Solidariteit met de (voormalige) vijand
23-11-2007
Leon Wecke, polemoloog van het
Centrum voor Internationaal Conflictanalyse en
–Management
De lift stopte abrupt. ‘Ben ik nu al beneden?’. Nee,
halverwege bleef de kooi hangen. Ik was alleen tussen vier wanden een vloer en
een plafond en ongetwijfeld een paar verdiepingen.
In het, overigens, flakkerende licht van een plafonnière bleken de wanden redelijk schoon, grijs bruin om precies te zijn. Ik riep om assistentie en klopte een soort S.O.S. op de gesloten deur. Zouden ze mij gehoord hebben?. Een stem zei: ‘ik denk het niet’. En daar ikzelf geen antwoord had gegeven, moest het iemand anders zijn. Mijn verbazing was Twin Towers-hoog: het was een mus, een huismus en dan nog een van het vrouwelijk geslacht. ‘We zitten allebei in de lift’, concludeerde ik weinig origineel. ‘Dat niet’, zei het vogeltje: ‘wij mussen zitten al een paar jaar niet meer in de lift: ons aantal slinkt zienderogen’. En ze vervolgde geruststellend: ‘Ze komen wel’, en ze wees naar de enige smet op de deur: er stond, ooit lang geleden daarin gekrast, ‘solidariteit’.
‘Mensen in nood worden door andere mensen geholpen’, zei ze, ‘althans als ze van dezelfde soort zijn’. ‘Hoezo’ vroeg ik. De mus deelde mee dat zij inmiddels vele gebouwen van het Haagse van binnen had gezien dat ze veel gesprekken had gehoord en ambtsberichten gelezen. Dat laatste verbaasde mij niet: een mus die kan praten kan ook lezen.
‘Solidariteit’, zei ze, ‘is een begrip dat net als vrede veel gebruikt en misbruikt wordt. De inhoud verandert met de tijd’. ‘“Hun strijd, onze strijd, solidariteit”, zongen de linksen vroeger’, merkte ze op, ‘maar nu gaat het om respect voor iedereen en toegang tot de Rechten van de Mens voor iedereen. En dat moet je ruim zien: dus niet alleen hulp aan slachtoffers en misdeelden, aan zieken en andere behoeftigen’. Ze hield even haar snavel en voegde er vervolgens nog aan toe: ‘mensen helpen elkaar soms met voer, met geld en in bepaalde gevallen ook nog met geweld. Dan sturen ze soldaten om ergens anders iets goeds te doen, tenminste dat zeggen ze’. Ze zweeg veelbetekenend kennelijk om mij ervan te doordringen dat er een verschil is tussen feitelijk nagestreefde doelen en de legitimatie daarvan. ‘Soms’, zo verduidelijkte ze, ‘zegt men vrede en vrijheid te brengen, mensenrechten, democratie en veiligheid, maar vaak gaat het primair om economische en politieke belangen’.
‘Mensen maken oorlog, dat doen wij niet’, zei ze. ‘Natuurlijk hebben we wel een eigen veiligheidssysteem inzake poezen en sperwers, maar mussen onder elkaar zijn sociaal en gezellig. Uit ambtsberichten weet ik dat sommige mensen, groepen of regeringen niet best staan aangeschreven. In geschiedenisboeken staat opgetekend dat jullie ooit de Spanjaarden, toen de Fransen en daarna de Duitsers en vervolgens de Sovjetrussen als vijand hadden. En nu zijn dat de terroristen. Maar de tijd blijkt wonden te helen. De vijandschappen blijken niet eeuwig. Eerst, als ze er wat aan kunnen verdienen, vergeten de kooplieden hun oorspronkelijke vijand en later komen de gewone burgers tot de ontdekking dat die anderen ook gewone mensen zijn. Zelfs soldaten kunnen tijdens het gevecht tot die slotsom, komen. Kerstmis 1914 was er een illustratie van hoe de gewone soldaten uit de loopgraven kwamen om met elkaar kerstfeest te vieren. Het was een nachtmerrie voor de generale staven. Ik weet niet of het nog een keer kan gebeuren: ik zie de Nederlandse ISAF-soldaten in Afghanistan nog niet met de Taliban het Suikerfeest vieren. Misschien moet je daarvoor dezelfde cultuur en minstens godsdienst hebben’, zei de mus.
‘Solidariteit heeft veel aspecten’, beleerde zij mij, ‘een ervan is dat je vijanden ook medemensen zijn, veelal ook slachtoffer en dat op hen ook Uw solidariteit betrokken moet zijn. Overigens ook omgekeerd: ook zij moeten jullie als mens zien zitten en ten behoeve van jullie actie ondernemen als zulks nodig is. Alleen solidariteit kan wel eens verkeerd uitpakken. Solidair zijn met een conflictpartij wil meestal zeggen dat je de andere partij niet ziet zitten. Solidariteit is dan partijdigheid en kan ertoe leiden dat conflicten langer duren dan zonder al dan niet goedbedoelde interventie of hulp het geval zou zijn. Bij dat alles komt dat eenmaal ontstane vijandbeelden een lang leven hebben. Ze zijn duurzame opvattingen over anderen onder het aspect van vijandschap. En ze blijven overeind, ook als er allang geen reden meer toe is.
Ze vervullen allerlei functies voor mensen en hun regeringen’ benadrukte mijn gevederde lotgenoot. Ze hipte tot vlak voor mijn voeten en bleek niet van zins zichzelf te onderbreken: ‘ Belangrijke functies van vijandbeelden betreffen onder meer de cohesiefunctie: ze zorgen voor saamhorigheid, voor solidariteit binnen de eigen groep en ze legitimeren allerhande geweld tegen de vijand, waarvoor kennelijk geen mensenrechten geldig zijn. Na 11 september is men, met verwijzing naar massavernietigingswapens en terroristen, Irak binnengevallen en heeft Poetin uitgeroepen dat Tsjetsjenen terroristen zijn. De Chinese regering noemde hun Oeigoeren ook terroristen, net zoals de Turkse regering de Koerden als zodanig etiketteerden. Indertijd noemde Sharon Arafat ‘mijn eigen Bin Laden’. ‘Ik heb gelezen dat tijdens een van jullie oorlogen de stad Dresden, waar geen militair doel te vinden was, vanuit de lucht in brand is gestoken met ontelbare slachtoffers tot gevolg. Het was geen daad van solidariteit en meer een terreuraanval, zoals de Duitsers indertijd ook ondernamen. Maar nu zijn die Duitsers, Engelsen en Amerikanen toch vrienden en is er een militair bondgenootschap waarin de internationale solidariteit tot uitdrukking komt’. ‘Dan moet je de afgesproken vervanging van onze troepen in Uruzgan er maar buiten laten’, dacht ik.
‘Vijandbeelden zijn veelal niet de primaire oorzaken van oorlogen en andere gewelddadigheden’, aldus de mus, die kennelijk op haar praatstoel zat. ‘Het gaat vooral om economische en politieke oorzaken die ertoe leiden dat volksleiders, of beter misleiders erin slagen om langs de breuklijnen van religie, etniciteit, gemeenschappelijke taal en geschiedenis mensen tegen elkaar te motiveren en te mobiliseren. Dat neemt niet weg dat vijandbeelden bestreden moeten worden. Internationale solidariteit wordt door die beelden in hoge mate gehinderd. Sommige beelden zijn autistisch van aard in de zin van extreem egocentrisch en laten geen wijzigingen toe, ook als die evident juist zijn. Pas als tal van nieuwe situaties en feiten de onhoudbaarheid van bepaalde vijandbeelden onmiskenbaar hebben aangetoond gaat men overstag. En natuurlijk levert een gemeenschappelijke bedreiging of vijand een zodanige eensgezindheid op, dat het oorspronkelijk vijandbeeld verdwijnt en soms zelfs voor een vriendbeeld plaats maakt. Maar dan zitten beide partijen wel weer met een nieuw vijandbeeld.
Misschien, als je vijandbeelden wil veranderen, kun je het beste eerst het eigen zelfbeeld onderzoeken. Dat zelfbeeld impliceert immers welhaast per definitie een overschatting van de eigen waarden en capaciteiten en onderschattingen van de eigenschappen van de ander. Zeer innige solidariteit met de eigen groep is dan ook een negatieve factor als het gaat om internationale solidariteit. Een overtrokken wij-gevoel kan uitmonden in superioriteitsdenken en solidariteit verlagen tot giften aan de armen in plaats van de erkenning van gelijkwaardigheid en gelijkberechtigdheid’. ‘Maar’ zo concludeerde de vertegenwoordigster van een in ons land slinkende diersoort, ‘solidariteit mag dan een containerbegrip zijn waarvan de inhoud varieert naar tijd en cultuur, een ding staat vast: vijandbeelden krijgen het moeilijk als mensen oprecht solidair zijn binnen en vooral over de eigen nationale grenzen heen’.
Voor ik haar kon antwoorden zette de lift zich in beweging en landde met een schok. Twee monteurs opende de deur, ‘U bent er’, riepen ze. ‘Er zit nog een mus in de lift die kan praten’, zei ik, naar de lift gebarend. Meewarig keken ze mij aan en drukten op de knop naar boven. Pas weken later toonde een psychiater medemenselijke solidariteit. Hij gaf mij gelijk: sommige mussen kunnen praten.
In het, overigens, flakkerende licht van een plafonnière bleken de wanden redelijk schoon, grijs bruin om precies te zijn. Ik riep om assistentie en klopte een soort S.O.S. op de gesloten deur. Zouden ze mij gehoord hebben?. Een stem zei: ‘ik denk het niet’. En daar ikzelf geen antwoord had gegeven, moest het iemand anders zijn. Mijn verbazing was Twin Towers-hoog: het was een mus, een huismus en dan nog een van het vrouwelijk geslacht. ‘We zitten allebei in de lift’, concludeerde ik weinig origineel. ‘Dat niet’, zei het vogeltje: ‘wij mussen zitten al een paar jaar niet meer in de lift: ons aantal slinkt zienderogen’. En ze vervolgde geruststellend: ‘Ze komen wel’, en ze wees naar de enige smet op de deur: er stond, ooit lang geleden daarin gekrast, ‘solidariteit’.
‘Mensen in nood worden door andere mensen geholpen’, zei ze, ‘althans als ze van dezelfde soort zijn’. ‘Hoezo’ vroeg ik. De mus deelde mee dat zij inmiddels vele gebouwen van het Haagse van binnen had gezien dat ze veel gesprekken had gehoord en ambtsberichten gelezen. Dat laatste verbaasde mij niet: een mus die kan praten kan ook lezen.
‘Solidariteit’, zei ze, ‘is een begrip dat net als vrede veel gebruikt en misbruikt wordt. De inhoud verandert met de tijd’. ‘“Hun strijd, onze strijd, solidariteit”, zongen de linksen vroeger’, merkte ze op, ‘maar nu gaat het om respect voor iedereen en toegang tot de Rechten van de Mens voor iedereen. En dat moet je ruim zien: dus niet alleen hulp aan slachtoffers en misdeelden, aan zieken en andere behoeftigen’. Ze hield even haar snavel en voegde er vervolgens nog aan toe: ‘mensen helpen elkaar soms met voer, met geld en in bepaalde gevallen ook nog met geweld. Dan sturen ze soldaten om ergens anders iets goeds te doen, tenminste dat zeggen ze’. Ze zweeg veelbetekenend kennelijk om mij ervan te doordringen dat er een verschil is tussen feitelijk nagestreefde doelen en de legitimatie daarvan. ‘Soms’, zo verduidelijkte ze, ‘zegt men vrede en vrijheid te brengen, mensenrechten, democratie en veiligheid, maar vaak gaat het primair om economische en politieke belangen’.
‘Mensen maken oorlog, dat doen wij niet’, zei ze. ‘Natuurlijk hebben we wel een eigen veiligheidssysteem inzake poezen en sperwers, maar mussen onder elkaar zijn sociaal en gezellig. Uit ambtsberichten weet ik dat sommige mensen, groepen of regeringen niet best staan aangeschreven. In geschiedenisboeken staat opgetekend dat jullie ooit de Spanjaarden, toen de Fransen en daarna de Duitsers en vervolgens de Sovjetrussen als vijand hadden. En nu zijn dat de terroristen. Maar de tijd blijkt wonden te helen. De vijandschappen blijken niet eeuwig. Eerst, als ze er wat aan kunnen verdienen, vergeten de kooplieden hun oorspronkelijke vijand en later komen de gewone burgers tot de ontdekking dat die anderen ook gewone mensen zijn. Zelfs soldaten kunnen tijdens het gevecht tot die slotsom, komen. Kerstmis 1914 was er een illustratie van hoe de gewone soldaten uit de loopgraven kwamen om met elkaar kerstfeest te vieren. Het was een nachtmerrie voor de generale staven. Ik weet niet of het nog een keer kan gebeuren: ik zie de Nederlandse ISAF-soldaten in Afghanistan nog niet met de Taliban het Suikerfeest vieren. Misschien moet je daarvoor dezelfde cultuur en minstens godsdienst hebben’, zei de mus.
‘Solidariteit heeft veel aspecten’, beleerde zij mij, ‘een ervan is dat je vijanden ook medemensen zijn, veelal ook slachtoffer en dat op hen ook Uw solidariteit betrokken moet zijn. Overigens ook omgekeerd: ook zij moeten jullie als mens zien zitten en ten behoeve van jullie actie ondernemen als zulks nodig is. Alleen solidariteit kan wel eens verkeerd uitpakken. Solidair zijn met een conflictpartij wil meestal zeggen dat je de andere partij niet ziet zitten. Solidariteit is dan partijdigheid en kan ertoe leiden dat conflicten langer duren dan zonder al dan niet goedbedoelde interventie of hulp het geval zou zijn. Bij dat alles komt dat eenmaal ontstane vijandbeelden een lang leven hebben. Ze zijn duurzame opvattingen over anderen onder het aspect van vijandschap. En ze blijven overeind, ook als er allang geen reden meer toe is.
Ze vervullen allerlei functies voor mensen en hun regeringen’ benadrukte mijn gevederde lotgenoot. Ze hipte tot vlak voor mijn voeten en bleek niet van zins zichzelf te onderbreken: ‘ Belangrijke functies van vijandbeelden betreffen onder meer de cohesiefunctie: ze zorgen voor saamhorigheid, voor solidariteit binnen de eigen groep en ze legitimeren allerhande geweld tegen de vijand, waarvoor kennelijk geen mensenrechten geldig zijn. Na 11 september is men, met verwijzing naar massavernietigingswapens en terroristen, Irak binnengevallen en heeft Poetin uitgeroepen dat Tsjetsjenen terroristen zijn. De Chinese regering noemde hun Oeigoeren ook terroristen, net zoals de Turkse regering de Koerden als zodanig etiketteerden. Indertijd noemde Sharon Arafat ‘mijn eigen Bin Laden’. ‘Ik heb gelezen dat tijdens een van jullie oorlogen de stad Dresden, waar geen militair doel te vinden was, vanuit de lucht in brand is gestoken met ontelbare slachtoffers tot gevolg. Het was geen daad van solidariteit en meer een terreuraanval, zoals de Duitsers indertijd ook ondernamen. Maar nu zijn die Duitsers, Engelsen en Amerikanen toch vrienden en is er een militair bondgenootschap waarin de internationale solidariteit tot uitdrukking komt’. ‘Dan moet je de afgesproken vervanging van onze troepen in Uruzgan er maar buiten laten’, dacht ik.
‘Vijandbeelden zijn veelal niet de primaire oorzaken van oorlogen en andere gewelddadigheden’, aldus de mus, die kennelijk op haar praatstoel zat. ‘Het gaat vooral om economische en politieke oorzaken die ertoe leiden dat volksleiders, of beter misleiders erin slagen om langs de breuklijnen van religie, etniciteit, gemeenschappelijke taal en geschiedenis mensen tegen elkaar te motiveren en te mobiliseren. Dat neemt niet weg dat vijandbeelden bestreden moeten worden. Internationale solidariteit wordt door die beelden in hoge mate gehinderd. Sommige beelden zijn autistisch van aard in de zin van extreem egocentrisch en laten geen wijzigingen toe, ook als die evident juist zijn. Pas als tal van nieuwe situaties en feiten de onhoudbaarheid van bepaalde vijandbeelden onmiskenbaar hebben aangetoond gaat men overstag. En natuurlijk levert een gemeenschappelijke bedreiging of vijand een zodanige eensgezindheid op, dat het oorspronkelijk vijandbeeld verdwijnt en soms zelfs voor een vriendbeeld plaats maakt. Maar dan zitten beide partijen wel weer met een nieuw vijandbeeld.
Misschien, als je vijandbeelden wil veranderen, kun je het beste eerst het eigen zelfbeeld onderzoeken. Dat zelfbeeld impliceert immers welhaast per definitie een overschatting van de eigen waarden en capaciteiten en onderschattingen van de eigenschappen van de ander. Zeer innige solidariteit met de eigen groep is dan ook een negatieve factor als het gaat om internationale solidariteit. Een overtrokken wij-gevoel kan uitmonden in superioriteitsdenken en solidariteit verlagen tot giften aan de armen in plaats van de erkenning van gelijkwaardigheid en gelijkberechtigdheid’. ‘Maar’ zo concludeerde de vertegenwoordigster van een in ons land slinkende diersoort, ‘solidariteit mag dan een containerbegrip zijn waarvan de inhoud varieert naar tijd en cultuur, een ding staat vast: vijandbeelden krijgen het moeilijk als mensen oprecht solidair zijn binnen en vooral over de eigen nationale grenzen heen’.
Voor ik haar kon antwoorden zette de lift zich in beweging en landde met een schok. Twee monteurs opende de deur, ‘U bent er’, riepen ze. ‘Er zit nog een mus in de lift die kan praten’, zei ik, naar de lift gebarend. Meewarig keken ze mij aan en drukten op de knop naar boven. Pas weken later toonde een psychiater medemenselijke solidariteit. Hij gaf mij gelijk: sommige mussen kunnen praten.
