Volgens een speciale wet van juni 1949 stelde de ‘Commissie tot het doen van aangifte van overlijden van vermisten’ van het ministerie van Justitie uiteindelijk op grond van de Rode Kruisreconstructie de overlijdensdatum en -plaats vast. De informatie die voorhanden was gaf vaak geen inzicht in belangrijke details, zoals de doodsoorzaak of de exacte plaats en datum van overlijden, zodat die bepaling meestal ‘fictief’ was. De overlijdensdatum van gedeporteerde Joden werd veelal bepaald op de datum van vertrek uit Westerbork plus de duur van de treinreis naar de vernietigingskampen Auschwitz of Sobibor, of op de laatste dag van de maand waarin een laatste levensteken - vaak via een getuige - bekend was. 

Reconstructie

Dat zich bij de reconstructie problemen voordeden, zoals spellingsvarianten met als gevolg dubbeltellingen of omissies, of geheugenproblemen van getuigen, moge duidelijk zijn. Ook bevatten de administraties waarvan het Rode Kruis gebruik maakte soms fouten, of werden bij het overtikken van de gegevens fouten gemaakt. Zo kon het gebeuren dat overlevenden soms vernamen dat zij overleden waren verklaard. Onlangs werd nog bekend dat de Anne Frank Stichting door nader onderzoek tot de conclusie kwam dat Anne en Margot Frank waarschijnlijk niet in maart 1945 in Bergen Belsen waren overleden (zoals het Rode Kruis indertijd had gereconstrueerd), maar in februari 1945. Veel vragen zijn ondanks langdurig onderzoek en reconstructie nog onbeantwoord. Waarom is het niet mogelijk voor sommige categorieën tot een exact aantal te komen? Bijvoorbeeld het aantal burgers die omkwamen tijdens bombardementen en oorlogshandelingen, in de Hongerwinter, of de mensen die in Nederlands-Indië buiten de interneringskampen bleven en omkwamen. Voor al deze groepen moeten we afgaan op schattingen. Want de burgerlijke stand noteerde de doodsoorzaak niet (altijd), en in Nederlands-Indië werd geen administratie van de ‘buitenkampers’ bijgehouden. En hoe komt het dat we vaak niet weten hoe de mensen om het leven zijn gekomen? Wie zijn bij de schattingen eigenlijk meegeteld als slachtoffer: ook diegenen die door ziekte, een ongeluk of suïcide het leven verloren? Of degenen die tijdens de oorlog werden gewond en pas na de bevrijding zijn overleden? 

Het lijkt door het verstrijken van de tijd steeds moeilijker te worden duidelijkheid te krijgen. Dan blijkt hoe belangrijk het is dat er ook decennia na het einde van de Tweede Wereldoorlog nog steeds onderzoek wordt gedaan. Soms door mensen die hun vrije tijd belangeloos steken in het zoeken van nog ongebruikte bronnen of in de nauwgezette controle van de gegevens die indertijd door de officiële instanties zijn verzameld, zoals kolonel buiten dienst en Nieuw Guineaveteraan Jan Willem de Leeuw en historica dr. Kaori Maekawa. Zij komen later in deze publicatie aan het woord. Al zijn de exacte aantallen niet altijd bekend, en al weten we vaak niet hoe de slachtoffers aan hun einde zijn gekomen, het streven om zo adequaat mogelijke gegevens te achterhalen is van belang voor hen die hen willen herdenken, maar ook voor een dieper inzicht in onze geschiedenis.