4meiOverlay

Annejet van der Zijl


Auteur Annejet van der Zijl hield in 2017 de 4 mei-voordracht in de Nieuwe Kerk tijdens de Nationale Herdenking

In de mist


Zoals de meeste mensen hier, ben ik opgegroeid met de jaarlijkse Dodenherdenking op 4 mei. Ook voor mij horen die twee minuten waarin het leven in Nederland even tot stilstand komt ter nagedachtenis aan hen die er niet meer zijn, net zo onverbrekelijk bij het jaar als de wisseling van de seizoenen. Om anonieme massa’s en duizelingwekkende getallen kun je echter moeilijk rouwen, maar om individuen met een naam en een persoonlijkheid wel. Dus daarom heb ook ik een lijstje namen in mijn hoofd, waar ik tijdens die minuten speciaal aan denk.

En ook zoals bijna iedereen heb ik wel eens gedacht: wat zou IK doen in een situatie zoals een oorlog of een bezetting waarin het aankomt op individuele moed? Zou ik aan de goede of aan de verkeerde kant van de geschiedenis terechtkomen? Zou ik mijn hoofd afwenden en mijn eigen leven voorrang geven of zou ik het lef hebben om op te komen voor mensen die in de knel zitten en voor idealen die groter zijn dan mezelf?

Vanuit die vraag besloot ik me een aantal jaren geleden te gaan verdiepen in de levens van twee mensen die onmiskenbaar het juiste hebben gedaan. Dit waren echte helden – een zwarte man en een blanke vrouw, die tijdens de Duitse bezetting hulp boden aan Joodse onderduikers en als gevolg daarvan, als zovelen, praktisch spoorloos in de mist van de geschiedenis waren verdwenen. In februari 1944 werd dit echtpaar in hun huis aan de Haagse Pijnboomstraat samen met hun onderduikers door Nederlandse jodenjagers opgepakt. Vervolgens werden ze opgesloten in de Scheveningse strafgevangenis, het beruchte Oranjehotel. Van daaruit werden ze afgevoerd naar verschillende concentratiekampen – eerst naar Vught, later naar Neuengamme en Ravensbrück. En van daaruit zijn ze simpelweg nooit meer teruggekomen – hun zoontje, die veertien was toen hij zijn ouders voor de laatste keer zag, verweesd en onkundig van hun lot achterlatend.

Natuurlijk wilde ik proberen uit te zoeken wat er, daar in het oosten van Europa, met deze mensen gebeurd was en hoe ze gestorven waren – al was het maar voor hun zoon, die al een bejaarde man was toen ik aan dit project begon. Toch was het niet de dood van dit stel die me het meest interesseerde. Het was hun leven.

Wat waren dit voor mensen die in staat waren om zó heldhaftig te zijn, om onder deze omstandigheden zo’n keuze te maken? En dat in een persoonlijke situatie die al zo moeizaam en gecompliceerd was. Denk je in: een gemengd koppel waarvan de vrouw niet alleen aanzienlijk ouder was dan haar man, maar die als gevolg van deze liefde ook nog haar kinderen uit een eerder huwelijk in de steek had moeten laten. En hij: een jonge zwarte man, een student, die eigenlijk niets liever wilde dan terugkeren naar zijn warme vaderland aan de andere kant van de oceaan en nu opgezadeld zat met de verantwoordelijkheid voor een gezin. En dat allemaal in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen mensen nog naar de overkant van de straat liepen om in de kinderwagen te kijken als ze zagen dat daar ook een zwarte man achter liep – gewoon uit nieuwsgierigheid, om te zien wat dáár nou uit gekomen was. Ik geef het je te doen.

En dan toch nog, ondanks alles, andere mensen in nood willen en gaan helpen. Hoe hadden deze twee mensen dat kunnen opbrengen? Waarom en vanuit welke levensvisie hadden ze deze beslissing genomen? Dát wilde ik weten.

De belangrijkste ontdekking die ik deed tijdens mijn onderzoek was dat het ene juist onverbrekelijk met het andere samenhing. Dat het feit dat deze twee mensen tegen de verdrukking in voor elkaar durfden te kiezen, zich niets aantrekkend van sociale conventies of van alle zwartkijkers om hen heen die voorspelden dat hun liefde geen enkele kans van slagen zou hebben, uit dezelfde eigenschappen voortkwam als hun keuze om vervolgden onderdak te bieden: een groot hart, gulheid, vertrouwen, misschien zelfs een zekere naïviteit.

Mijn onderzoeksobjecten durfden optimistisch te zijn. Ze durfden het beste in mensen te zien, het beste te verwachten en daar ook van uit te gaan. En dus boden ze ook gastvrij onderdak aan een jonge Nederlander die zich in een vlaag van overmoed en onrust bij de Waffen SS had aangesloten en, toen vechten aan het Oostfront niet precies het jongensboekavontuur bleek te zijn wat hij er zich van had voorgesteld, alsnog was gedeserteerd.

Aan de Pijnboomstraat zaten de Joodse onderduikers boven op zolder en de ex-SS’er beneden in het zijkamertje. Wat kon mijn gastvrouw lekker koken, zei hij toen ik hem na een lange speurtocht eindelijk had gevonden, wat was ze lief en warm voor mij en voor iedereen. En was hij onder de indruk geweest van de rust en het zelfvertrouwen van de knappe zwarte man die zijn gastheer was. Het was voor mij bijna eng om die getuigenis te horen, want het waren praktisch dezelfde woorden die ik eerder had gehoord van een oude dame die als enige van de Joodse onderduiksters het drama overleefde en die ik in Israël gevonden had.

Ik leerde trouwens nog iets tijdens mijn zoektocht. En dat was dat de dood, hoe verschrikkelijk, oneerlijk en tragisch die in het geval van dit echtpaar ook was, uiteindelijk niet de macht had om hun leven te definiëren. Zoals de Britse dichter Dylan Thomas schrijft in zijn prachtige gedicht And Death Shall Have No Dominion.

Ik lees u de eerste strofe voor, in de Nederlandse vertaling van Arie van der Krogt:  

De dood zal ons nooit overwinnen.
De doden zijn naakt en worden weer één
Met de man in de wind en de halve maan;
Als hun botten zijn schoongepikt, schoon en vergaan,
Verdwijnt hun sterrenkleed niet.
Al worden ze dwaas, ze blijven toch wijs,
Al zinken ze weg in de zee, ze staan op,
Al sterven geliefden, de liefde blijft;
De dood zal ons nooit overwinnen.  

Toen ik begon aan mijn speurtocht dacht ik dat ik een verhaal over de oorlog ging maken, maar het werd een verhaal over de liefde. Onderweg sprak ik een oud-verzetsstrijdster die na tientallen Joodse kinderen in veiligheid te hebben gebracht, dezelfde helletocht had gemaakt als mijn vrouwelijke hoofdpersoon. Eerst de Scheveninger strafgevangenis, toen het Nederlandse concentratiekamp Vught, daarna het Duitse concentratiekamp Ravensbrück. Maar zij had het overleefd en kon het mij navertellen. Toen ik haar, als ervaringsdeskundige, vroeg wat mensen volgens haar tot helden maakt, aarzelde ze geen moment. ‘Ach,’ zei ze, ‘in wat ik er van heb meegemaakt waren het bepaald niet de slechtste huwelijken waarin onderdak geboden werd aan onderduikers. Want wie het gevoel heeft dat hij veel krijgt, kan ook veel geven.’

Hadden mijn hoofdpersonen dezelfde keuzes gemaakt als ze hadden geweten dat ze daarmee met hun leven zouden moeten betalen? Hadden ze voorzichtiger moeten zijn en geen ex-SS’er in huis moeten halen? Hadden ze aan hun zoontje moeten denken en zich, als zovelen, gedeisd moeten houden en de andere kant op moeten kijken? Ik weet het niet, het zijn vragen waarop ook eigenlijk geen antwoord mogelijk is.

Maar wat ik wel weet is dat heldhaftigheid geen keuze is die alleen in extreme omstandigheden wordt gemaakt. Het is een instelling die je hebt – of het nu oorlog is of vrede, of daar nu een zwaarwegend beroep op gedaan wordt of niet. Het is een vorm van levensmoed, die zich net zo goed uit als je een gepest kind in je klas of een getreiterde collega op je werk probeert te helpen.

Heldhaftigheid is ook: niet ten prooi proberen te vallen aan angst, aan wantrouwen of degenen die proberen dat bij je aan te wakkeren. Niet luisteren naar de cynici, naar de doemdenkers, naar al die mensen die ons proberen wijs te maken dat alles mis zal gaan als wij niet net zo zwart en wantrouwig gaan denken als zijzelf. En die zelfs blij zijn als er iets verschrikkelijks gebeurt, omdat ze dan kunnen zeggen: zie je wel, ik heb gelijk gehad. Heldhaftigheid is genereus durven zijn, in de wetenschap dat we in een van de welvarendste landen van de wereld wonen en dus veel te geven hebben. En het is ook bescheiden durven zijn, in de wetenschap dat zoals een befaamd Nederlands historicus ooit zei, het enige wat we zeker weten over de toekomst is dat het toch altijd weer anders loopt dan we denken.

Dit zijn de dingen die ik leerde van mijn kennismaking met deze twee mensen, die nu al zoveel jaren geleden onder de puinhopen van de geschiedenis verdwenen en toch in hun wezen, voor mij en gelukkig ook voor veel anderen, nog altijd springlevend zijn. En dus, als zometeen op de Dam de trompet geklonken heeft en het stil wordt en we denken aan allen die ons lief waren en die er niet meer zijn, denk ik ook aan hen: Waldemar en Rika Nods.